ECLI:NL:RBMNE:2026:3781
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Uitstel van voorwaardelijke invrijheidstelling wegens ernstig misdragen in detentie
De veroordeelde, oorspronkelijk veroordeeld in Polen tot een gevangenisstraf van 4 jaar en 10 maanden, verblijft sinds april 2023 in Nederland waar de straf wordt ten uitvoer gelegd. De voorlopige datum van voorwaardelijke invrijheidstelling was vastgesteld op 8 juni 2026. Het Openbaar Ministerie verzocht om uitstel van deze invrijheidstelling vanwege het ernstige en herhaaldelijke ongewenste gedrag van de veroordeelde tijdens detentie.
Tijdens de zitting op 3 juni 2026 werden de officier van justitie, de veroordeelde met zijn advocaat en een reclasseringswerker gehoord. Uit rapportages bleek dat de veroordeelde zich vrijwel uitsluitend ongewenst gedroeg, met 24 disciplinaire straffen voor onder meer drugsgebruik, geweld en verbale agressie. De reclassering adviseerde uitstel van de invrijheidstelling en stelde voor om eerst de andere straf ten uitvoer te leggen.
De verdediging voerde aan dat het uitstel disproportioneel is, mede vanwege de hoge straffen in Polen en het ontbreken van perspectief op resocialisatie. De rechtbank oordeelde dat afstel niet proportioneel is, maar dat uitstel van 180 dagen passend is gezien het gedrag van de veroordeelde. Tevens gaf de rechtbank het Openbaar Ministerie in overweging om de volgorde van strafuitvoering te herzien met oog op resocialisatie.
De beslissing werd genomen door drie rechters en uitgesproken op 16 juni 2026, waarbij het verzoek tot uitstel gedeeltelijk werd toegewezen en de duur van het uitstel werd vastgesteld op 180 dagen vanaf de oorspronkelijke datum van voorwaardelijke invrijheidstelling.
Uitkomst: De voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld met 180 dagen vanwege ernstig misdragen tijdens detentie.