ECLI:NL:RBMNE:2026:3770

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
C/16/609594 / KG ZA 26-180
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 2 onder d WwftArt. 5 lid 3 WwftArt. 2 ABVArt. 3 ABVArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging bankrelatie wegens onbeheersbare integriteitsrisico’s conform Wwft is terecht

ABN AMRO heeft de bankrelatie met eiseres beëindigd na een klantonderzoek in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft). De bank constateerde onbeheersbare integriteitsrisico’s en plaatste eiseres op de interne CAAML-lijst. Eiseres vorderde voortzetting van de bankrelatie en verwijdering van de registratie, maar deze vorderingen werden afgewezen.

De rechtbank beoordeelde of ABN AMRO zorgvuldig en terecht heeft gehandeld bij het klantonderzoek en de opzegging. De bank had twijfels over de organisatiestructuur, de herkomst van financiële middelen, en de zeggenschapsstructuur, mede door tegenstrijdige verklaringen van eiseres en betrokken partijen. De sectoren waarin eiseres actief is (payrolling, vastgoed en e-commerce) brengen een verhoogd risico op witwassen met zich mee, wat extra zorgvuldigheid vereist.

De rechtbank stelde vast dat ABN AMRO voldoende zorgvuldigheid heeft betracht en dat de bank terecht heeft geconcludeerd dat het klantonderzoek niet positief kon worden afgerond. De wettelijke verplichting tot beëindiging van de relatie op grond van artikel 5 lid 3 Wwft Pro was daarmee van toepassing. De vordering tot herstel van de bankrelatie en verwijdering van de CAAML-registratie werd afgewezen. Eiseres werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: De bankrelatie met eiseres is terecht beëindigd wegens onbeheersbare integriteitsrisico’s en de registratie op de CAAML-lijst blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/609594 / KG ZA 26-180
Vonnis in kort geding van 19 juni 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaten: mr. F.J.H.M. Berndsen en mr. M.M.E.P. van Helmond,
tegen
ABN AMRO BANK N.V.,
te Amersfoort,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ABN AMRO,
advocaat: mr. J.W. Achterberg en mr. H.S. Mensonides.

1.De procedure

1.1
De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding en 21 producties van [eiseres] ,
- de conclusie van antwoord en 16 producties van ABN AMRO,
- de spreekaantekeningen van [eiseres] .
1.2
De mondelinge behandeling heeft op 5 juni 2026 plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en op vragen van de voorzieningenrechter en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. De voorzieningenrechter heeft meegedeeld dat vandaag uitspraak wordt gedaan.

2.De kern van de zaak

ABN AMRO heeft de bankrelatie met [eiseres] opgezegd, omdat ze bij haar klantonderzoek in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) onbeheersbare integriteitsrisico’s heeft geconstateerd. Daarnaast heeft ze [eiseres] opgenomen op de interne CAAML-lijst (Client Acceptance and Anti-Money Laundering). Volgens [eiseres] mocht ABN AMRO dat niet doen. Zij vordert daarom voortzetting dan wel herstel van de bankrelatie en verwijdering van de registratie op de CAAML-lijst. Deze vorderingen worden afgewezen.
3 Achtergrond
3.1
[eiseres] is een vennootschap waarvan [A] enig bestuurder is. Hij is een van de aandeelhouders. Andere aandeelhouders zijn onder andere [B] (de echtgenote van [A] ), [C] (een schoonzus van [A] ) en [onderneming 1] B.V. [onderneming 1] B.V., waarvan [stichting] 100 % aandeelhouder is, is de grootste aandeelhouder in [eiseres] .
3.2
Omdat in de publiciteit kwam dat zijn broer zich bezig houdt met de georganiseerde handel in drugs is ABN AMRO een klantonderzoek gestart naar [A] en zijn vennootschappen, waaronder [onderneming 2] B.V. en [eiseres] . Omdat er allerlei transacties plaatsvonden tussen de aandeelhouders in [eiseres] B.V. en enkele andere partijen, heeft ABN AMRO die partijen aangemerkt als een zogenaamd klantcomplex, waarbij alle partijen daarbinnen die bij ABN AMRO bankierden werden onderzocht. Bij dat onderzoek heeft ABN AMRO geen bewijs gevonden voor betrokkenheid bij drugshandel, maar heeft zij heeft wel geconstateerd dat sprake is van een netwerk van vennootschappen en personen dat voornamelijk met elkaar, binnen een gesloten circuit, zaken doet. De bank heeft uiteindelijk de bankrelatie opgezegd met meerdere partijen in het klantcomplex, waaronder [onderneming 2] B.V., [eiseres] , [onderneming 1] B.V. en drie aan [onderneming 1] B.V. gelieerde personen in privé ( [D] , [E] en [F] ).
3.3
Sommige klanten uit wat ABN AMRO het klantcomplex noemt hebben in de opzegging berust, maar elf klanten zijn een kort geding gestart bij de rechtbank Midden-Nederland. Vandaag wordt uitspraak gedaan in de zaken van [onderneming 2] en [eiseres] . In de zaken van [onderneming 1] B.V., [D] , [E] en [F] is een regeling getroffen en wordt geen uitspraak gedaan. Van de overige vijf kort gedingen moet de mondelinge behandeling nog plaatsvinden.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt een spoedeisend belang heeft. [onderneming 2] heeft voldoende aangetoond dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. ABN AMRO heeft de bankrelatie opgezegd. Het gevolg daarvan is dat zij geen gebruik meer zal kunnen maken van haar bankrekeningen.
Toetsingskader
4.2
In een kort geding moet worden beoordeeld of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat nu alvast een voorlopige voorziening moet worden gegeven. De kernvraag in deze zaak is dus of aannemelijk is dat de bodemrechter zou oordelen dat ABN AMRO de bankrelatie met [onderneming 2] niet had mogen beëindigen, en dus de bankrelatie moet voortzetten. Daarvoor is het volgende toetsingskader van belang.
4.3
Banken hebben op grond van de Wwft een verantwoordelijkheid bij het signaleren van zogenoemde financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Zij moeten zoveel mogelijk voorkomen dat het financiële systeem voor oneigenlijke doelen wordt gebruikt of misbruikt. Daartoe moeten zij onderzoek doen naar hun klanten. Het klantonderzoek houdt onder meer in dat de bank een voortdurende controle moet uitoefenen op de zakelijke relatie en op de transacties die tijdens de duur van de relatie worden verricht. De bank moet zich ervan verzekeren dat die transacties overeenkomen met de kennis die zij heeft van de klant en diens risicoprofiel. [1] Een klantonderzoek is intensiever naarmate de risicofactoren hoger zijn. In bepaalde branches zijn die risicofactoren hoger dan in andere. [2]
4.4
Banken hebben geen formele opsporingsbevoegdheden en zijn bij het doen van het onderzoek afhankelijk van informatie die de bank heeft, informatie uit openbare bronnen en met name informatie van de klant zelf. De klant is daarom op grond van artikel 2, 3 en 7 van de Algemene Bankvoorwaarden (ABV) verplicht de bank te voorzien van de nodige informatie over – onder meer – zijn activiteiten en de manier waarop hij aan het geld is gekomen dat hij bij de bank onderbrengt.
4.5
Als een bank concludeert dat een klantonderzoek niet met een positief gevolg kan worden afgerond, dan moet de bank de relatie met die klant op grond van artikel 5 lid 3 Wwft Pro beëindigen. De bank kan dan immers het risico van misbruik van de door haar aangeboden producten en diensten niet overzien. Het is voor de beëindiging niet noodzakelijk dat er concrete bewijzen zijn dat de klant betrokken is bij criminele activiteiten.
4.6
Een bank kan om meerdere redenen tot de conclusie komen dat zij een klantonderzoek niet positief kan afronden. Dat kan het geval zijn als de klant geen antwoord geeft op vragen, als de klant slechts gedeeltelijke of gebrekkige antwoorden geeft op vragen, en als de klant geen of te weinig stukken aanlevert die de antwoorden onderbouwen. De bank kan ook tot die conclusie komen als de klant wel duidelijke antwoorden geeft en stukken aanlevert die de antwoorden onderbouwen, maar de antwoorden ofwel de bank niet overtuigen, ofwel bepaalde zorgen of risico’s niet wegnemen.
4.7
De bank moet bij de uitvoering van het klantonderzoek zorgvuldig handelen. Dat volgt onder andere uit de in artikel 2 ABV Pro opgenomen verplichting zorgvuldig te zijn in de dienstverlening. De bank moet, bijvoorbeeld, de klant voldoende tijd geven vragen te beantwoorden, moet enige ruimte laten bestaan voor misverstanden, in het bijzonder als de klant een kleine ondernemer is en/of de Nederlandse taal minder goed machtig is, en moet de antwoorden en de stukken die de klant ter onderbouwing daarvan aanlevert goed bestuderen. Bij het trekken van de conclusie dat zij een klantonderzoek niet positief kan afronden moet de bank temeer zorgvuldig handelen. Als de bank de relatie wil beëindigen omdat de antwoorden bepaalde zorgen of risico’s niet wegnemen, moet de bank de klant in het voortraject, bij het stellen van de vragen, een reële kans hebben geboden zich over de feiten die bij de bank zorgen opleveren uit te laten. En de bank moet de opzegging deugdelijk motiveren. Naarmate de klant uitvoeriger antwoorden geeft op vragen die gaan over door de bank genoemde zorgen of risico’s, zal de opzegging uitvoeriger gemotiveerd moeten zijn.
4.8
Als een bank een relatie met een klant opzegt omdat het klantenonderzoek niet of niet met een positief resultaat kan worden afgerond en de klant betwist dat de bank die conclusie heeft mogen trekken, moet de rechter onderzoeken of de bank juist en zorgvuldig heeft gehandeld. Het ligt dan op de weg van de bank om aannemelijk te maken dat zij een zorgvuldig onderzoek heeft verricht en daaruit onvoldoende informatie heeft verkregen om het klantenonderzoek (positief) te kunnen afronden. Het toetsmoment daarbij is het moment van de opzegging (toetsing ‘ex tunc’).
4.9
Als de conclusie is dat de bank na een zorgvuldig onderzoek terecht heeft geconcludeerd het klantonderzoek niet behoorlijk te kunnen afsluiten, zal de rechter de bank in het gelijk stellen. Vragen zoals of de klant elders nog een bankrekening heeft of niet, of de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en of de zorgplicht van de bank niet aan de opzegging in de weg staat, komen niet aan de orde. De opzegging vloeit immers voort uit een wettelijke plicht (art. 5 lid 3 Wwft Pro), ook al is de contractuele grondslag van de opzegging gebaseerd op artikel 35 ABV Pro. Een belangenafweging is daarom niet aan de orde. De zorgplicht van de bank en het belang van de klant bij het hebben van een bankrekening komen al aan bod bij de manier (zorgvuldig) waarop de bank het klantenonderzoek moet verrichten. Een bank die een opzegging baseert op artikel 5 lid 3 Wwft Pro kan zich ten slotte niet met succes subsidiair beroepen op haar algemene opzeggingsbevoegdheid en haar contractsvrijheid. Daar is het de bank in zo’n art. 5 lid 3 Wwft Pro zaak immers helemaal niet om te doen.
Het toetsmoment is 2 februari 2026
4.1
De opzegging waar het in deze zaak om gaat is de brief van 2 februari 2026. De eerdere brief van 22 september 2025 is expliciet ingetrokken. Voor zover ABN AMRO het standpunt inneemt dat de brief van 2 februari 2026 moet worden gezien als nadere toelichting op de brief van 22 september 2025, gaat de rechter daaraan voorbij. Voor zover [eiseres] het standpunt inneemt dat met de intrekking van de opzeggingsbrief van 22 september 2025 de aanvullende brief van 2 februari 2026 is komen te vervallen, en er dan geen opzegging meer is, gaat de rechter daar dus ook aan voorbij. ABN AMRO heeft de bankrelatie meerdere keren opgezegd en vervolgens naar aanleiding van bezwaren van [eiseres] een nieuwe beslissing genomen over beëindiging van de bankrelatie. De brief van 2 februari 2026 is simpelweg de meest recente beslissing en is daarom de beslissing waar in dit kort geding van uitgegaan moet worden.
4.11
De ex-tunc toetsing betekent voor deze zaak dus dat ABN AMRO aannemelijk moet maken dat zij op het moment van de opzeggingsbrief van 2 februari 2026 kon concluderen dat zij het klantenonderzoek niet positief kon afronden en dus niet kon voldoen aan haar verplichtingen als bedoeld in artikel 3 Wwft Pro.
ABN AMRO mocht de bankrelatie opzeggen
4.12
In de brief van 2 februari 2026 deelt ABN AMRO mee dat ze de bankrelatie met [eiseres] opzegt omdat zij, na eerdere vragenrondes en een eerdere opzegging waar zij op terug is gekomen, op 29 april 2025 (waarschijnlijk wordt bedoeld: 17 april 2025, productie 16 van [eiseres] ) heeft gevraagd om aanvullende informatie en documentatie, en de bij de reactie namens [eiseres] van 18 mei 2025 aangeleverde informatie en documentatie
“…onvoldoende (zijn) gebleken om het klantenonderzoek positief te kunnen afronden, doordat de geconstateerde integriteitsrisico’s niet zijn wegenomen.”
De – verlate, want aanvankelijk zegde de bank al op in een brief van 22 september 2025 – motivering daarvan in de brief van 2 februari 2026 is als volgt:
“Organisatiestructuur
Uit het klantenonderzoek is gebleken dat uw cliënt twee dochterondernemingen heeft welke de bank niet passend acht voor de bedrijfsactiviteiten van uw cliënt. Het gaat hier om [onderneming 3] B.V. en [onderneming 4] B.V, beide actief als retailer in de cosmetica sector. De bank acht het ongewoon dat een payrollbedrijf dit type entiteiten als dochterondernemingen heeft. Hierom heeft de bank uw cliënt gevraagd om een toelichting te geven op de aanschaf van 70 procent van de aandelen in voornoemde bedrijven. In eerste instantie heeft uw cliënt verklaard dat dat ervoor was gekozen om te participeren in [onderneming 3] B.V. en [onderneming 4] B.V. ‘om te participeren in een niet lopende B.V. en die door financiële injectie te boosten met het doel deze BV weer draaiende te krijgen’. Vervolgens is er met de reactie van 10 juni 2024 aangegeven dat het helemaal niet om slechtlopende bedrijven zou gaan. Uw cliënt zou medeoprichter zijn van [onderneming 4] B.V. en [onderneming 3] B.V. ‘had haast geen activiteiten, maar ook geen kosten.’ De discrepantie in de verklaringen van uw cliënt zorgen ervoor dat de bank twijfels heeft omtrent de organisatiestructuur en de gelden die uw cliënt van deze dochtermaatschappijen heeft ontvangen. De bank heeft uw cliënt bovendien, tijdens het klantenonderzoek, meermaals geconfronteerd met de vraag waarom deze slecht lopende bedrijven zou overnemen.
Daarnaast zet de bank ook vraagtekens bij de totstandkoming van deze zakelijke relaties en acht de bank de verklaring van uw cliënt te algemeen. In 2023 is verklaard dat het kennissen zouden betreffen, maar in juni 2024 is er verklaard dat uw cliënt medeoprichter zou zijn van [onderneming 3] B.V.
De verklaring van uw cliënt inzake de totstandkoming van deze relaties acht de bank te algemeen. Het zou gaan om kennissen van uw cliënt. In de reactie van 24 maart 2023 is verklaard dat die destijds in financiële problemen verkeerden. Ook zet de bank haar vraagtekens bij de gelden die uw cliënt heeft ontvangen van [onderneming 3] B.V. Uw cliënt heeft sinds 2020 meer dan EUR 1.000.000 ontvangen van deze partij. Dit zou zien op terugbetalingen van leningen en factuurbetalingen. De bank heeft uw cliënt tijdens het onderzoek gevraagd om inzage te geven in de herkomst van middelen waarmee facturen zijn voldaan. De aangeleverde informatie en documentatie heeft echter maar deels inzage gegeven. Dit in combinatie met de discrepantie in de verklaringen van uw cliënt, zorgen ervoor dat de bank geen comfort heeft bij de herkomst van de middelen.
Eigendoms- en zeggenschapsstructuur
Blijkens het klantenonderzoek is [onderneming 1] B.V. voor 33,33% aandeelhouder is van uw cliënt. De bank heeft risico’s geconstateerd ten aanzien van de eigendoms- en zeggenschapsstructuur van deze entiteit. Ondanks de aangeleverde informatie en documentatie in het onderzoek naar [onderneming 1] B.V. is de bank van mening dat de structuur van deze entiteit, met daarboven [stichting] , onvoldoende inzichtelijk is geworden. Het is onduidelijk wie de uiteindelijk belanghebbende van [stichting] , en hiermee dus ook [onderneming 1] , is. Hiermee is 33,33% van de eigendoms- en zeggenschapsstructuur van uw cliënt niet inzichtelijk geworden voor de bank, iets dat wel vereist is in het kader van de Wwft. Tevens heeft de bank fiscale risico’s geconstateerd ten aanzien van [stichting] en straalt dit, vanwege het aandeel van [onderneming 1] B.V., ook uit naar uw cliënt.
Vastgoed activiteiten
Uit het klantenonderzoek is naar voren gekomen dat uw cliënt, naast payroll activiteiten, ook actief is op het gebied van vastgoed. Uw cliënt koopt vastgoed aan, verkoopt objecten en is tevens betrokken bij huurbetalingen en leningen. Dit terwijl deze activiteiten niet staan geregistreerd in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK). Uw cliënt heeft verklaard dit niet te hebben geregistreerd bij de KvK omdat het slechts nevenactiviteiten zouden betreffen. De bank kan zich niet vinden in deze stelling van uw cliënt, aangezien ook nevenactiviteiten geregistreerd dienen te worden bij de KvK. Tevens ziet de bank risico’s in vastgoedtransacties die hebben plaatsgevonden op de zakelijke rekening van uw cliënt. De bank zet haar motiveringen hieronder uiteen.
Herkomst en bestemming financiële middelen
Ten aanzien van de herkomst en bestemming van de financiële middelen is de bank van mening dat de risico’s voornamelijk zitten in de complexiteit en transparantie van de transacties. Hieronder worden een aantal van deze transacties/constructies uitgelicht. Blijkens het onderzoek heeft uw cliënt op 2 juni 2020 het object aan de [adres] te [plaats 2] gekocht voor EUR 1.600.000. Dit pand is aangekocht van [onderneming 2] B.V. en [onderneming 5] B.V. heeft voor de aanschaf een hypotheek à EUR 1.100.000 verstrekt aan uw cliënt. Opvallend is dat het pand, op moment van aanschaf door uw cliënt, al werd gefinancierd door [onderneming 5] B.V. De door uw cliënt gegeven antwoorden nemen de zorgen van de bank, inzake de herkomst van de middelen, niet weg.
Tevens vinden er veel transacties plaats met partijen waarbij de bank eerder integriteitsrisico’s heeft geconstateerd, waaronder [onderneming 1] die 33,33% van de aandelen van uw cliënt in bezit heeft en de heer [A] en diens partner die elk 16,67% van de aandelen in bezit hebben. De bank is van mening dat de risico’s die bij deze partijen geconstateerd zijn, uitstralen op uw cliënt. De bank kan op het moment niet uitsluiten dat de vele transacties met deze partijen en leningen illegitieme doeleinden hebben. De aangeleverde informatie en documentatie zijn onvoldoende gebleken om de zorgen van de bank weg te nemen. De bank is van mening dat de risico’s op dit moment niet beheersbaar zijn.
Ook hebben er transacties plaatsgevonden met [onderneming 6] B.V. Zoals de bank in haar schrijven van 27 november 2023 al heeft aangegeven, ziet de bank risico’s omtrent de transacties met [onderneming 6] B.V. Uw cliënt heeft op de dag dat [onderneming 6] B.V. in staat van faillissement is verklaard, 6 april 2021, nog gelden ontvangen van deze partij. Omdat de bank bij voornoemde entiteit integriteitsrisico’s heeft geconstateerd, stralen deze risico’s ook uit naar uw cliënt, Hoewel uw cliënt, met de reactie van 10 juni 2024, inzage heeft gegeven in het screeningsbeleid, is de bank van mening dat het beleid niet voldoende is om de twijfels omtrent de herkomst van middelen weg te nemen.”
4.13
Deze motivering komt er kort gezegd op neer dat ABN AMRO geen goed beeld heeft kunnen krijgen van wat [eiseres] precies doet, wie de zeggenschap heeft, en wat haar transacties binnen het klantcomplex precies inhouden. De motivering is uitgebreid en met de stukken waarnaar ABN AMRO verwijst in de opzegbrief van 2 februari 2026 wordt deze motivering ook voldoende onderbouwd. Daarbij is ook van belang dat ABN AMRO onweersproken heeft gesteld dat de sectoren waarin [eiseres] actief is (payrolling, vastgoed en e-commerce) een hoger risico op witwassen meebrengen. Dit verhoogde risico brengt mee dat ABN AMRO extra kritisch moet zijn als zij op onduidelijkheden stuit en dat [eiseres] zich extra zal moeten inspannen om die onduidelijkheden weg te nemen. En dat heeft zij niet gedaan. Integendeel, [eiseres] heeft soms wisselende en tegenstrijdige verklaringen gegeven over de structuur en zeggenschap en de documentatie die zij heeft verstrekt geeft slechts deels inzicht in de herkomst en bestemming van de financiële middelen.
4.14
De bank merkt terecht op dat ongewoon is dat een payrollbedrijf dochterondernemingen heeft die actief zijn in de online verkoop van cosmetica ( [onderneming 3] B.V. en [onderneming 4] B.V.). Hetzelfde geldt voor het feit dat het ook in vastgoed handelt. Als op vragen van de bank over de achtergrond van de investering in de dochterondernemingen, waar meer dan € 1.000.000 uit wordt ontvangen, slechts vage, algemene antwoorden worden gegeven (dat er geld valt te verdienen in online verkoop van cosmetica, en dat het ging om ‘kennissen’), mag de bank tot de conclusie komen dat zij in de kern onvoldoende hoogte kan krijgen van de business case van haar klant. Een van de doelen van klantonderzoek is (art. 3 lid 2 onder Pro d Wwft) verzekeren dat de zakelijke relatie en de transacties overeenkomen met de kennis die de instelling heeft van de cliënt en diens risicoprofiel. Dat valt moeilijk te verzekeren bij een ondernemer die in geheel branchevreemde activiteiten stapt omdat er waarschijnlijk wat mee te verdienen valt en hij daar ‘kennissen’ heeft, en er niet meer over kan of wil vertellen dan dat.
4.15
Ook is begrijpelijk dat de bank moeite heeft met de eigendoms- en zeggenschapsstructuur van [eiseres] . De organisatiestructuur is ondoorzichtig. Zo zijn er naast [A] nog 5 andere aandeelhouders, waarvan niet duidelijk is in hoeverre die daadwerkelijk zeggenschap hebben over het bedrijf van [eiseres] . Dat geldt in ieder geval voor [B] , de echtgenote van [A] , en voor [C] , kennelijk de (ex)echtgenote van [G] (de broer van [A] die zich bezig houdt met georganiseerde misdaad).
4.16
De meeste aandacht gaat daarbij – terecht – uit naar de grootste aandeelhouder (33,3%), namelijk [onderneming 1] , waarvan [stichting] 100% aandeelhouder is. Het is daarom belangrijk om te weten wie er achter [stichting] zit en aan wie indirect voor een derde eigenaar is van [eiseres] . Daarover is tegenstrijdig informatie gegeven. De informatie die [eiseres] over [stichting] heeft gegeven wijkt af van de informatie die [D] namens [onderneming 1] over de stichting heeft gegeven. Omdat [onderneming 1] de grootste aandeelhouder is van [eiseres] mocht ABN AMRO bij haar vragen de informatie betrekken die zij van [D] en [onderneming 1] heeft gekregen. Volgens de informatie van [eiseres] was [H] UBO van [stichting] . Maar volgens [D] speelde [H] geen actieve rol binnen de stichting en nam hij ( [D] ) alle beslissingen en had alleen hij zeggenschap over de stichting. ABN AMRO heeft [eiseres] geconfronteerd met deze tegenstrijdige verklaringen en bij brief van 13 mei 2024 om uitleg gevraagd (vraag 21 uit productie 13 dagvaarding). De reactie van [eiseres] van 10 juni 2024 (productie 14, deel 1 dagvaarding) gaf daar echter geen duidelijkheid over. Reden waarom ABN AMRO de vraag in haar brief van 17 april 2025 heeft herhaald. Hierin schrijft zij:
“Bij het vorige klantenonderzoek in 2023 en 2024 hebben wij vragen gesteld omtrent de eigendoms- en zeggenschapsstructuur, maar het is niet inzichtelijk geworden wie destijds de UBO was van [stichting] . [eiseres] B.V. verklaarde dat, gezien de heer [H] voorzitter was, hij tevens UBO van de stichting was. Echter verklaarde [onderneming 1] BV. dat de heer [D] de UBO van de stichting was, In de brief van 13 mei 2024 vroegen we naar een toelichting op deze tegenstrijdige verklaringen (vraag 21), maar deze vraag is niet beantwoord,
4. Graag ontvangen wij alsnog een toelichting op de tegenstrijdige antwoorden.”
4.17
In haar reactie van 19 mei 2025 herhaalt [eiseres] wat zij op 10 juni 2024 heeft geschreven door dat antwoord exact te kopiëren. Zij geeft daarmee dus nog steeds geen duidelijk antwoord op de vraag om de tegenstrijdigheden toe te lichten. Het blijft bij het nietszeggende antwoord dat [H] voorzitter is en dat er verwarring is ontstaan over de UBO omdat [D] bestuurder is van [onderneming 1] . Verder verwijst zij, althans verwijst haar advocaat naar correspondentie in de zaak tussen [onderneming 1] en ABN AMRO, waarin [D] heeft toegelicht dat [H] geen (indirect) aandeelhouder is maar dat [stichting] dat was en nog steeds is.
4.18
[stichting] is en blijft een ondoorzichtige structuur, waar tegenstrijdige verklaringen over zijn afgelegd, waardoor nog steeds onduidelijk is hoe het nou zit. [D] heeft weliswaar (al op 9 september 2023) gezegd dat [stichting] eigenlijk een verkeerd gekozen rechtsvorm is en dat zij druk doende is om die met behulp van een notaris om te zetten naar een holding, maar dat is nu, bijna drie jaar later, nog steeds niet gebeurd. Daarmee is er dus nog steeds geen helderheid gegeven over de organisatiestructuur en dat maakt dat het integriteitsrisico dat ABN AMRO op dat punt heeft geconstateerd nog steeds bestaat. Dat klemt temeer omdat binnen het klantcomplex niet alleen bij [stichting] sprake is van een constructie waarbij een bestuurder naar voren wordt geschoven die feitelijk niet de bestuurder is ( [H] , volgens de verklaring van [D] ). Ook bij een andere vennootschap uit het klantcomplex, [onderneming 7] BV, was sprake van een dergelijke constructie. Daar was volgens verklaringen van [D] en [E] in naam [E] , de zus van [D] , bestuurder, terwijl die vennootschap feitelijk werd bestuurd door twee in het buitenland gevestigde personen.
Conclusie
4.19
Op grond van het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat ABN AMRO bij het klantonderzoek naar [eiseres] voldoende zorgvuldigheid heeft betracht, en op basis van dat onderzoek tot de conclusie heeft mogen komen dat ze het klantonderzoek niet positief kan afronden, doordat de geconstateerde integriteitsrisico’s niet zijn weggenomen. Op grond van de Wwft is ABN AMRO in dat geval verplicht om de bankrelatie op te zeggen. De vordering tot herstel dan wel voortzetting van die relatie wordt daarom afgewezen.
De registratie op de CAAML-lijst hoeft niet verwijderd te worden
4.2
[eiseres] vordert dat ABN AMRO haar gegevens van de CAAML-lijst verwijdert. Dit is een interne lijst die alleen zichtbaar is voor ABN AMRO (en de met haar verbonden rechtspersonen). ABN AMRO stelt dat zij er recht en belang bij heeft om de gegevens van [eiseres] in die lijst op te nemen. Het doel van opname op de CAAML-lijst is (zo blijkt uit de conclusie van antwoord) dat zij met de registratie van [eiseres] op de CAAML-lijst (slechts) wil voorkomen dat [eiseres]
na het beëindigen van de bancaire relatieeen nieuwe aanvraag doet tot het aangaan van een relatie en dat de afdeling die deze nieuwe aanvraag behandelt daarin toestemt zonder te weten dat de relatie met [eiseres] kort geleden is beëindigd. Het gevolg van het oordeel dat ABN AMRO de bankrelatie met [eiseres] mocht beëindigen, is dat er reden is om de gegevens van [eiseres] op te nemen op de CAAML-lijst. Die hoeven dus niet verwijderd te worden en de vordering daartoe wordt afgewezen.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
4.21
[eiseres] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van ABN AMRO betalen. Die kosten worden begroot op:
- griffierecht
€ 735,00
- salaris advocaat
€ 1.177,00
(gemiddeld tarief )
- nakosten
€ 189,00
(plus eventueel de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€ 2.101,00
4.22
De door ABN AMRO gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
5.2
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A.J. Purcell als voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G. Delissen, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. C.A.J. van Yperen op 19 juni 2026.

Voetnoten

1.Art. 3 lid 2 onder Pro d Wwft