Uitspraak
1.De procedure
2.De kern van de zaak
3.De achtergrond van de zaak
4.Het verzoeken over en weer
Primairhet ontslag van 23 december 2025 te vernietigen en [verweerder] te veroordelen tot betaling van loon en IKB-toeslag vanaf januari 2026 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, dat wil zeggen ofwel (primair) 1 maart 2026, [1] danwel (subsidiair) 12 februari 2026, en
- [verweerder] te veroordelen tot het verstrekken van een correcte eindafrekening met uitbetaling van de opgebouwde maar niet-genoten vakantiedagen tot en met 12 februari 2026,
- [verweerder] te veroordelen tot betaling van de ORT van € 4.513,84 bruto over de periode van indiensttreding tot en met december 2025,
- [verweerder] te veroordelen tot betaling gemiddelde ORT over de maanden januari en februari ter hoogte van € 712,95 bruto,
- [verweerder] te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro over het salaris en de ORT,
- [verweerder] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het salaris, de ORT en de gefixeerde schadevergoeding, en
- [verweerder] te veroordelen in de proceskosten.
- € 7.920,00 voor kosten die [verweerder] heeft gemaakt omdat zij op korte termijn externe [verweerder] heeft moeten inkopen toen [eiser] na 5 januari 2026 niet meer kwam werken, en
- € 4.059,07 omdat [eiser] haar sleutels niet (bij haar manager) heeft ingeleverd, waardoor de cilinders en sleutels van alle locaties moesten worden vervangen.
5.De beoordeling
De ORT over de periode vanaf de indiensttreding tot en met december 2025
De ORT over de periode vanaf 5 januari 2026 tot en met 12 februari 2026
[verweerder] moet de wettelijke rente en de wettelijke verhoging over de ORT betalen