ECLI:NL:RBMNE:2026:3759

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
26.00228
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
  • C.A.M. van Straalen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 533 SvArt. 534 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schadevergoeding voor voorarrest wegens eigen proceshouding

Verzoeker vroeg een schadevergoeding van €2.455,- voor 3 dagen in verzekering en 15 dagen in voorlopige hechtenis, waarvan 5 dagen in beperkingen. Het verzoek werd behandeld door de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Midden-Nederland op 16 juni 2026, waarbij verzoeker niet aanwezig was.

De verdenking tegen verzoeker betrof deelname aan een criminele organisatie die gewelddadige roofovervallen pleegde, waaronder een dodelijke overval op 4 december 2023. Uit onderzoek van telefoongegevens bleek dat verzoeker, onder de naam ‘[naam]’, een aansturende en faciliterende rol had in diverse criminele activiteiten. Verzoeker bekende dit, maar gaf verder geen openheid van zaken.

De voorlopige hechtenis werd op 9 februari 2024 bevolen vanwege de ernst van het strafbare feit en het risico op frustratie van het onderzoek. De zaak werd uiteindelijk geseponeerd wegens gewijzigde omstandigheden in het leven van verzoeker. De raadkamer oordeelde dat de dagen in voorarrest aan de eigen proceshouding van verzoeker te wijten zijn en dat er geen billijkheidsgronden zijn voor vergoeding.

Daarom werd het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot schadevergoeding voor de dagen in verzekering en voorlopige hechtenis wordt afgewezen wegens eigen proceshouding van verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht
Parketnummer: 16-032967-24
Raadkamernummer: 26-002280
Beslissing van de raadkamer op het verzoek op grond van artikel 533 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. F. Tosun, advocaat te Zaandam (Ankersmidplein 2-8hg, 1506 CK Zaandam),
hierna te noemen: verzoeker.

Procedure

Het verzoekschrift is binnengekomen op de griffie van deze rechtbank op 26 januari 2026.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
Het verzoekschrift is in openbare raadkamer behandeld op 16 juni 2026. Gehoord zijn de officier van justitie, mr. J.E.T. te Winkel, en de raadsvrouw van klager, mr. D.H.M. Graumans, waarnemend voor mr. F. Tosun.
Verzoeker is, alhoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Verzoek

Het verzoek strekt er - na vermindering in raadkamer - toe dat de raadkamer een vergoeding toekent voor de schade die verzoeker ten gevolge van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis stelt te hebben geleden tot een bedrag van € 2.455,-. Verzoeker is daarbij uitgegaan van 3 dagen verblijf in een politiecel en 15 dagen verblijf in een huis van bewaring, waarvan 5 dagen in beperkingen.

Standpunt Openbaar Ministerie

De officier van justitie is van mening dat het verzochte moet worden afgewezen. Daartoe is aangevoerd dat het aan de (proces)houding van verzoeker zelf te wijten is dat hij de dagen waarvoor hij een vergoeding vraagt in voorarrest heeft doorgebracht. Er zijn daarom geen gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van een vergoeding.

Beoordeling

De raadkamer heeft kennis genomen van de inhoud van het dossier in de strafzaak tegen verzoeker als verdachte (met bovenvermeld parketnummer), van het verzoekschrift, van het schriftelijk standpunt van de officier van justitie en van de e-mail van mr. Graumans van 16 juni 2026.
De raadkamer gaat bij de beoordeling van de onderhavige verzoeken uit van de navolgende feiten en omstandigheden:
verzoeker is op 6 februari 2024 in verzekering gesteld;
de voorlopige hechtenis is geschorst met ingang van 23 februari 2024;
in totaal gaat het om 3 dagen, doorgebracht in een politiebureau en 14 dagen doorgebracht in een huis van bewaring (waarvan 5 dagen in beperkingen);
op 10 november 2025 is door het Openbaar Ministerie aan verzoeker een kennisgeving verstuurd, inhoudende dat hij niet verder zal worden vervolgd omdat ‘er sprake is van inmiddels gewijzigde omstandigheden’.
Artikel 533 Sv Pro voorziet in vergoeding van de schade als gevolg van uitgezeten voorarrest, indien een zaak – zoals de onderhavige – eindigt zonder oplegging van een straf of maatregel. Toekenning van een vergoeding heeft ingevolge artikel 534 Sv Pro steeds plaats indien en voor zover daartoe, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Dat betekent enerzijds dat in geval van schade als uitgangspunt vergoeding plaatsvindt, maar anderzijds dat het de rechter vrij staat op gronden van billijkheid vergoeding achterwege te laten of slechts gedeeltelijk toe te kennen. Bestendige rechtspraak wijst in dat verband uit dat in de aard of het verloop alsmede in de uitkomst van een strafzaak grond kan worden gezien te oordelen dat het niet billijk is een vergoeding toe te kennen. Zo kan de rechter rekening houden met de mate waarin de verzoeker zijn voorarrest aan zijn eigen (proces)houding of gedrag te wijten heeft.
De raadkamer overweegt tegen deze achtergrond het volgende.
Verzoeker werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie, die zich bezig zou houden met het plegen van gewelddadige roofovervallen. Aanleiding voor deze verdenking was gelegen in een op 4 december 2023 gepleegde roofoverval, waarbij het slachtoffer door de overvaller met een mes in de borst is gestoken en is komen te overlijden. De telefoon van de verdachte van deze overval is door de politie onderzocht. Uit het onderzoek volgt dat de overvaller het voorzien had op het horloge van het slachtoffer en dat de overvaller opdracht had gekregen tot het plegen van deze overval.
In de telefoon worden voorts berichten aangetroffen die lijken te gaan over andere criminele activiteiten. Er wordt gesproken over een overval op een juwelier, dat ze er met vier man, een snelle auto, een krik en mokers naar toegaan, snel graaien en wegwezen de bestuurder van de vluchtauto is ervaren. Er wordt gesproken over het feit dat er ‘veel werk’ aankomt, zeker wel 20 klussen. Voorts wordt gesproken over de verdeling van de opbrengst van ‘die job’ en over het openmaken van kluizen. Eén van de personen die aan deze chats deelneemt is een persoon genaamd ‘ [naam] ’. Uit de communicatie lijkt het alsof ‘ [naam] ’ als tussenpersoon of intermediair een aansturende en/of faciliterende rol heeft gespeeld in verschillende criminele activiteiten. Verzoeker heeft bij de rechter-commissaris bekend dat hij ‘ [naam] ’ is en deze berichten heeft gestuurd. Hij heeft verklaard dat hij het stoer vond om ‘zulke dingen’ te doen, dat hij het stoer vond ‘om te vragen of mensen sommige dingen wilden gaan doen’. Verder heeft verzoeker niets willen verklaren en geen openheid willen geven.
Er worden ook berichten in de telefoon aangetroffen tussen verzoeker en de verdachte van de op 4 december 2023 gepleegde roofoverval met het dodelijke slachtoffer, die lijken te gaan over deze roofoverval. Ook hierover heeft verzoeker niet willen verklaren bij de politie en bij de rechter-commissaris.
De rechter-commissaris heeft op 9 februari 2024 de bewaring van verzoeker bevolen, omdat zij van oordeel was dat voortzetting van de voorlopige hechtenis noodzakelijk omdat het ging om een zeer ernstig strafbaar feit, omdat het onderzoek nog gaande was en omdat verzoeker geen volledige openheid heeft gegeven waardoor het mogelijk was dat hij het onderzoek zou kunnen frustreren.
Onder deze omstandigheden acht de rechtbank – net als de officier van justitie – geen gronden van billijkheid aanwezig om verzoeker een bedrag toe te kennen als vergoeding voor de tijd die hij in verzekering heeft doorgebracht. Immers uit de stukken in het dossier blijkt voldoende dat verzoeker de ondergane inverzekeringstelling aan zijn eigen gedrag te wijten heeft. Dat de strafzaak uiteindelijk is geseponeerd omdat er sprake was van gewijzigde omstandigheden in het leven van verzoeker, maakt het voorgaande niet anders. Op het moment dat verzoeker werd aangehouden en in verzekering werd gesteld, was er immers nog veel onduidelijk over zijn eventuele betrokkenheid, was nader onderzoek nodig en waren in verzekeringstelling en voorlopige hechtenis gerechtvaardigd. De raadkamer zal het verzoek dan ook afwijzen.

Beslissing

De raadkamer:
-
wijsthet verzoek
af.
Deze beslissing is gewezen door mr. C.A.M. van Straalen, rechter, als lid van de enkelvoudige raadkamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Troostheide, griffier en uitgesproken in openbare raadkamer van deze rechtbank van 29 juni 2026.
De griffier is buiten staat deze
beslissing mede te ondertekenen.
Tegen deze beslissing staat voor verzoeker hoger beroep open, in te stellen ter griffie van deze rechtbank, binnen een maand na betekening van deze beslissing.