ECLI:NL:RBMNE:2026:3757

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/6064
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.41 OmgevingswetArt. 2.16 Omgevingsverordening FlevolandArt. 12.17 Omgevingsverordening FlevolandArt. 1:2 AwbArt. 6:13 Awb
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen herziening en actualisatie peilbesluit ’t Bovenwater Lelystad

Het waterschap Zuiderzeeland heeft het peilbesluit voor ’t Bovenwater en het Hollandse Hout in Lelystad geactualiseerd om het feitelijk gevoerde waterpeil juridisch te borgen. Eisers, wonend aan ’t Bovenwater, vreesden dat de herziening zou leiden tot meer wateroverlast en belemmering van recreatie.

De rechtbank beoordeelde het beroep inhoudelijk en stelde vast dat het nieuwe peilbesluit het feitelijk gevoerde peil sinds 2013 weerspiegelt en geen verslechtering voor eisers inhoudt. Het waterschap heeft alle relevante belangen, waaronder ecologische en recreatieve belangen, zorgvuldig afgewogen.

Eisers voerden aan dat zij onvoldoende geïnformeerd waren en dat het peil te hoog zou zijn, wat schade aan hun woningen veroorzaakt. De rechtbank oordeelde dat het waterschap de belangen van omwonenden voldoende heeft betrokken en dat het peilbesluit binnen de redelijke beoordelingsruimte valt.

Ook de ondergrens van het peil, die bewust lager is vastgesteld om blauwalg te beperken, werd door de rechtbank aanvaard. Klachten over meetapparatuur werden als uitvoeringskwestie beoordeeld en speelden geen rol bij de rechtmatigheid van het besluit.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om griffierechtvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep van omwonenden tegen het peilbesluit is ongegrond verklaard en het waterschap heeft het besluit in redelijkheid genomen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Lelystad
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6046

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , en

[eiser];
beiden uit [plaats] , samen eisers
en
het college van Dijkgraaf en Heemraden van Waterschap Zuiderzeeland, verweerder,
(gemachtigde: mr. G.J.P.M. Bosch).
Partijen worden in deze uitspraak eisers en het waterschap genoemd.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het waterschap van 10 september 2025 waarbij het bestaande peilbesluit voor ’t Bovenwater en het Hollandse Hout in Lelystad partieel wordt herzien en geactualiseerd. ’t Bovenwater (172 hectare) en het Hollandse Hout (50 hectare) zijn kunstmatig aangelegde wateren ten zuidwesten van Lelystad, waarvan ’t Bovenwater de functie heeft van recreatieplas. Aan ‘t Bovenwater zijn woningen gebouwd die als een schiereiland grotendeels grenzen aan of zijn omgeven door water. Eisers wonen aan ’t Bovenwater en vrezen voor meer (water)overlast als gevolg van de partiële herziening en actualisatie van het peilbesluit.

Procesverloop

2. Het waterschap heeft op 10 december 2024 het ontwerpbesluit bekend gemaakt. Daartegen zijn zienswijzen ingediend. Vervolgens heeft het waterschap op 10 september 2025 het definitieve besluit bekend gemaakt. [1] Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.
3. Het beroep van eisers is behandeld op de zitting van 11 juni 2026. Eisers waren daarbij aanwezig. Het waterschap heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [A] (adviseur hydrologie) en [B] (aquatisch ecoloog).

Het peilbesluit

4. Het peilbesluit van het waterschap ziet op de partiële herziening en actualisatie van het vigerende peilbesluit Lelystad 2006. Een nieuw peilbesluit is nodig omdat het peil in de praktijk niet meer overeenkomt met het voorgeschreven peil in het vigerende peilbesluit. Het nieuwe peilbesluit heeft daarom als doel het peil zoals dat in de praktijk wordt gevoerd, ook juridisch te borgen.
5. Het peilbesluit voorziet in een dynamisch peilbeheer binnen de in het peilbesluit vastgestelde bandbreedtes. Dit betekent dat het waterpeil tussen deze bandbreedtes fluctueert onder invloed van aan- en afvoer van water, weersomstandigheden en beheersafwegingen van het waterschap. Als gevolg van dynamische peilbeheer kunnen tijdelijk hogere of lagere waterstanden voorkomen.
6. Ten opzichte van het vigerende peilbesluit voorziet het nieuwe peilbesluit van het waterschap in een verruiming van het streefpeil aan de boven- en onderzijde met 5 centimeter. Deze verruiming komt overeen met het peilbeheer zoals dat in de praktijk al vanaf 2013 door het waterschap wordt gevoerd. Daarnaast verschuiven de beheermarges waardoor de boven- en ondergrens 5 centimeter lager uitvallen. In de onderstaande tabel wordt inzichtelijk gemaakt hoe het streefpeil en de beheermarges uit het vigerende peilbesluit zich verhouden tot het peil in de praktijk en het streefpeil en de beheermarges volgens het nieuwe peilbesluit.
Peil
Peilbesluit 2006
Vanaf 2013
Peilbesluit 2025
- 2,80
Bovengrens beheerpeil (+0,20)
- 2,85
Bovengrens beheerpeil (+0,10)
- 2,90
- 2,95
Feitelijk hoog peil
Streefpeil hoog
- 3,00
Streefpeil hoog
- 3,05
Streefpeil laag
Ondergrens beheerpeil
(-0,20)
Feitelijk laag peil
- 3,10
Streefpeil laag
Ondergrens beheerpeil (-0,20)
- 3,15
- 3,20
- 3,25
- 3,30
Afbeelding 1

Het toetsingskader

7. Uit artikel 2.41, eerste lid, van de Omgevingswet volgt dat het waterschapsbestuur waarbij watersystemen in beheer zijn, een of meer peilbesluiten vaststelt voor de bij omgevingsverordening aangewezen oppervlaktewaterlichamen, grondwaterlichamen of onderdelen daarvan die deel uitmaken van die watersystemen.
8. Uit artikel 2.16, eerste lid, van de herziening Omgevingsverordening provincie Flevoland (de Omgevingsverordening) volgt dat het algemeen bestuur van het waterschap voor de oppervlaktewaterlichamen onder zijn beheer één of meer peilbesluiten vaststelt.
9. In artikel 12.17 van de Omgevingsverordening is beschreven waar een besluit of een herziening van een peilbesluit aan moet voldoen. Hieruit volgt onder andere dat een peilbesluit moet zijn voorzien van een kaart van de desbetreffende oppervlaktewaterlichamen en dat de te handhaven waterstanden ten opzicht van Normaal Amsterdams Peil (NAP) daarop moeten zijn weergegeven. Een peilbesluit moet verder zijn voorzien van een toelichting.
10. Voor de beoordeling van het peilbesluit is verder van belang dat het beheer van watersystemen, waaraan met een peilbesluit invulling wordt gegeven, op grond van artikel 1.1., eerste lid, en de bijlage bij de Omgevingswet is gedefinieerd als het samenstel van aan watersystemen verbonden taken, gericht op het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van die watersystemen en de vervulling van de op grond van deze wet aan die watersystemen toegekende maatschappelijke functies.
11. De rechtbank overweegt verder dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat waterschappen bij het vaststellen van een peilbesluit beschikken over beoordelingsruimte. [3] Dit betekent dat het aan het waterschap is om alle verschillende bij het peilbesluit betrokken belangen te wegen. De rechtbank beoordeelt vervolgens of het waterschap het peilbesluit in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. De rechtbank overweegt dat deze lijn uit de rechtspraak die tot stand is gekomen voor peilbesluiten op grond van de Waterwet, vanwege het gelijkluidende toetsingskader, ook van toepassing is op peilbesluiten die op grond van de Omgevingswet zijn genomen.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid van het beroep
12. De rechtbank overweegt ambtshalve over de ontvankelijkheid van het beroep van eisers het volgende. Eisers hebben tegen het ontwerpbesluit geen zienswijze ingediend. In deze zaak is echter sprake van een omgevingsrechtelijk besluit dat is voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Naar aanleiding van het arrest ‘Varkens in Nood’ [4] wordt het belanghebbenden door de Nederlandse bestuursrechter, in afwijking van artikel 6:13 van Pro de Awb, niet tegengeworpen wanneer zij geen zienswijze tegen het ontwerpbesluit hebben ingediend. [5] Voor niet-belanghebbenden geldt dat zij beroep kunnen instellen wanneer zij een zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren hebben gebracht of wanneer hen niet kan worden verweten dat zij dat hebben nagelaten. [6]
13. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen eisers, vanwege de ligging van hun woning aan ’t Bovenwater, worden aangemerkt als belanghebbenden in deze zaak in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Gelet op de hiervoor beschreven rechtspraak kan eisers niet worden tegengeworpen dat zij geen zienwijze hebben ingediend tegen het ontwerpbesluit. Omdat eisers uitsluitend zelf, en niet namens anderen, beroep hebben ingesteld kunnen zij echter alleen opkomen voor hun eigen belang. In de hierna volgende overwegingen zal de rechtbank de beroepsgronden van eisers gericht tegen het peilbesluit inhoudelijk beoordelen. Daarbij is van belang dat eisers op zitting hebben toegelicht dat hun beroep zich uitsluitend richt tegen het peilbesluit voor zover dat ziet op ’t Bovenwater.
Participatie
14. Eisers voeren aan dat het waterschap omwonenden onvoldoende heeft geïnformeerd over de terinzagelegging van het (ontwerp)besluit. Eisers wijzen erop dat het waterschap het ontwerp(besluit) alleen heeft verspreid onder omwonenden die eerder op een enquête van het waterschap hadden gereageerd. Deze enquête was ongeadresseerd en is daarom maar bij een zeer klein deel van de omwonenden bezorgd. Eisers voeren aan dat het waterschap bovendien de wensen en klachten van omwonenden over het peilbesluit onvoldoende heeft betrokken bij de totstandkoming van het nieuwe peilbesluit. Daarbij is volgens eisers van belang dat uit de door het waterschap verspreidde enquête volgt dat het overgrote deel van de omwonenden wil dat het peil niet wordt gewijzigd.
15. De rechtbank stelt vast het uitvoeren van de enquête geen wettelijk voorgeschreven onderdeel van voorbereiding van een peilbesluit is. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de kennisgeving van het ontwerpbesluit en de bekendmaking van het definitieve besluit via de website overheid.nl op juiste wijze is gebeurd. Het waterschap is niet gehouden om omwonenden op de hoogte te stellen van een (ontwerp)besluit door de fysieke verspreiding daarvan. [7] Het ligt in beginsel op de weg van omwonenden om zelf op de hoogte te blijven van besluitvorming over wijzigingen in hun woon- en leefomgeving.
16. In de stelling van eisers dat het waterschap de klachten en wensen van omwonenden onvoldoende heeft betrokken in zijn besluitvorming, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het waterschap niet in redelijkheid tot dit peilbesluit heeft kunnen komen. Uit de enquête volgt inderdaad dat het overgrote deel van de omwonenden de wens heeft om het bestaande peilbeheer voort te zetten, maar dat is volgens het waterschap precies wat het nieuwe peilbesluit doet. Bovendien moet het waterschap, naast de belangen van omwonenden, ook andere belangen bij zijn beoordeling betrekken zoals gebiedsbeheer en ecologische belangen. Dat eisers het niet eens zijn met het nieuwe peilbesluit betekent niet dat het waterschap onvoldoende heeft gedaan om de belangen van omwonenden in kaart te brengen en bij zijn besluitvorming te betrekken. De beroepsgrond slaagt niet.
De bovengrens van het streefpeil en het beheerpeil
17. Eisers zijn het niet eens met het verhogen van de bovengrens van het peil. Eisers wijzen erop dat het streefpeil ten opzichte van het vigerende peilbesluit met 5 centimeter wordt verhoogd. Dit vinden eisers niet wenselijk omdat zij bij een hoog (grond)waterpeil schade en overlast ondervinden aan hun woning en tuin. Deze overlast ontstaat doordat de woning van eisers rechtstreeks aan het water grenst en de kruipruimte zich gedeeltelijk onder de waterspiegel bevindt, terwijl er tussen de woning en het water geen damwand is geplaatst. Bij hoog water wordt de grond onder de fundering van de woning weggezogen en vallen er gaten. Dit is zorgelijk en kost bovendien veel tijd en geld om te herstellen. Eisers hebben inmiddels de nodige maatregelen getroffen om schade en overlast als gevolg van hoog water te voorkomen. Het proces van het afkalven van de bodem onder de woning is daardoor vertraagd, maar niet volledig weggenomen. Het plaatsen van een damwand, waarmee wateroverlast en schade wel volledig voorkomen kan worden, is nu niet meer mogelijk. Gelet op de door eisers ervaren schade als gevolg van hoog water hebben zij belang bij het handhaven van een lager streefpeil.
18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het waterschap de bovengrens van het streefpeil en het daarbij behorende beheerpeil in redelijkheid vastgesteld. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
19. Uit de toelichting bij het peilbesluit en de toelichting van het waterschap op de zitting volgt dat het nieuwe peilbesluit de feitelijke bestaande situatie voor het streefpeil niet wijzigt. Het waterschap heeft toegelicht dat de streefpeilen zoals die volgen uit het peilbesluit 2006 in de praktijk al niet meer werden gehandhaafd. Vanaf 2013 werd door het waterschap een beleid gevoerd waarbij werd afgeweken van het streefpeil uit het peilbesluit 2006, maar wel binnen de beheermarges werd gebleven. Gelet op de door het waterschap overgelegde gegevens kan de rechtbank deze toelichting volgen. [8] De rechtbank stelt dan ook vast dat de bovengrens van het streefpeil uit het nieuwe peilbesluit niet afwijkt van het streefpeil zoals dat feitelijk al sinds ongeveer 2013 door het waterschap werd gehandhaafd. Dit betekent dat de bovengrens van het nieuwe streefpeil voor eisers niet tot meer wateroverlast zou moeten leiden in vergelijking met de bestaande praktijk. Het nieuwe peilbesluit wijzigt wel de door het waterschap gehanteerde beheermarges ten opzichte van het vigerend peilbesluit. Uit de vergelijking van de beheermarges volgt echter dat de bovengrens van het beheerpeil in het nieuwe peilbesluit 5 centimeter lager komt te liggen ten opzichte van die bovengrens in het vigerende peilbesluit. Gelet op de wens van eisers om een zo laag mogelijk bovenpeil te handhaven, wordt met het verlagen van de bovengrens van de beheermarges aan deze wens tegemoet gekomen.
20. De rechtbank overweegt verder dat het waterschap bij het nemen van een peilbesluit verschillende (conflicterende) belangen moet betrekken. Het waterschap heeft in de toelichting bij het peilbesluit en op de zitting inzichtelijk gemaakt welke belangen hij bij het peilbesluit heeft betrokken. Een van deze belangen is gelegen in het feit dat ’t Bovenwater onder de doelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) valt. Dit betekent dat het waterschap bij het vaststellen van het peil rekening moet houden met de doelstellingen uit de KRW. Daarnaast spelen de belangen van omwonenden, de natuur en recreatie een rol. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de belangen van omwonenden kenbaar betrokken bij de besluitvorming van het waterschap en worden de belangen van omwonenden niet onevenredig geschaad in verhouding tot de met het peilbesluit te bereiken doelen. Daarbij overweegt de rechtbank dat het invoelbaar is dat eisers zich zorgen maken over de vraag of hun woning voldoende bestand is tegen hoog water, maar dat het waterschap dit belang van omwonenden ook bij het peilbesluit heeft betrokken. Een peilbesluit heeft echter primair een gebiedsgericht karakter, zodat het waterschap op basis van alle verschillende belangen in een gebied een juist peil moet vaststellen. Het waterschap kan niet uitsluitend rekening houden met de belangen van eisers en is ook niet verantwoordelijk voor eventuele constructieve tekortkomingen aan de woning van eisers. De beroepsgronden gericht tegen de bovengrens van het streefpeil en beheerpeil slagen niet.
De ondergrens van het streefpeil en het beheerpeil
21. Eisers voeren verder aan dat de ondergrens van het streefpeil van -3,10 onder NAP te laag is. Een dergelijk laag waterpeil vormt een belemmering om op ’t Bovenwater te varen omdat het water dan te ondiep is. Bovendien leidt ondiep water sneller tot opwarming van het water en de ongewenste groei van waterplanten en blauwalg.
22. De rechtbank overweegt dat ook voor de ondergrens van het streefpeil geldt dat het peilbesluit uitsluitend een juridische borging inhoudt van het streefpeil zoals dat al sinds ongeveer 2013 feitelijk door het waterschap wordt gehandhaafd. Over de ondergrens van het streefpeil volgt uit de toelichting bij het peilbesluit en de toelichting op zitting dat het waterschap hier bewust voor een wat lagere ondergrens heeft gekozen. In de zomermaanden laat het waterschap het peil in ’t Bovenwater bewust uitzakken. Dit betekent dat het peil van ’t Bovenwater minder snel wordt aangevuld. Dit komt met name voor in de zomermaanden en is het gevolg van het streven van het waterschap om zo min mogelijk water uit het Markermeer ’t Bovenwater in te laten. Het inlaten van water uit het Markermeer, om daarmee het peil in ’t Bovenwater te verhogen, leidt tot extra gevoeligheid voor blauwalg, omdat het water uit het Markermeer meer voedingsstoffen voor blauwalg bevat. De rechtbank kan deze toelichting volgen en ziet in de afweging van deze belangen door het waterschap geen aanleiding voor het oordeel dat het waterschap niet in redelijkheid dit peilbesluit kon vaststellen. De beroepsgronden gericht tegen de ondergrens van het streefpeil en de beheerpeilen slagen evenmin.
De staat van het peilbeheer
23. Eisers hebben ten slotte nog aangevoerd dat de apparatuur waarmee het waterschap het waterpeil in ’t Bovenwater meet onvoldoende wordt gecontroleerd en gekalibreerd. De peilschalen lopen veel uiteen en het waterschap onderneemt onvoldoende actie om dit te herstellen. Dit leidt tot onzorgvuldigheden in de uitvoering van het peilbesluit.
24. De rechtbank overweegt dat de kwaliteit van en onderhoud aan de meetapparatuur van het waterschap een uitvoeringskwestie is die geen rol speelt bij de vraag of het waterschap in deze zaak in redelijkheid tot dit peilbesluit heeft kunnen komen. Overigens heeft het waterschap op de zitting heeft toegelicht dat bij controle inderdaad is geconstateerd dat een van de meetpunten niet correct functioneerde en dat de bij het meetpunt behorende apparatuur toen is vervangen.

Conclusie

25. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het waterschap het peilbesluit in redelijkheid heeft vastgesteld. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Eisers hebben geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzitter, en mr. A. de Snoo en mr. S.D.P. Kole, leden, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Het waterschap heeft voor de totstandkoming van zijn besluit de uniforme openbare voorbereidingsprocedure gevolgd zoals bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Maximaal toelaatbaar peil
3.Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 16 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3297.
4.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:7.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786, overweging 4.8.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, overweging 4.7.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI7278, ro. 2.2.3.
8.Zie voor de vergelijking van de verschillende streefpeilen ook Afbeelding 1.