ECLI:NL:RBMNE:2026:3746

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
28 juni 2026
Zaaknummer
12220793_MC_EXPL_26-2441
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.S. Koppert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:233 sub a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurachterstand leidt tot betaling, geen ontbinding of ontruiming wegens kwetsbare situatie

De huurder heeft sinds 2011 een woning gehuurd van de Alliantie en heeft een huurachterstand van €1.919,04 tot en met mei 2026. De Alliantie vordert ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming en betaling van de huurachterstand met rente en incassokosten.

De kantonrechter veroordeelt de huurder tot betaling van de huurachterstand, maar wijst de ontbinding en ontruiming af vanwege de kwetsbare situatie van de huurder, die zorg draagt voor een minderjarig kind en inmiddels hulp heeft gezocht en geaccepteerd. De uitkering wordt rechtstreeks aan de verhuurder betaald, waardoor de lopende huur gewaarborgd is.

De incassokosten- en boetebedingen in de algemene voorwaarden zijn ambtshalve vernietigd omdat deze onredelijk bezwarend zijn en afwijken van de wettelijke regeling. Hierdoor worden de gevorderde incassokosten en rente afgewezen. De huurder wordt veroordeeld in de proceskosten van €1.097,02. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Huurachterstand moet worden betaald, maar ontbinding en ontruiming worden afgewezen vanwege kwetsbare situatie; incassokosten en rente worden afgewezen wegens onredelijke bedingen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12220793 \ MC EXPL 26-2441 / 68749
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
STICHTING DE ALLIANTIE,handelend onder de naam
DE ALLIANTIE VESTIGING REGIO GOOI EN VECHTSTREEK,
gevestigd in Hilversum,
eisende partij,
hierna te noemen: de Alliantie,
gemachtigde: Hanemaayer De Boer & Partners,
tegen
[gedaagde],
wonend in [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.Het verloop van de procedure

1.1
De heeft [gedaagde] gedagvaard voor de kantonrechter. [gedaagde] heeft op de dagvaarding gereageerd. De kantonrechter heeft besloten dat de zaak op een zitting verder besproken moet worden. De heeft, vóórdat de zaak met de kantonrechter is besproken, nog nadere stukken opgestuurd.
1.2
De zaak is bij de kantonrechter besproken op . Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling was aan de zijde van [gedaagde] ook dhr. [A] (schuldhulpverlener) aanwezig.

2.Waar het in deze zaak om gaat

2.1
[gedaagde] huurt sinds 15 maart 2011 de woning aan het adres [adres] in [plaats] van de Alliantie. De huur bedraagt (op dit moment) € 639,68 per maand en moet vooruit worden betaald. [gedaagde] heeft een huurachterstand.
2.2
De Alliantie vordert – kort gezegd – ontbinding van de huurovereenkomst tussen de Alliantie en [gedaagde] en ontruiming van de woning. Ook eist zij betaling van de huurachterstand met rente en kosten.
2.3
Volgens [gedaagde] klopt het dat er een huurachterstand is, maar [gedaagde] wil niet dat de huurovereenkomst wordt beëindigd en dat zij de woning moet ontruimen. Zij kon door financiële en andere persoonlijke omstandigheden de huur niet betalen.

3.De beoordeling

De huurachterstand
3.1
De Alliantie noemt in de specificatie een huurachterstand van € 1.919,04 tot en met mei 2026. Volgens [gedaagde] klopt die huurachterstand. De kantonrechter zal [gedaagde] daarom veroordelen om dit bedrag aan de Alliantie te betalen.
Geen ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning
3.2
De omvang van de huurachterstand (drie maanden) is zodanig dat de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning in beginsel toewijsbaar is, maar de kantonrechter ziet aanleiding om hiervan af te wijken. Hieronder wordt dit toegelicht.
3.3
De Alliantie heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat [gedaagde] gebaat kan zijn bij een (voorwaardelijke) ontbinding en ontruiming, omdat dit de druk naar instanties die haar hulp kunnen bieden, opvoert. De kantonrechter oordeelt echter dat een (voorwaardelijke) veroordeling tot ontruiming een te grote druk legt op [gedaagde] . Daarbij weegt de kantonrechter mee dat [gedaagde] de zorg heeft voor een minderjarig kind en dat het gaat om een kwetsbaar gezin. Hoewel [gedaagde] eerder is veroordeeld tot betaling en er in korte tijd weer een betalingsachterstand is ontstaan, oordeelt de kantonrechter dat een (al dan niet voorwaardelijke) veroordeling tot ontruiming op dit moment niet passend is. [gedaagde] heeft sinds het vorige vonnis op meerdere fronten hulp gezocht en geaccepteerd. Bovendien wordt de uitkering die [gedaagde] ontvangt inmiddels rechtstreeks door de uitkeringsinstantie overgeboekt naar de rekening van de Alliantie en is de huur van de maand juni op deze manier betaald. De kantonrechter acht daarmee voldoende gewaarborgd dat de lopende huur betaald zal worden en ook de verdere omstandigheden wekken voldoende vertrouwen dat er een betalingsregeling op gang komt.
3.4
De conclusie is dat de kantonrechter de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning afwijst. [gedaagde] moet er wel rekening mee houden dat de ontbinding van de huurovereenkomst een volgende keer wel kan worden uitgesproken wegens herhaalde wanprestatie als de huurachterstand niet wordt ingelopen en/of in de toekomst weer een huurachterstand ontstaat, ook als de huurachterstand minder dan drie maanden bedraagt.
Ambtshalve toetsing bedingen
3.5
De overeenkomst is gesloten tussen een professionele partij, handelend in de uitoefening van haar beroep of bedrijf (de Alliantie) en een consument ( [gedaagde] ). Een huurder wordt hiervoor gelijk gesteld aan een consument. Op zo’n overeenkomst zijn consument-beschermende bepalingen van toepassing. Sommige consument-beschermende bepalingen worden zo belangrijk gevonden dat de kantonrechter ambtshalve (dat wil zeggen uit zichzelf, ook als de consument daar niet om vraagt) moet beoordelen of die zijn nageleefd. Zo moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of in de huurovereenkomst en/of de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bepalingen (‘bedingen’) staan die relevant zijn voor de beoordeling van de (verschillende onderdelen van de) vordering. Als dergelijke bedingen op zichzelf, of in combinatie met andere relevante bedingen voor consumenten onredelijk bezwarend zijn als bedoeld in artikel 6:233 sub a van Pro het Burgerlijk Wetboek, moet de kantonrechter de betreffende bedingen ambtshalve vernietigen en de daarmee verband houdende onderdelen van de vordering afwijzen. In deze procedure gaat het met name om het beding over incassokosten.
Het incasso- en boetebeding
3.6
De Alliantie vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. In artikel 15 van Pro de toepasselijke algemene voorwaarden is een beding opgenomen over de vergoeding van de (buiten)gerechtelijke incassokosten. Dit beding wijkt in het nadeel van consumenten af van artikel 6:96 lid 5 en Pro 6 BW en het daarop gebaseerde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) en dat mag niet. Consumenten, zoals de gedaagde partij, zijn namelijk slechts de (gemaximeerde) kosten als bedoeld in het Besluit verschuldigd, voor zover is voldaan aan een aantal wettelijke eisen. Eén van die eisen is dat de consument eerst door middel van een aanmaningsbrief de mogelijkheid moet hebben gekregen om binnen een termijn van veertien dagen de vordering alsnog te voldoen zonder bijkomende kosten.
3.7
De gedaagde partij is op grond van artikel 15 van Pro de algemene voorwaarden in principe verplicht om bij niet nakoming van de huurovereenkomst alle in dat verband door de eisende partij gemaakte kosten te voldoen, onbegrensd in omvang en zonder voorafgaande kosteloze aanmaningsbrief. Daarnaast is de bedongen vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van altijd ten minste 15% hoger dan de wettelijke vergoeding. De kantonrechter is van oordeel dat het beding hierdoor zodanig afwijkt van de wettelijke regeling over de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten dat de consument aanzienlijk wordt benadeeld. Daarbij is in artikel 17.1 van de algemene voorwaarden ook nog opgenomen dat bij overtreding van enige bepaling uit de Algemene Huurvoorwaarden, dus ook bij overtreding van de bepaling dat de huur vooruit moet worden betaald, de huurder nog een boete van € 25,- per kalenderdag verschuldigd is. Afgezien van het feit dat in het beding de boetes oneindig kunnen oplopen, levert (de mogelijkheid van) het in rekening brengen van een boete naast buitengerechtelijke incassokosten een onevenredig hoge schadevergoeding op. Het buitengerechtelijke incassokostenbeding is op zichzelf en in combinatie met het boetebeding onredelijk bezwarend en wordt daarom vernietigd.
Het rente- en boetebeding
3.8
Het rentebeding in artikel 7.1 van de algemene voorwaarden is in overeenstemming met de wettelijke regeling in artikel 6:119 BW Pro. Dit beding is daarom op zichzelf niet onredelijke bezwarend. In combinatie met het boetebeding in artikel 17.1 van de algemene voorwaarden is het rentebeding wel onredelijk bezwarend. De mogelijkheid van het in rekening brengen van een boete naast rente levert een onevenredig hoge schadevergoeding op. Het rentebeding wordt daarom vernietigd.
De gevolgen van de ambtshalve toetsing voor de vorderingen
3.9
Omdat sprake is van onredelijk bezwarende bedingen, is volgens Europese rechtspraak terugvallen op de wettelijke regeling niet toegestaan. Dit betekent dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en rente volledig moeten worden afgewezen.
Proceskosten
3.1
[gedaagde] is (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stichting de Alliantie worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,02
- griffierecht
350,00
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.097,02

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan de Alliantie € 1.919,04 aan achterstallige huur tot en met mei 2026,
4.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.097,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.