ECLI:NL:RBMNE:2026:3742

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
28 juni 2026
Zaaknummer
12125252 \ UE VERZ 26-89
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:668a BWArt. 3:33 BWArt. 3:35 BWArt. 7:625 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanwijzing aanzegging arbeidsovereenkomst bepaalde tijd geen opzegging onbepaalde tijd

De zaak betreft de vraag of de aanzegging door de werkgever dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet wordt verlengd, ook kan worden opgevat als een opzegging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De werknemer stelde dat hij door opeenvolgende contracten een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had en dat de aanzegging als opzegging moest worden gezien.

De kantonrechter stelde vast dat de werknemer de aanzegbrief van 26 november 2025 tijdig had ontvangen en dat de werkgever destijds in de veronderstelling was dat het om een contract voor bepaalde tijd ging. De brief en de communicatie van de werkgever boden geen aanknopingspunten dat het ook een opzegging van een contract voor onbepaalde tijd betrof.

De kantonrechter oordeelde dat de aanzegging niet als opzegging kon worden opgevat, waardoor de vergoedingsvorderingen van de werknemer werden afgewezen. Wel werd de werkgever veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over te laat betaald salaris, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten, omdat het salaris over januari en februari 2026 niet tijdig was betaald.

Uitkomst: De aanzegging van het einde van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kon niet als opzegging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd worden opgevat; vergoedingsvorderingen werden afgewezen, maar wettelijke rente, incassokosten en proceskosten werden toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 12125252 \ UE VERZ 26-89 MS/1270
Beschikking van 17 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. H.M. Mauritz,
tegen
[verweerder],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. A.J. Verweij.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift met 14 producties van [verzoeker] , op de griffie binnengekomen op 26 februari 2026, en het verweerschrift met 19 producties van [verweerder] . [verzoeker] heeft de producties 15 tot en met 18 nagezonden en [verweerder] de producties 20 en 21.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. [verzoeker] was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens [verweerder] was aanwezig de heer [A] , HR manager bij [verweerder] , bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. [verzoeker] heeft daarbij zijn verzoek nog gewijzigd. Partijen hebben geantwoord op de door de kantonrechter gestelde vragen en zij hebben op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.
1.3
Hierna is uitspraak bepaald.

2.De kern van de zaak

Het gaat in deze zaak om de vraag of de aanzegging door [verweerder] dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet zal worden verlengd, door [verzoeker] redelijkerwijs ook kon worden opgevat als een opzegging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De kantonrechter oordeelt dat de aanzegging niet zo kon worden opgevat. Het verzoek van [verzoeker] tot betaling van diverse vergoedingen wegens een niet rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt daarom afgewezen. [verweerder] wordt wel veroordeeld tot vergoeding van de wettelijke rente over het te laat betaalde salaris en de door [verzoeker] gemaakte buitengerechtelijke kosten. Zij moet ook de proceskosten betalen.

3.De beoordeling

Inleiding
3.1
[verzoeker] , geboren [geboortedatum] 2004, is sinds 26 januari 2022 bij [verweerder] in dienst. Hij heeft op dit moment de functie van monteur. Zijn loon bedraagt € 2.513,93 bruto per maand.
3.2
[verzoeker] was eerst bij [verweerder] werkzaam als leerling-monteur op basis van een leer/werk overeenkomst (hierna: BBL-overeenkomst). De eerste overeenkomst liep af op 25 september 2022 en is daarna twee keer verlengd. De laatste BBL-overeenkomst liep vanaf 1 februari 2023 en zou van rechtswege eindigen op de dag waarop de beroepspraktijkvormingsovereenkomst zou worden beëindigd, maar uiterlijk op 31 juli 2023.
3.3
[verzoeker] heeft op 27 juni 2023 zijn diploma gehaald en is tot 1 augustus 2023 bij [verweerder] blijven werken. [verweerder] is hierna drie arbeidsovereenkomsten met [verzoeker] aangegaan, namelijk van 1 augustus 2023 tot en met 31 december 2023, van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 en van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025.
3.4
[verweerder] heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat de laatste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gold. Zij heeft met een brief van 26 november 2025 het einde van de arbeidsovereenkomst aangezegd met ingang van 1 januari 2026. Partijen verschillen van mening of [verzoeker] die brief toen heeft ontvangen.
3.5
[verzoeker] heeft zich verzet tegen de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en heeft zich op 15 december 2025 ziekgemeld. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat in de periode van 27 juni 2023 tot 1 augustus 2023 de eerste arbeidsovereenkomst die meetelt voor de zogenoemde ketenregeling [1] tot stand is gekomen en dat er inmiddels een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan.
3.6
[verweerder] heeft dit standpunt van [verzoeker] eerst bestreden, maar heeft een dag na het indienen van het verzoekschrift erkend dat inmiddels sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [verweerder] heeft vervolgens over de maanden januari en februari 2026 nabetalingen gedaan. Zij heeft de Ziektewetuitkering die [verzoeker] over die maanden heeft ontvangen en de uitgekeerde transitievergoeding met het salaris verrekend.
Het verzoek van [verzoeker]
3.7
[verzoeker] verzoekt in deze procedure, met wijziging van zijn verzoek in zijn pleitnota:
bij wijze van voorlopige voorziening:
veroordeling van [verweerder] tot betaling van zijn salaris vanaf 1 januari 2025;
primair:
vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst en veroordeling van [verweerder] tot betaling van zijn salaris vanaf 1 januari 2025:
subsidiair:
veroordeling van [verweerder] tot betaling van een aanzegvergoeding, een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding;
meer subsidiair:
voor het geval de arbeidsovereenkomst op 31 december 2025 is geëindigd: [verweerder] te veroordelen tot betaling van de aanzegvergoeding en de transitievergoeding;
primair, subsidiair en meer subsidiair:
veroordeling van [verweerder] tot betaling van:
a. de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over de verzochte bedragen;
b. de buitengerechtelijke incassokosten;
c. de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.8
[verzoeker] heeft het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening en zijn primaire verzoek op de mondelinge behandeling ingetrokken, omdat [verweerder] zijn salaris inmiddels doorbetaalt. Hij heeft ten aanzien van zijn subsidiaire verzoek tot betaling van de aanzegvergoeding en zijn verzoek tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging aangegeven dat een van deze verzoeken kan vervallen. Hij verzoekt meer subsidiair alleen nog om de aanzegvergoeding. [verzoeker] stelt zich op het standpunt dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst in strijd met artikel 7:671 BW Pro heeft opgezegd en dat zij hierop niet meer eenzijdig kan terugkomen. Hij berust in de opzegging omdat hij voortzetting van de arbeidsovereenkomst door de houding van [verweerder] niet meer ziet zitten. Hij maakt in plaats daarvan aanspraak op de hiervoor genoemde vergoedingen.
Het verweer van [verweerder]
3.9
[verweerder] voert verweer en stelt dat [verzoeker] wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek of dat het verzoek moet worden afgewezen, met veroordeling van [verzoeker] in de kosten van de procedure. [verweerder] voert ‑ samengevat ‑ aan dat zij het salaris van [verzoeker] inmiddels per 1 januari 2026 (met terugwerkende kracht) heeft uitbetaald en dat de aanzegging van 26 november 2025 niet kan worden beschouwd als een opzegging. Zij hoeft daarom geen vergoedingen aan [verzoeker] te betalen.
Er is geen sprake van een opzegging
3.1
Partijen verschillen van mening over de vraag of de brief van [verweerder] van 26 november 2025 met de aanzegging van het einde van de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2026 door [verzoeker] redelijkerwijs ook kon worden opgevat als een opzegging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. In dat geval moet deze brief namelijk op grond van de zogenoemde wilsvertrouwensleer [2] ook als een opzegging worden aangemerkt. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] deze brief redelijkerwijs niet als een opzegging kon opvatten. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
3.11
De kantonrechter zal eerst ingaan op de stelling van [verzoeker] dat hij de brief van 26 november 2025 pas op 7 januari 2026 heeft ontvangen. Dit kan namelijk van belang zijn voor de vraag hoe hij deze brief kon begrijpen. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende komen vast te staan dat [verzoeker] de brief van 26 november 2025 als bijlage bij een een e-mail van dezelfde dag heeft ontvangen. [verweerder] heeft namelijk door middel van een uitdraai uit haar AFAS personeelsregistratiesysteem onderbouwd dat de brief bij e-mail van 26 november 2025 aan [verzoeker] is verzonden. [verzoeker] heeft bovendien tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij een e-mail van [verweerder] heeft ontvangen met de mededeling dat zijn toegang tot de AFAS-app na uitdiensttreding wordt geblokkeerd en dat hij daarom alle relevante documenten vanuit de app moet downloaden. Dit heeft hij voor 1 januari 2026 gedaan. Deze mededeling staat in de brief van 26 november 2025 en dit is dus een aanwijzing dat [verzoeker] deze brief toen heeft ontvangen. Ook het tijdsverloop na de verzending van de e-mail van 26 november 2025 dat [verweerder] heeft geschetst en dat [verzoeker] niet heeft betwist, past hierbij. [verweerder] heeft toegelicht dat [verzoeker] bezwaar heeft gemaakt tegen de aanzegging van het einde van de arbeidsovereenkomst bij zijn leidinggevende. Die heeft dat bezwaar intern doorgeleid naar HR. Nadat HR had beslist, heeft zijn leidinggevende een tweede gesprek met [verzoeker] gevoerd. Daarna heeft hij ongeveer een week doorgewerkt en toen heeft hij zich ziekgemeld. Van die ziekmelding staat vast dat het op 15 december 2025 was. Ook dit is een aanwijzing dat [verzoeker] de aanzegbrief op 26 november 2025 heeft ontvangen.
3.12
Dat er tussen partijen sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is nu weliswaar geen geschilpunt meer, maar was dat wel ten tijde van de aanzegging op 26 november 2025. [verweerder] was er toen van overtuigd dat er sprake was een dienstverband voor bepaalde tijd dat op 1 januari 2026 afliep. Zij heeft dit niet alleen door middel van de brief van 26 november 2025, maar ook mondeling herhaaldelijk aan [verzoeker] meegedeeld. Gelet op dit duidelijke standpunt van [verweerder] kan de aanzegbrief door [verzoeker] niet óók zijn opgevat als een opzegging (zonder zijn instemming of toestemming) van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De brief biedt daarvoor geen aanknopingspunten en ook is niet gebleken dat [verweerder] [verzoeker] mondeling heeft meegedeeld dat hij ook zou worden ontslagen als hij - zoals hij stelde - inderdaad een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou hebben. [verzoeker] heeft er op gewezen dat [verweerder] een eindafrekening heeft opgesteld, een transitievergoeding heeft uitgekeerd en een ziek-uitdienstmelding heeft gedaan bij het UWV, maar dit zijn geen aanwijzingen dat [verweerder] bedoeld heeft de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Deze acties passen namelijk ook bij een einde van de arbeidsovereenkomst van rechtswege. Er was voor [verzoeker] dus geen aanleiding om de brief als een opzegging te beschouwen.
De subsidiaire en meer subsidiaire vordering worden afgewezen
3.13
De arbeidsovereenkomst tussen partijen is dus niet geëindigd door een opzegging door [verweerder] . Er is dus geen opzegging waar [verzoeker] in kan berusten en dat betekent dat de arbeidsovereenkomst nog doorloopt. Omdat de subsidiaire vordering en de meer subsidiaire vordering uitgaan van de veronderstelling dat sprake was van een opzegging en dit niet het geval is, kunnen deze vorderingen niet worden toegewezen.
De wettelijke verhoging wordt gesteld op nihil
3.14
[verzoeker] heeft om toekenning van de wettelijke verhoging [3] over het te laat betaalde salaris verzocht. Vast staat dat [verweerder] het volledige salaris van [verzoeker] van € 2.513,93 bruto over de maanden januari en februari 2026 niet tijdig, althans niet op de gebruikelijke betaaldata, heeft betaald. [verweerder] heeft over die maanden aanvankelijk alleen een Ziektewetuitkering van € 1.792,34 bruto per maand voldaan. Uit de gecorrigeerde loonstroken over deze maanden blijkt dat [verzoeker] over januari 2026 een bedrag van € 681,55 te weinig heeft ontvangen en over februari 2026 een bedrag van € 836,82. Deze bedragen zijn pas in maart 2026 nabetaald. [verzoeker] kan daarom in beginsel aanspraak maken op de wettelijke verhoging over deze bedragen. De kantonrechter ziet echter aanleiding om de verhoging uit oogpunt van billijkheid te matigen tot nihil. De reden hiervoor is dat er bij [verweerder] niet zozeer sprake was van onwil om [verzoeker] te geven waar hij recht op had, maar van onduidelijkheid over de aard van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter vindt het voorstelbaar dat het [verweerder] in eerste instantie niet helder was dat over de periode van 27 juni 2023 tot 1 augustus 2023 al een eerste arbeidsovereenkomst is ontstaan die meetelt voor de ketenregeling. [verweerder] heeft bovendien steeds de betalingen gedaan die zij meende aan [verzoeker] verschuldigd te zijn. Zij heeft in januari 2026 een transitievergoeding van € 2.964,51 uitbetaald en in februari 2026 een Ziektewetuitkering over de maanden januari en februari 2026. Toen het haar duidelijk was dat sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die nog doorliep, heeft zij in maart 2026 met terugwerkende kracht het salaris over de maanden januari en februari 2026 uitbetaald met verrekening van de Ziektewetuitkering. Zij heeft het salaris vanaf maart 2026 doorbetaald met verrekening van de betaalde transitievergoeding. [verweerder] heeft de door haar gemaakte fout dus zo snel mogelijk hersteld. Het verzoek tot betaling van de wettelijke verhoging wordt om deze reden afgewezen.
De wettelijke rente wordt toegewezen
3.15
De kantonrechter ziet wel aanleiding om [verweerder] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het salaris dat zij over de maanden januari en februari 2026 te laat heeft betaald. Het gaat hier om het bedrag van € 681,55 over januari 2026 en het bedrag van € 836,82 over februari 2026. De wettelijke rente over deze bedragen zal worden toegewezen vanaf de opeisbaarheid (per 1 februari 2026 respectievelijk per 1 maart 2026) tot het moment dat deze bedragen zijn nabetaald. Uit het dossier blijkt niet op welke datum dit precies is gebeurd, maar dat is voor partijen eenvoudig zelf na te gaan.
De buitengerechtelijke kosten worden toegewezen
3.16
[verzoeker] heeft om vergoeding van de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten verzocht. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] in redelijkheid buitengerechtelijke kosten heeft moeten maken om ervoor te zorgen dat [verweerder] na 1 januari 2026 zijn loon doorbetaalde. Uitgaande van het te weinig betaalde salaris van in totaal € 1.518,37, vindt de kantonrechter op basis van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten een vergoeding van € 275,58 redelijk. Dit bedrag zal worden toegewezen.
De proceskosten
3.17
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat [verweerder] haar standpunt pas na de indiening van het verzoekschrift heeft gewijzigd. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).
3.18
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
3.19
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, dat wil zeggen dat [verweerder] moet uitvoeren wat daar in staat, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het te laat betaalde salaris over januari 2026 van € 681,55 en het te laat betaalde salaris over februari 2026 van € 836,82, te berekenen vanaf respectievelijk 1 februari 2026 en 1 maart 2026 tot het moment dat deze bedragen zijn nabetaald;
4.2
veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] van de buitengerechtelijke incassokosten van € 275,58;
4.3
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
4.4
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
4.5
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.6
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:668a van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 3:33 en Pro 3:35 BW.
3.Artikel 7:625 BW Pro.