ECLI:NL:RBMNE:2026:3739

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
28 juni 2026
Zaaknummer
11977691 \ UC EXPL 25-9218
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.S. Koppert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:265 BWArt. 3:310 lid 1 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst wegens onrechtmatig gebruik en wijzigingen zonder toestemming

De zaak betreft een geschil tussen een verhuurder en huurders die sinds 2018 een woning huren. De verhuurder vordert ontbinding van de huurovereenkomst omdat de huurders het gehuurde gebruiken voor bedrijfsactiviteiten, zonder toestemming wijzigingen aanbrachten en de huurovereenkomst zelf nodig hebben.

De kantonrechter stelt vast dat de huurders het gehuurde in strijd met de woonbestemming gebruiken door een stepverhuurbedrijf en foodtruck te exploiteren, zonder toestemming van de verhuurder. Ook brachten zij zonder toestemming een schuur en veranda aan en wijzigden zij het schoonmetselwerk, wat niet is toegestaan. Deze tekortkomingen zijn ernstig genoeg om ontbinding te rechtvaardigen.

De huurders moeten de woning binnen drie maanden na betekening ontruimen. Daarnaast worden zij veroordeeld tot betaling van achterstallige kosten, boetes voor de tekortkomingen, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De huurprijs wordt vastgesteld op € 1.225,42 vanaf januari 2025. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de huurders moeten de woning binnen drie maanden ontruimen en diverse kosten en boetes betalen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11977691 \ UC EXPL 25-9218 RvdH/1037
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. C. Schimmel,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,2. [gedaagde sub 2] ,

beiden wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
gemachtigde: mr. M.C. de Jong.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 17,
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 15,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte van [eiser] met producties 18 tot en met 21,
- de akte van [eiser] met producties 22 tot en met 26,
- de akte van [eiser] met productie 27.
1.2
Op 8 mei 2026 vond de mondelinge behandeling plaats. [eiser] is samen met zijn gemachtigde verschenen. De heer [gedaagde sub 1] is verschenen met zijn gemachtigde, die ook optrad voor mevrouw [gedaagde sub 2] . De gemachtigde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] heeft spreekaantekeningen voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.3
De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.

2.De kern van de zaak

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] huren sinds 19 januari 2018 een woning van [eiser] . [1] [eiser] wil de huurovereenkomst beëindigen. In de eerste plaats omdat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] volgens hem een aantal afspraken uit de huurovereenkomst niet nakomen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] exploiteren een bedrijf in en bij het gehuurde. Verder hebben zij zonder toestemming wijzigingen aangebracht aan het gehuurde. In de tweede plaats omdat [eiser] het gehuurde zelf nodig heeft. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] willen in het gehuurde blijven wonen en voeren verweer.

3.De beoordeling

3.1
Het uitgangspunt is dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zich als goede huurders moeten gedragen. Dit betekent dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zich moeten houden aan hun verplichtingen uit de huurovereenkomst, de algemene voorwaarden en de wet. Indien [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] deze verplichtingen niet nakomen (een tekortkoming), kan dit reden zijn om de huurovereenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [2]
De algemene voorwaarden uit 2003 zijn van toepassing
3.2
De kantonrechter stelt eerst vast dat de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte van 30 juli 2003 van toepassing zijn, omdat deze set voorwaarden aan de huurovereenkomst is gehecht en beide partijen die als bijlage van de huurovereenkomst hebben geparafeerd. Onder deze omstandigheden moet ervan worden uitgegaan dat deze Algemene Bepalingen van toepassing zijn en niet de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte van 20 maart 2017, ondanks het feit dat die in artikel 2 van Pro de huurovereenkomst van toepassing zijn verklaard.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen
3.3
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gebruiken het gehuurde in strijd met woonbestemming
3.4
In artikel 1.2 van de huurovereenkomst is bepaald dat het gehuurde uitsluitend is bestemd om te worden gebruikt als woonruimte.
3.5
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] exploiteren in en bij het gehuurde hun bedrijf en dat is in strijd met de contractueel overeengekomen bestemming van het gehuurde. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verhuren onder meer steps, hebben een foodtruck op het terrein staan en organiseren barbecues. Het bedrijf van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is in de loop van de jaren gegroeid. Zij begonnen met het verhuren van steps, waarvan het aantal steeds toenam. Inmiddels verhuren zij ook e-choppers en fatbikes en bieden zij arrangementen met maaltijden bij het gehuurde aan. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben dit niet weersproken en
erkennen dat zij voor hun bedrijfsvoering afhankelijk zijn van (de locatie van) het gehuurde.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben geen toestemming voor het exploiteren van een bedrijf
3.6
De kantonrechter gaat ervan uit dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geen toestemming hebben voor de exploitatie van het bedrijf in de huidige omvang. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn tekortgeschoten in de nakoming van de afspraak dat het gehuurde alleen als woonruimte mag worden gebruikt. Hierbij is het volgende relevant.
3.7
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn de huurovereenkomst aangegaan met de vader van [eiser] , [A] . Het contact met [A] was goed. Op enig moment hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] kennelijk ook een aantal steps in de schuur van [A] gestald. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stonden die steps eerst in hun eigen garage en mochten die in de voormalige stallen van [A] staan toen er te weinig bergruimte in de garage was. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben [A] daarvoor in oktober 2019 bedankt via Whatsapp.
3.8
Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat er (destijds, of eerder) toestemming is gegeven voor de exploitatie van een bedrijf en zeker niet in de huidige omvang. De huurprijs is daar ook niet naar, want die bedroeg bij aanvang € 1.000,00 per maand en is nooit aangepast vanwege het (veranderde) gebruik van het gehuurde.
3.9
Dat [eiser] niet eerder een beroep deed op nakoming van de bestemmingsbepaling, betekent niet dat hij ermee heeft ingestemd dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een bedrijf in deze omvang in en bij het gehuurde exploiteerden. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] mochten uit het uitblijven van actie van [eiser] niet afleiden dat hij toestemming gaf om af te wijken van de afspraken uit de huurovereenkomst.
3.1
Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat partijen er aanvankelijk van uitgingen dat de huurovereenkomst eindig was. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zouden het gehuurde verlaten als [A] en vervolgens de erven het gehuurde zelf nodig hadden. Of en hoe deze afspraak is vastgelegd, kan in het midden blijven omdat het er voor nu om gaat dat [eiser] ervan uitging dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op enig moment zouden vertrekken. Partijen zijn ook een periode in gesprek geweest over de mogelijkheid van verkoop van het gehuurde door [eiser] aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Ook in die periode hield [eiser] rekening met een einde aan de huurovereenkomst.
3.11
[eiser] had naar eigen zeggen al die tijd reden om ‘niets te doen’ en de kantonrechter kan dat volgen. [eiser] heeft toegelicht dat hij pas nadat duidelijk werd dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] het gehuurde niet konden kopen, kennis nam van de huurovereenkomst en daarmee van het feit dat het gehuurde slechts mag worden gebruikt als woning. De kantonrechter acht het van belang dat [eiser] tot dat moment niet heeft stilgezeten: er was – zoals hierover overwogen – wel overleg met [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] over de huurovereenkomst, maar vanuit het perspectief kopen of vertrekken. Pas na het stuklopen van een mogelijke koop is [eiser] [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gaan houden aan hun verplichtingen als huurders, omdat het einde van de huurovereenkomst geen scenario meer was waar [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vrijwillig aan zouden meewerken (door koop van het gehuurde of door het gehuurde te verlaten).
3.12
Naast het stepverhuurbedrijf heeft [gedaagde sub 1] ook een stucadoorsbedrijf. De kantonrechter is van oordeel dat het voeren van dat bedrijf niet in strijd is met de huurovereenkomst. De aard van de activiteiten van een stucadoorsbedrijf maakt dat de feitelijke werkzaamheden in andere panden plaatsvinden en niet in het gehuurde. Dat [gedaagde sub 1] zijn bedrijfsbus (en eventueel zijn materiaal) bij het gehuurde heeft staan en vanuit daar naar zijn opdracht vertrekt, is geen tekortkoming.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben het gehuurde gebruikt voor bedrijfsmatige opslag
3.13
Uit artikel 1.6. van de toepasselijke algemene bepalingen (2003) volgt dat het niet is toegestaan om tot het gehuurde behorende bergruimten en garages en dergelijke, te gebruiken als bedrijfsmatige opslag. En in artikel 8.2 van diezelfde algemene bepalingen is opgenomen dat het niet is toegestaan om zonder toestemming van de verhuurder opstallen te plaatsen, wijzigen of verwijderen.
3.14
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] erkennen dat zij zelf een schuur hebben neergezet, zonder toestemming van [eiser] , en dat zij daarin de materialen voor het stepverhuurbedrijf stallen. Ook hebben zij een opstal in gebruik als veranda waaronder bezoekers kunnen zitten en eten. Dat [eiser] wist van de bouw van de schuur en het gebruik van die schuur en andere opstallen voor het bedrijf, doet daar niet aan af. Zoals onder 3.9 tot en met 3.11 is overwogen, moet het ontbreken van ingrijpen door [eiser] vanwege het verloop van de relatie tussen partijen niet worden opgevat als instemming met of toestemming voor de gedragingen.
3.15
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ook zijn tekortgeschoten in de nakoming van deze afspraak.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben aanpassingen aangebracht zonder toestemming
3.16
In artikel 11 van Pro de huurovereenkomst is bepaald dat het schoonmetselwerk ongemoeid moet blijven en in artikel 3 van Pro de toepasselijke algemene bepalingen (2003) is bepaald dat de huurder toestemming moet krijgen van de verhuurder als hij veranderingen of toevoegingen aan het gehuurde wil aanbrengen.
3.17
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben op de eerste verdieping een extra kamertje gecreëerd in verband met hun groeiende gezin, door een muurtje te plaatsen en een extra deurkozijn. [gedaagde sub 1] heeft de muren van deze kamers gestuct. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben daarnaast een muren met schoonmetselwerk wit geverfd en een aantal daarvan ook gestuct. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] erkennen dat zij voor de laatstgenoemde aanpassingen toestemming hadden moeten vragen, maar voeren ook aan dat de bepaling over het schoonmetselwerk was bedongen voor [A] die de bedoeling had om zelf in het gehuurde te gaan wonen en dat dat niet geldt voor [eiser] .
3.18
De kantonrechter overweegt dat de (al dan niet weggevallen) bedoeling achter de bepaling over het schoonmetselwerk in dit geval niet meeweegt. De huurovereenkomst sluit het aantasten van het schoonmetselwerk in zijn geheel uit; er is op dit punt zelfs geen mogelijkheid voor werkzaamheden met toestemming toegestaan. Voor de andere aanpassingen geldt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] daar toestemming voor hadden moeten vragen, ook als het gehuurde door die werkzaamheden in een betere staat zou komen te verkeren. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn daarom ook op dit punt tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst.
De tekortkomingen rechtvaardigen een ontbinding van de huurovereenkomst
3.19
De kantonrechter oordeelt dat de tekortkomingen samen zo ernstig zijn dat die in de omstandigheden van deze zaak moeten leiden tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning.
3.2
De ontbinding van een huurovereenkomst heeft zeer ingrijpende gevolgen voor [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Dat geldt voor bijna elke huurder die zijn huurwoning kwijtraakt. De kantonrechter begrijpt dat het huisvesten van hun gezin voor [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een grote zorg is, maar de belangen van [eiser] moeten in dit geval het zwaarste wegen.
3.21
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn op meerdere punten tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. [eiser] heeft er belang bij om zelf te kunnen beschikken over de woning om die al dan niet te verhuren aan een huurder die zijn verplichtingen wel nakomt. Onder die omstandigheden kan van [eiser] niet worden gevergd dat hij nog langer wordt gehouden aan de huurovereenkomst.
3.22
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren aan dat het voor hen moeilijk is om een soortgelijke woning te vinden, maar gaan er daarbij van uit dat een vergelijkbare woonruimte beschikt over voldoende ruimte om hun bedrijf daar voort te zetten. De kantonrechter acht dat niet redelijk, nu het exploiteren van het bedrijf in en bij het huidige gehuurde niet is toegestaan. Dat het voor [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onmogelijk is om woonruimte voor hun gezin te vinden, als zij daarbij niet de eis te stellen dat zij daar hun bedrijf kunnen exploiteren, is niet gesteld of gebleken. Naar het zich laat aanzien hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] wel enige financiële middelen om vervangende woonruimte (mogelijk eerst tijdelijk en later vast) te kunnen vinden. Dat er voor hun minderjarige kinderen door de ontbinding van deze huurovereenkomst een acute noodsituatie ontstaat, is daarom niet gesteld of gebleken.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de woning ontruimen
3.23
De ontbinding van de huurovereenkomst leidt ertoe dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] het gehuurde moeten verlaten. De kantonrechter is van oordeel dat de belangen van de inwonende minderjarige kinderen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een langere ontruimingstermijn rechtvaardigen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten het gehuurde drie maanden na betekening van dit vonnis ontruimen.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten nog € 409,00 aan overige kosten aan [eiser] betalen
3.24
[eiser] vordert betaling van diverse bedragen. Vast staat dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de achterstallige huurprijsindexatie ter hoogte van € 6.630,36 (de vordering onder 2) hebben betaald. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben de geïndexeerde huurprijs niet betwist. De kantonrechter zal daarom – conform de vordering van [eiser] – voor recht verklaren dat de huurprijs met ingang van 19 januari 2025 € 1.225,42 bedraagt.
3.25
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben ook een deel van de overige kosten betaald. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben € 702,43 met het totaalbedrag verrekend, omdat zij dit bedrag naar eigen zeggen hebben betaald voor onderhoud aan de boiler. [eiser] heeft niet weersproken dat hij via Whatsapp toestemming heeft gegeven voor het maken van deze kosten en dat die kosten voor zijn rekening komen. Dat de kosten € 702,43 bedragen, kan de kantonrechter echter niet vaststellen omdat de factuur waarnaar [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verwijzen ziet op een bedrag van € 293,43. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] kunnen daarom € 293,43 verrekenen met de overige kosten. Dat betekent dat zij nog € 409,00 aan [eiser] moeten betalen.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten boetes aan [eiser] betalen
3.26
[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn eis verminderd, in die zin dat hij de vordering tot betaling van de boetes heeft beperkt tot een bedrag van € 50.000,00.
[eiser] vordert betaling van boetes op grond van artikel 20.6 van de algemene bepalingen (2003) en uit dat artikel volgt dat de huurder een boete van € 25,00 per dag verschuldigd is voor elke verplichting uit de huurovereenkomst en algemene bepalingen die hij niet nakomt of overtreedt. [eiser] vordert boetes voor de drie eerdergenoemde tekortkomingen:
  • gebruik in strijd met de woonbestemming sinds 18 maart 2019,
  • zonder toestemming plaatsen van opstallen sinds 15 juni 2020,
  • het aanbrengen van wijzigingen zonder toestemming sinds 24 april 2025.
3.27
[eiser] heeft [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voor het eerst aangemaand tot betaling van de boetes op 29 november 2024. [3] [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen dat de boetes voor het gebruik in strijd met de woonbestemming en het zonder toestemming plaatsen van opstallen zijn verjaard.
3.28
De verjaringstermijn voor vorderingen tot betaling van een bedongen boete is volgens artikel 3:310 lid 1 BW Pro vijf jaar en gaat in op de dag volgende op die waarop de rechthebbende op de boete met de opeisbaarheid van de boete en de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden.
3.29
Dat betekent in dit geval dat de verjaringstermijn voor de boete voor de eerstgenoemde tekortkoming is ingegaan op 18 maart 2019. [eiser] stelt namelijk zelf dat dit de ingangsdatum van de genoemde omstandigheden was. De boete voor het gebruik in strijd met de woonbestemming is dus verjaard.
3.3
De boete voor het zonder toestemming plaatsen van opstallen is niet verjaard. De kantonrechter ziet echter aanleiding deze boete te matigen door uit te gaan van een latere ingangsdatum. [eiser] nam naar eigen zeggen pas kennis van de inhoud van de huurovereenkomst toen duidelijk werd dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de woning niet konden kopen en onder die omstandigheid acht de kantonrechter het niet redelijk dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ook boetes moeten betalen over de periode daarvoor. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] op het moment van het (laten) verzenden van de aanmaningsbrief van 29 november 2024 op de hoogte moet zijn geweest van de huurovereenkomst en zal daarom de gevorderde boete voor het zonder toestemming plaatsen van opstallen voor de periode vanaf 30 november 2024 tot de dagvaarding toewijzen tot een bedrag van € 8.625,00 (te weten 345 * € 25,00).
3.31
De boete voor het aanbrengen van wijzigingen zonder toestemming is niet verjaard wordt toegewezen tot het bedrag van € 5.000,00. [4] Dat er volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geen sprake van schade is en dat [eiser] – weer volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] – zou zijn verrijkt door de wijzigingen, doet aan de verschuldigdheid van de boete in dit geval niet af. [eiser] heeft immers onweersproken aangevoerd dat het schoonmetselwerk is beschadigd en dat het onherstelbaar is.
3.32
De boetes voor beide tekortkomingen worden ook gematigd in die zin dat na de datum van de dagvaarding geen boetes meer verschuldigd zijn.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.33
[eiser] vordert betalen van de buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat de eisende partij voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Omdat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de vordering van [eiser] pas ná de dagvaarding hebben betaald, worden de buitengerechtelijke incassokosten berekend over de totale vordering. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten (€ 775,99) komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de proceskosten betalen
3.34
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,07
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.884,07
3.35
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad
3.36
Het uitgangspunt is dat de beslissing uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, zoals gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben verzocht de beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, omdat zij in hoger beroep willen. Deze omstandigheid is niet zo bijzonder dat van het uitgangspunt moet worden afgeweken. Daarbij komt dat de persoonlijke omstandigheden (waaronder de gezinssituatie) van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] al zijn meegewogen bij de beslissing over de ontruimingstermijn.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst voor de woning aan het adres [adres] in [woonplaats] per vandaag,
4.2
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om de woning binnen drie maanden na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige personen en zaken, voor zover die aan hen toebehoren en niet aan [eiser] , en om deze woning met afgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van [eiser] te stellen,
4.3
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen € 409,00 (aan overige kosten) met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf 3 oktober 2025 tot de voldoening,
4.4
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen € 775,99 (aan buitengerechtelijke incassokosten),
4.5
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen € 13.625,00 (aan boetes),
4.6
verklaart voor recht dat de huurprijs met ingang van 19 januari 2025 € 1.225,42 bedraagt,
4.7
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.884,07, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.8
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.9
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.1 tot en met 4.5, 4.7 en 4.8 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
4.1
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.

Voetnoten

1.[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gingen de huurovereenkomst aan met de vader van [eiser] . Na diens overlijden huurden [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van zijn erfgenamen en uiteindelijk van [eiser] zelf.
2.Dit volgt uit artikel 6:265 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
3.Productie 3 bij de dagvaarding.
4.Over de periode vanaf 24 april 2025 tot de dagvaarding (200 * € 25,00).