Uitspraak
[verweerder sub 2] ,
3.
DEBORA [verweerster sub 3] ,
4.
[verweerster sub 4] B.V.,
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een oproepkracht die sinds 19 januari 2024 bij een vennootschap onder firma werkzaam was met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, verlengd tot 19 januari 2026. De kern van het geschil is of door opeenvolgende verlengingen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan en of er recht bestaat op achterstallig salaris.
De kantonrechter oordeelt dat de arbeidsovereenkomst per 19 januari 2026 van rechtswege is geëindigd, omdat de ketenbepaling uit artikel 7:668a BW niet is overschreden. De werkgever heeft onvoldoende bewijs geleverd voor een overgang van onderneming naar een B.V., maar deze werd toch betrokken in de beoordeling.
Verder is vastgesteld dat de werkgever structureel minder uren heeft uitbetaald dan waarop de werknemer aanspraak maakte, mede omdat gecorrigeerde roosters niet zijn overlegd. De werkgever heeft ook nagelaten een aanbod te doen voor een vaste arbeidsomvang, zoals vereist bij oproepovereenkomsten van twaalf maanden, waardoor de werknemer recht heeft op loon over de gemiddelde arbeidsomvang.
De kantonrechter veroordeelt de werkgever tot betaling van €5.800,17 bruto aan achterstallig salaris over 2024 en 2025, een gematigde wettelijke verhoging van 10%, wettelijke rente, en buitengerechtelijke incassokosten. Tevens moet de werkgever loonstroken en specificaties verstrekken en de proceskosten betalen.
Uitkomst: Arbeidsovereenkomst eindigde per 19 januari 2026; werkgever veroordeeld tot betaling van achterstallig salaris, wettelijke verhoging, rente, incassokosten en proceskosten.