ECLI:NL:RBMNE:2026:3738

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
28 juni 2026
Zaaknummer
12129131 \ ME VERZ 26-36
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:628a BWArt. 7:663 BWArt. 7:668a BWArt. 7:625 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ketenbepaling en achterstallig salaris bij oproepovereenkomst in bakkerijsector

De zaak betreft een oproepkracht die sinds 19 januari 2024 bij een vennootschap onder firma werkzaam was met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, verlengd tot 19 januari 2026. De kern van het geschil is of door opeenvolgende verlengingen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan en of er recht bestaat op achterstallig salaris.

De kantonrechter oordeelt dat de arbeidsovereenkomst per 19 januari 2026 van rechtswege is geëindigd, omdat de ketenbepaling uit artikel 7:668a BW niet is overschreden. De werkgever heeft onvoldoende bewijs geleverd voor een overgang van onderneming naar een B.V., maar deze werd toch betrokken in de beoordeling.

Verder is vastgesteld dat de werkgever structureel minder uren heeft uitbetaald dan waarop de werknemer aanspraak maakte, mede omdat gecorrigeerde roosters niet zijn overlegd. De werkgever heeft ook nagelaten een aanbod te doen voor een vaste arbeidsomvang, zoals vereist bij oproepovereenkomsten van twaalf maanden, waardoor de werknemer recht heeft op loon over de gemiddelde arbeidsomvang.

De kantonrechter veroordeelt de werkgever tot betaling van €5.800,17 bruto aan achterstallig salaris over 2024 en 2025, een gematigde wettelijke verhoging van 10%, wettelijke rente, en buitengerechtelijke incassokosten. Tevens moet de werkgever loonstroken en specificaties verstrekken en de proceskosten betalen.

Uitkomst: Arbeidsovereenkomst eindigde per 19 januari 2026; werkgever veroordeeld tot betaling van achterstallig salaris, wettelijke verhoging, rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer / rekestnummer: 12129131 \ ME VERZ 26-36
Beschikking van 17 juni 2026
in de zaak van
[verzoekster],
wonend in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
gemachtigde: mr. M.J.M. Groen, advocaat in Almere,
tegen
1. de vennootschap onder firma
V.O.F. [verweerster sub 3] ,
tevens handelend onder de naam [handelsnaam] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
vertegenwoordigd door de verwerende partijen onder 2 en 3,
2.
[verweerder sub 2] ,
vennoot van de verwerende partij onder 1,
wonend in [woonplaats] ,
verwerende partij,
procederend in persoon,
3.
DEBORA [verweerster sub 3] ,
vennoot van de verwerende partij onder 1,
wonend in [woonplaats] ,
verwerende partij,
procederend in persoon,
4.
[verweerster sub 4] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
gemachtigde: mr. J. Bos, advocaat te Amsterdam.
Partijen zullen hierna afzonderlijk [verzoekster] , de vof, [verweerder sub 2] , [verweerster sub 3] en [verweerster sub 4] genoemd worden. De vof, [verweerder sub 2] , [verweerster sub 3] en [verweerster sub 4] zullen hierna gezamenlijk (in vrouwelijk enkelvoud) de [verweerster] genoemd worden.

1.De procedure

1.1
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
- het verzoekschrift van [verzoekster] met 19 producties;
- het verweerschrift van [verweerster sub 4] met 7 producties;
- de aanvullende producties 20 tot en met 26 van [verzoekster] .
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. [verzoekster] is verschenen, in aanwezigheid van haar echtgenoot, en bijgestaan door
mr. Groen. Verder zijn [verweerder sub 2] , [verweerster sub 3] en mr. Bos verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat besproken is met partijen. Mr. Groen en [verweerster sub 3] hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen. Mr. Bos heeft nog twee aanvullende producties overgelegd.
1.3
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.Waar gaat deze zaak over?

2.1
[verzoekster] is op 19 januari 2024 als oproepkracht in dienst getreden bij de vof als [functie] voor zeven maanden. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor het Bakkersbedrijf van toepassing verklaard. De arbeidsovereenkomst is verschillende keren verlengd. In discussie is of er in de loop van de tijd een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Verder is in geschil of [verzoekster] nog recht heeft op achterstallig salaris. [verweerster sub 4] stelt dat zij de rechtsopvolgster is van de vof.

3.Wat beslist de kantonrechter?

3.1
De kantonrechter volgt het standpunt van de [verweerster] en oordeelt dat de arbeidsovereenkomst per 19 januari 2026 van rechtswege is geëindigd. De kantonrechter veroordeelt de [verweerster] hoofdelijk tot betaling aan [verzoekster] van achterstallig salaris, de wettelijke verhoging, wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. Ook wordt zij hoofdelijk veroordeeld om specificaties aan [verzoekster] te verstrekken en om de proceskosten te betalen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[verweerster sub 4]
3.2
[verzoekster] heeft de arbeidsovereenkomst gesloten met de vof. [verweerder sub 2] en [verweerster sub 3] zijn als vennoten hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van de verbintenissen van de vennootschap. Door de [verweerster] wordt gesteld dat er in de tweede helft van 2025 een overgang van onderneming heeft plaatsgevonden en dat de vof haar onderneming heeft overgedragen aan [verweerster sub 4] . Omdat aan die stelling weinig handen en voeten is gegeven kan de juistheid ervan niet worden vastgesteld. De kantonrechter zal [verweerster sub 4] echter wel als werkgeefster meenemen in haar beoordeling, gelet op haar verzoek daartoe, voor het geval inderdaad sprake is geweest van een overgang van onderneming en zal daarom, zoals hierna zal volgen, worden veroordeeld in de verzoeken die toewijsbaar zijn. Op grond van artikel 7:663, tweede volzin, Burgerlijk Wetboek (BW) is de vof overigens nog gedurende een jaar na de eventuele overgang naast [verweerster sub 4] hoofdelijk verbonden voor de nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, die zijn ontstaan vóór de eventuele overgang.
De arbeidsovereenkomst is per 19 januari 2026 is geëindigd
3.3
In artikel 7:668a lid 1 BW is een ketenregeling opgenomen die van toepassing is op arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Die houdt onder andere in dat wanneer tussen dezelfde partijen meer dan drie voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd, met tussenpozen van ten hoogste zes maanden, de laatste arbeidsovereenkomst geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd.
3.4
Vaststaat dat de eerste arbeidsovereenkomst tussen [verzoekster] en de vof zeven maanden duurde, van 19 januari 2024 tot 19 augustus 2024. Daarna is deze schriftelijk verlengd met zeven maanden tot 19 maart 2025. Over de gang van zaken daarna zijn partijen het oneens. Volgens [verzoekster] is de arbeidsovereenkomst na
19 maart 2025 stilzwijgend verlengd en zijn partijen in mei 2025 schriftelijk een verlenging tot 19 januari 2026 overeengekomen. Gelet op de ketenbepaling van 7:668a lid 1 BW is met die laatste verlenging een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan, aldus [verzoekster] . Volgens de [verweerster] is de arbeidsovereenkomst na 19 maart 2025 met tien maanden schriftelijk verlengd tot 19 januari 2026 en is de arbeidsovereenkomst per laatstgenoemde datum van rechtswege geëindigd.
3.5
Beide partijen verwijzen naar hetzelfde schriftelijk en door beide partijen ondertekende stuk waarin staat dat de arbeidsovereenkomst is verlengd en eindigt op 18 januari 2026 om 00.00 uur (productie 4 bij het verzoekschrift). Het stuk is niet gedateerd. De [verweerster] heeft gewezen op een printscreen waaruit volgens haar volgt dat [verweerster sub 3] het ondertekende stuk op 25 februari 2025 heeft geüpload in haar administratiesysteem. [verzoekster] betoogt dat uit de printscreen niet blijkt welk stuk er is geüpload en dat het eenvoudig is om de uploaddatum aan te passen. De kantonrechter heeft evenwel geen reden om te twijfelen aan de stelling van de vof dat de printscreen betrekking heeft op de betreffende verlenging. De [verweerster] heeft uiteengezet dat bewust is gekozen voor een verlenging van tien maanden na de eerdere twee arbeidsovereenkomsten van steeds zeven maanden, zodat zij zou uitkomen op een totale arbeidsduur van twee jaar. Dat de verlenging is overeengekomen voordat de arbeidsovereenkomst per 19 maart 2025 eindigde, past verder bij de omstandigheden dat de eerdere verlenging ook tijdig is overeengekomen (namelijk al op 24 juli 2024) en dat tijdig (bij brief van 10 december 2025) is aangezegd dat de arbeidsovereenkomst op 18 januari 2026 zou eindigen. Voor het standpunt van [verzoekster] dat de verlenging in mei 2025 is overeengekomen en het (impliciete) standpunt dat de aangehaalde uploaddatum is geantidateerd zijn geen aanwijzingen. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat de arbeidsovereenkomst vanaf 19 maart 2025 is verlengd tot 19 januari 2026 en per laatstgenoemde datum van rechtswege is geëindigd.
3.6
Het voorgaande maakt dat de door [verzoekster] verzochte verklaring voor recht dat het dienstverband nog doorloopt en dat deze voor onbepaalde tijd heeft te gelden wordt afgewezen. Datzelfde geldt voor het verzoek om de opzegging/aanzegging per 19 januari 2026 te vernietigen of nietig te verklaren.
[verzoekster] heeft nog recht op achterstallig salaris
3.7
Volgens [verzoekster] heeft de [verweerster] structureel minder uren uitbetaald dan waarvoor zij ingeroosterd stond of waarvoor zij ingeroosterd had moeten worden. Volgens de [verweerster] zijn inmiddels, na een in maart 2026 verrichte nabetaling van € 635,64 bruto, alle gewerkte uren betaald.
3.8
[verzoekster] stelt dat de [verweerster] over de periode tot 13 juli 2025 – de datum waarop [verzoekster] is uitgevallen wegens ziekte – structureel minder uren heeft uitbetaald dan waarvoor zij ingeroosterd stond. De [verweerster] voert aan dat [verzoekster] geen rekening heeft gehouden met correcties die op de roosters zijn doorgevoerd. De kantonrechter is van oordeel dat het op de weg van de [verweerster] had gelegen om de gecorrigeerde roosters te overleggen. Dit heeft zij niet gedaan. Bovendien is tijdens de mondelinge behandeling van twee voorbeelden (met betrekking tot 18 juli 2024 en 23 juli 2024) gebleken dat de werktijden van [verzoekster] op verzoek van de vof zijn gecorrigeerd (verruimd), maar dat de vof die correcties niet in haar administratie heeft doorgevoerd. Bij gebreke van een voldoende gemotiveerde weerlegging door de [verweerster] gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de door [verzoekster] gestelde roosteruren.
3.9
Bij het gevorderde salaris over de periode vanaf 13 juli 2025 speelt het volgende een rol. Vaststaat dat er sprake is van een oproepovereenkomst als bedoeld in artikel 7:628a lid 9 BW. Uit artikel 7:628a lid 5 BW volgt dat de werkgever, indien sprake is van een oproepovereenkomst die twaalf maanden heeft geduurd steeds binnen een maand nadien, schriftelijk of elektronisch een aanbod moet doen voor een vaste arbeidsomvang. Deze vaste uren omvang is ten minste gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid in die voorafgaande periode van 12 maanden. Gedurende de periode waarin de werkgever deze verplichting niet is nagekomen (dus geen aanbod heeft gedaan voor een vaste uren omvang) heeft de werknemer op grond van artikel 7:628a lid 8 BW recht op loon overeenkomstig de gemiddelde omvang van de arbeid in de voorafgaande periode van 12 maanden.
3.1
De [verweerster] heeft aan [verzoekster] geen aanbod voor een vaste arbeidsomvang gedaan. [verzoekster] maakt vanaf 13 juli 2025 aanspraak op het loon over het aantal uren dat volgens [verzoekster] aan haar had moeten worden aangeboden conform artikel 7:628a lid 5 BW. Volgens de [verweerster] klopt de door [verzoekster] gestelde gemiddelde omvang van 107 uren per vier weken over de periode van 19 januari 2024 tot 19 januari 2025 niet. Onder verwijzing naar de vorige rechtsoverweging oordeelt de kantonrechter dat de [verweerster] haar verweer onvoldoende heeft onderbouwd. Bij gebreke van een voldoende gemotiveerde weerlegging door de [verweerster] gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de door [verzoekster] gestelde gemiddelde omvang van 107 uren per vier weken over de periode van 19 januari 2024 tot 19 januari 2025.
3.11
Gelet op het voorgaande zal het door [verzoekster] gestelde verschuldigde loon van € 5.800,17 bruto over 2024 en 2025 worden toegewezen (het in het verzoekschrift genoemde bedrag van € 6.435,81 bruto minus de tijdens de mondelinge behandeling gedane vermindering van € 635,64 bruto vanwege de door [verzoekster] ontvangen nabetaling).
3.12
[verzoekster] verzoekt verder de [verweerster] te veroordelen tot betaling van salaris van € 1.850,04 bruto per periode vanaf periode 1 van 2026 tot het einde van het dienstverband, onder aftrek van het al door haar ontvangen bedrag van € 974,71 netto ter zake van de eerste periode van 2026. Nu niet gesteld of gebleken is dat [verzoekster] over de periode van 1 januari 2026 tot 19 januari 2026 recht heeft op meer salaris dan het bedrag dat al is betaald, wordt dit verzoek afgewezen.
De [verweerster] moet een wettelijke verhoging en wettelijke rente betalen
3.13
Op grond van artikel 7:625 lid 1 BW Pro heeft [verzoekster] recht op de wettelijke verhoging van maximaal 50% vanwege het niet tijdig betalen van het loon. De kantonrechter ziet aanleiding om deze vergoeding in het onderhavige geval te matigen tot 10%. [verzoekster] is pas in november 2025 over de onjuistheden in de verloning begonnen en heeft op uitnodigingen om de uren te bespreken niet gereageerd.
3.14
Bij de tenuitvoerlegging van dit vonnis moet rekening worden gehouden met het door de [verweerster] in maart 2026 betaalde bedrag van € 317,82 aan wettelijke verhoging.
3.15
De verzochte wettelijke rente over het loon en over de wettelijke verhoging is toewijsbaar.
De [verweerster] moet een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.16
[verzoekster] maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Het verzoek moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Uit het dossier blijkt dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief van € 696,79.
De [verweerster] moet specificaties aan [verzoekster] verstrekken
3.17
De [verweerster] moet de door [verzoekster] verlangde specificaties verstrekken zoals hierna onder ‘De beslissing’ staat vermeld. De gevraagde dwangsom wordt niet toegewezen omdat de kantonrechter ervan uitgaat dat de [verweerster] die veroordeling vrijwillig zal nakomen.
Verzoek aansluiting bedrijfspensioenfonds wordt afgewezen
3.18
[verzoekster] verzoekt de [verweerster] hoofdelijk te veroordelen om zorg te dragen voor een bewijs van aansluiting van [verzoekster] bij het bedrijfstakpensioenfonds vanaf 19 januari 2026. Dit verzoek wordt afgewezen nu hiervoor is vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst per die datum is geëindigd.
De [verweerster] moet de proceskosten betalen
3.19
Hoewel een deel van de verzoeken wordt afgewezen is [verzoekster] wel terecht een procedure gestart. Gebleken is immers dat zij een (zij het kleinere dan gesteld) loonvordering op de [verweerster] heeft, die zonder gerechtelijke procedure niet werd betaald. De [verweerster] moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
veroordeelt de [verweerster] hoofdelijk in die zin, dat wanneer de een betaalt de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, om aan [verzoekster] tegen bewijs van kwijting te betalen:
€ 5.800,17 aan salaris over 2024 en 2025;
de wettelijke verhoging over het bedrag onder a) met een maximum van 10%, minus het al betaalde bedrag aan wettelijke verhoging van € 317,82;
de wettelijke rente over de bedragen onder a) en b) steeds vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van de volledige betaling;
€ 696,79 aan buitengerechtelijke kosten;
4.2
veroordeelt de [verweerster] hoofdelijk in die zin dat indien de één aan deze veroordeling voldoet de ander is bevrijd, om aan [verzoekster] ter beschikking te stellen de loonstrook van periode 1 van 2024, de loonstrook van periode 1 van 2026 tot het einde van het dienstverband (19 januari 2026) alsmede een specificatie die samenhangt met de onder 4.1. genoemde bedragen;
4.3
veroordeelt de [verweerster] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [verzoekster] , tot de uitspraak van deze beschikking begroot op € 1.102,00;
4.4
verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.5
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
13702