ECLI:NL:RBMNE:2026:3731

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
28 juni 2026
Zaaknummer
12001501 \ UC EXPL 25-9836
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 238 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsovereenkomst van €15.000 bovenop koopprijs woning bevestigd, €5.000 restant verschuldigd

Eiser heeft een woning verkocht aan gedaagden, waarbij naast de koopsom een contante betaling van €15.000 was afgesproken. Gedaagden hebben slechts €10.000 betaald en betwisten het bestaan van de afspraak. De kantonrechter oordeelt op basis van WhatsApp-berichten en gedragingen dat de afspraak wel degelijk bestaat en dat gedaagden het resterende bedrag van €5.000 moeten voldoen.

Gedaagden stelden dat een deel van de betaling een vergoeding was voor uitleg over installaties en dat een bedrag onder bedreiging was betaald, maar deze stellingen werden niet geloofd. De tegenvordering tot terugbetaling van €4.000 wordt afgewezen. Eiser vorderde ook €300 voor niet teruggegeven spullen, maar kon dit niet concreet onderbouwen, waardoor deze vordering werd afgewezen.

Daarnaast veroordeelde de kantonrechter gedaagden tot betaling van wettelijke rente vanaf 10 februari 2024, buitengerechtelijke incassokosten van €625 en proceskosten van €598. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en hoofdelijk tegen gedaagden uitgesproken.

Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van het openstaande bedrag van €5.000 met rente, incassokosten en proceskosten; tegenvordering en schadevergoeding worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12001501 \ UC EXPL 25-9836
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,2. [gedaagde sub 2] ,

te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden c.s] ,
gemachtigde: Stichting Achmea Rechtsbijstand.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie,
- de mondelinge behandeling van 19 mei 2026 waar door de griffier aantekeningen van zijn gemaakt.
1.2
Ten slotte is bepaald dat vandaag vonnis wordt uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1
[gedaagden c.s] hebben op 15 augustus 2019 de woning van [eiser] gekocht. Volgens [eiser] zou naast de koopsom € 15.000,- contant aan hem betaald worden. Hiervan is maar € 10.000,- betaald. Daarom vordert [eiser] betaling van € 5.000,-. Ook wil hij een vergoeding van € 300,- voor uitgeleende, niet teruggegeven, spullen. [gedaagden c.s] betwisten het bestaan van deze afspraak. Weliswaar hebben zij € 10.000,- betaald, maar dat was voor uitleg over de installaties in en rondom de woning (€ 6.000,-). € 4.000,- is onder bedreiging betaald. [gedaagden c.s] vorderen deze € 4.000,- daarom terug. [eiser] krijgt gelijk omdat vast is komen te staan dat de betaalafspraak bestaat. [gedaagden c.s] moeten dus nog € 5.000,- betalen. De vordering tot betaling van € 300,- wordt afgewezen.

3.De beoordeling in conventie en in reconventie

3.1
Omdat de vorderingen van [eiser] (in conventie) en de vordering van [gedaagden c.s] (in reconventie) nauw verband met elkaar houden, zullen deze samen worden besproken.
De afspraak om nog € 15.000,- te betalen staat vast
3.2
De vordering van [eiser] van € 5.000,- is gebaseerd op de afspraak dat er, naast de koopsom, contant € 15.000,- aan hem zou worden betaald. [gedaagden c.s] hebben dit weliswaar weersproken, maar dit naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gemotiveerd. Hiervoor is allereerst de volgende Whatsappcorrespondentie van begin november 2019 tussen [eiser] en [gedaagden c.s] van belang;
[eiser] : “Hoi [gedaagde sub 2] , jas vergeten, neem hem maandag mee inclusief enveloppe.”
En
[eiser] : “Welke dag spreken we dan wel af voor de overdracht € 15.000,00 die bij de aankoop van jullie huis nu, minus kosten nu acceptabel…. plus waterkoker en pan?”
[eiser] : “Hoi [gedaagde sub 2] , goedemorgen, kan ik vandaag dan langskomen, heb mijn jas zowieso nodig, graag je reactie”
[gedaagden c.s] : “Nee vandaag kunnen we niet. Sorry Dinsdag is mogelijk”
3.3
Hieruit volgt dat [eiser] een afspraak probeert te maken voor -onder andere- “de overdracht van € 15.000,00” en de ontvangst van een “enveloppe”. Dit duidt erop dat er tussen [eiser] en [gedaagden c.s] inderdaad een afspraak is gemaakt om € 15.000,- in een enveloppe aan [eiser] te geven. Dat dit inderdaad is afgesproken wordt versterkt door het feit dat [gedaagden c.s] in het WhatsApp-gesprek niet weerspreken dat € 15.000,- aan [eiser] betaald zal worden. Op de zitting is door [gedaagden c.s] gezegd dat dit wel is gebeurd, maar dan telefonisch. Daarnaar gevraagd konden [gedaagden c.s] niets vertellen over de inhoud van dit telefonisch contact, zodat de kantonrechter hieraan geen waarde hecht.
3.4
Hier komt bij dat [gedaagden c.s] kort na de overdracht van de woning een enveloppe met € 6.000,- aan [eiser] hebben gegeven. Volgens [gedaagden c.s] was dit een betaling voor de uitleg over alle installaties in en rondom de woning (zoals het Sonos-systeem, het zwembad, de vijver etc.), maar dit vindt de kantonrechter ongeloofwaardig.
3.5
Daarvoor is van belang dat partijen door bemiddeling van een derde op enig moment op een bedrag van € 13.000,- zijn uitgekomen. Dit bedrag zou volgens [eiser] tot stand zijn gekomen omdat hij € 2.000,- korting zou hebben gegeven. Hij wilde zijn geld namelijk snel hebben en er waren een paar zaken in de woning (waaronder verstopping van het bad) niet in orde. Dat een betaling van € 13.000,- overeen is gekomen, volgt uit een WhatsApp-gesprek waarin [gedaagden c.s] het volgende aan de derde laat weten:
“Hallo [A] , zou jij nog 1x [eiser] kunnen contacteren en bevestigen.
1.
Even verklaren dat hij akkoord is met 13.000 en stopt met mensen lastig vallen
2.
Ik betaal hem € 7.000 (totaal 13.000)
3.
Hij moet zijn bankrekeningnummer aan mij sturen
Ik betaal hem binnen 2 dagen nadat hij bevestigd heeft”
Hierop wordt door [eiser] gereageerd met – voor zover relevant – het volgende:
“Hierbij verklaar ik dat ik akkoord ga met € 13.000,- waarvan, resteert dus € 7.000,- die U beloofd heeft binnen 2 dagen te betalen.”
3.6
Hoewel deze afspraak uiteindelijk niet is nagekomen ( [gedaagden c.s] hebben maar € 4.000,- betaald), passen deze berichten niet bij de stelling van [gedaagden c.s] dat de betaling van € 6.000,- is gedaan als tegenprestatie voor de uitleg over de installaties. Deze berichten wijzen er juist veel meer op dat de betaling van € 7.000,- onderdeel was van een totaalafspraak, waarbij € 13.000,- aan [eiser] zou worden betaald en waarvan al € 6.000,- was betaald (want € 6.000,- + € 7.000,- is € 13.000,-).
3.7
De conclusie is daarom dat vast is komen te staan dat is afgesproken dat [gedaagden c.s] , naast de koopsom, € 15.000, aan [eiser] zouden betalen.
[gedaagden c.s] moeten het openstaande bedrag (€ 5.000,-) betalen
3.8
Vast staat ook dat [gedaagden c.s] € 10.000,- van de overeengekomen € 15.000,- hebben betaald. Dit betekent dat er nog een bedrag van € 5.000,- openstaat.
3.9
Volgens [gedaagden c.s] hoeft maar € 4.000,- betaald te worden. Want [eiser] heeft op 21 februari 2025 voorgesteld de zaak te schikken tegen een korting van € 1000,-. Maar op dit voorstel zijn [gedaagden c.s] niet ingegaan en het voorstel is vervallen. Daarom kan [gedaagden c.s] hier geen beroep meer op doen. Dat geldt ook voor de onder rechtsoverweging 3.5 genoemde afspraak, waarbij € 2.000,- korting zou zijn gegeven. Onderdeel van die afspraak was namelijk dat het bedrag van € 7.000,- binnen twee dagen zou worden betaald, wat niet is gebeurd. Dit betekent dat [gedaagden c.s] nog een bedrag van € 5.000,- aan [eiser] moeten betalen.
De tegenvordering wordt afgewezen
3.1
Het voorgaande betekent ook dat er een grondslag bestond voor de betaling van € 4.000,- die [gedaagden c.s] op 28 februari 2020 hebben gedaan. Het verhaal van [gedaagden c.s] dat zij dit bedrag alleen maar hebben betaald omdat zij bedreigd werden, kan daarom niet kloppen. De vordering in reconventie wordt dus afgewezen.
[gedaagden c.s] hoeft geen schadevergoeding (€ 300,-) te betalen
3.11
[eiser] heeft ook een vergoeding van € 300,- gevorderd voor zijn jas, waterkoker en pan. Volgens [eiser] hebben [gedaagden c.s] deze spullen geleend, maar niet teruggegeven. [gedaagden c.s] hebben dit betwist, maar hier gaat de kantonrechter aan voorbij. Uit de eerder aangehaalde Whatsappcorrespondentie volgt namelijk duidelijk dat deze spullen zich op enig moment bij [gedaagden c.s] hebben bevonden en dat [eiser] ze heeft teruggevraagd. Bovendien is niet komen vast te staan dat [gedaagden c.s] de spullen ooit hebben teruggegeven.
3.12
[gedaagden c.s] hebben tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij niet weten waar de spullen zich momenteel bevinden. Omdat de spullen niet kunnen worden teruggegeven, heeft [eiser] in beginsel recht op een vervangende schadevergoeding. [eiser] moet zijn schade wel concreet maken. [gedaagden c.s] hebben gemotiveerd betwist dat de spullen een waarde van € 300,- hebben. [eiser] heeft zijn schade vervolgens niet verder onderbouwd (met bijvoorbeeld aankoopbewijzen of een specifieke omschrijving van het merk/het type/de staat) terwijl hij hier wel de mogelijkheid voor had. De kantonrechter heeft ook onvoldoende aanknopingspunten om de schade te begroten. De gevorderde € 300,- zal daarom worden afgewezen.
[gedaagden c.s] moeten de wettelijke rente betalen
3.13
[eiser] heeft wettelijke rente gevorderd over de € 5.000,- vanaf 10 februari 2024. De gevorderde wettelijke rente wordt vanaf deze datum toegewezen, omdat [gedaagden c.s] dit bedrag al kort na de koop van de woning aan [eiser] had moeten betalen.
[gedaagden c.s] moeten de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.14
[eiser] vordert daarnaast een vergoeding van € 756,25 aan buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Op grond van het Besluit kan [eiser] aanspraak maken op een bedrag van € 625,-. In zoverre wordt zijn vordering dus toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal ook worden toegewezen.
[gedaagden c.s] moeten de proceskosten betalen
3.15
[gedaagden c.s] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. In zaken waarin partijen in persoon procederen wordt ook een vergoeding toegekend voor de noodzakelijke reis- en verblijfkosten en kan een bedrag voor noodzakelijke verletkosten worden toegekend. [1] Verletkosten zijn de kosten die iemand maakt door tijd vrij te maken voor een juridische procedure. Deze kosten kunnen worden toegewezen als er een zitting is geweest. Omdat [eiser] op de zitting van 19 mei 2026 is verschenen, wijst de kantonrechter ambtshalve een bedrag van € 50,00 aan verletkosten toe. De proceskosten van [eiser] in conventie worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
147,00
- griffierecht
257,00
- verletkosten
50,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
598,00
3.16
Omdat geen extra acties nodig zijn geweest voor de tegenvordering (vordering in reconventie), worden geen verletkosten in reconventie toegekend.
3.17
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Hoofdelijke veroordelingen
3.18
De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen volledig uitvoering te geven aan het vonnis.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.19
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. Deze beslissing geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter
in conventie en in reconventie,
4.1
veroordeelt [gedaagden c.s] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 10 februari 2024, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagden c.s] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 625,- aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
4.3
veroordeelt [gedaagden c.s] hoofdelijk in de proceskosten van € 598,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden c.s] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
veroordeelt [gedaagden c.s] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.P. Stapel en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
EB5791

Voetnoten

1.Artikel 238 Rv Pro.