ECLI:NL:RBMNE:2026:372

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/16/594457 / HA ZA 25-289
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 1 Brussel I-bisArt. 4 lid 1 sub b Rome I§ 133 BGB§ 157 BGB§ 612 BGB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen succes fee voor werkzaamheden buiten scope, wel redelijke vergoeding toegekend

Eiseres, een Duitse adviseur gespecialiseerd in commercieel en financieel projectmanagement, voerde werkzaamheden uit voor gedaagde, een Nederlandse ontwikkelaar van duurzame projecten. Partijen sloten een overeenkomst met een succes fee van 3,15% voor de eerste twee projecten. Over het derde project, een herfinanciering via crowdfunding, bestond discussie of dit onder de succes fee viel.

De rechtbank stelde vast dat de Nederlandse rechter bevoegd was en Duits recht van toepassing is op de overeenkomst. De werkzaamheden voor het derde project vielen niet onder de scope of work van de overeenkomst, die gericht was op het identificeren van nieuwe financiële partners en transacties. Het derde project betrof hoofdzakelijk operationele werkzaamheden binnen een bestaande relatie.

Omdat geen succes fee van toepassing was, had eiseres recht op een redelijke vergoeding op basis van een uurtarief. De rechtbank stelde het aantal uren vast op 158 en het redelijke uurtarief op €250, wat resulteerde in een vergoeding van €39.500. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van dit bedrag, de proceskosten en wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis.

Uitkomst: Gedaagde moet een redelijke vergoeding van €39.500 betalen aan eiseres, exclusief succes fee.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/594457 / HA ZA 25-289
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
[eiseres] H.O.D.N. [handelsnaam],
te [woonplaats] (Duitsland),
eisende partij,
hierna te noemen: [handelsnaam] ,
advocaat: mr. S. Boonstra,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. E.C.M. Braun.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 28,
- de conclusie van antwoord met producties 1 en 2,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 14 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1.
[handelsnaam] is de eenmanszaak van mevrouw [eiseres] , een adviseur die zich specialiseert in commercieel en financieel project management, in het bijzonder bij projecten op het gebied van energietransitie. [gedaagde] houdt zich bezig met het ontwikkelen en realiseren van duurzame projecten, met name zonneparken. Partijen hebben een overeenkomst gesloten op basis waarvan [handelsnaam] diensten zou gaan uitvoeren voor [gedaagde] . [handelsnaam] heeft dergelijke diensten ook uitgevoerd. Vervolgens heeft [handelsnaam] diensten uitgevoerd in het kader van het zogenaamde [bedrijfsnaam] project. Partijen zijn het oneens of de werkzaamheden voor dat project onder de succes fee van 3,15% vallen zoals opgenomen in de overeenkomst, of dat deze uren vergoed moeten worden op basis van een uurloon. Omdat [handelsnaam] vindt dat haar werkzaamheden onder de succes fee vallen, vordert zij een bedrag van € 156.870. Als de werkzaamheden per uur gefactureerd moeten worden, vordert [handelsnaam] een bedrag van € 108.760. De beslissing is dat de werkzaamheden niet onder de succes fee vallen. [gedaagde] moet een redelijke vergoeding van € 39.500 betalen aan [handelsnaam] . Hierna wordt uitgelegd waarom.

3.De beoordeling

De Nederlandse rechter is bevoegd, Duits recht van toepassing op de overeenkomst
3.1.
Omdat [handelsnaam] in Duitsland kantoor houdt, heeft deze zaak een internationaal karakter en moet de rechtbank eerst (ambtshalve) onderzoeken of zij internationaal bevoegd is en zo ja, welk recht van toepassing is.
3.2.
[handelsnaam] is een Duitse partij en heeft diensten verricht voor [gedaagde] , die gevestigd is in Nederland. Partijen hebben geen rechtskeuze gemaakt en zijn het erover eens dat de algemene voorwaarden van [handelsnaam] niet van toepassing zijn. Op grond van de algemene regel uit artikel 4 lid 1 Brussel Pro I-bis is de rechter van de woonplaats van gedaagde bevoegd. Omdat [gedaagde] gevestigd is in Nederland en kantoor houdt in [plaats] , is de rechtbank Midden-Nederland bevoegd.
3.3.
Vervolgens moet de vraag beantwoord worden welk recht van toepassing is op deze zaak, het Nederlandse of het Duitse recht. Partijen hebben daar discussie over. Op grond van artikel 4 lid 1 sub b Rome Pro I is het Duitse recht van toepassing omdat het in deze zaak gaat over een dienstverleningsovereenkomst. [handelsnaam] heeft diensten verricht voor [gedaagde] en een dienstverleningsovereenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar de dienstverlener zijn gewone verblijfplaats heeft omdat daar de kenmerkende prestatie (de dienst) wordt verricht. Op deze hoofdregel staat in lid 3 van dat artikel een uitzondering: indien uit alle omstandigheden blijkt dat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander land dan het in lid 1 of lid 2 bedoelde land, is het recht van dat andere land van toepassing. Deze uitzondering moet terughoudend worden toegepast.
3.4.
[gedaagde] vindt dat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met Nederland op grond van de volgende argumenten:
  • [handelsnaam] adviseert over een herfinanciering die betrekking heeft op twee Nederlandse partijen,
  • De transactie waarop het advies ziet, is volledig gerelateerd aan Nederland,
  • Het is nooit van belang geweest dat [handelsnaam] is gevestigd in Duitsland want alle communicatie ging digitaal of er werd afgesproken in Nederland.
3.5.
De hoge lat van de uitzondering uit lid 3 wordt niet gehaald. Dat het advies betrekking had op een herfinanciering tussen twee Nederlandse partijen en dat de transactie inhoudelijk verband houdt met Nederland, is daarvoor onvoldoende. Deze omstandigheden zien op het onderwerp van het advies, maar niet op de plaats waar de kenmerkende prestatie is verricht. Het argument dat de vestigingsplaats van [handelsnaam] niet van belang was, is ook niet genoeg. Doorslaggevend is dat het gaat om een dienstverleningsovereenkomst waarbij de kenmerkende prestatie van [handelsnaam] bestaat uit het verlenen van advies. Dat advies is vanuit Duitsland verricht. Daarom is de hoofdregel van toepassing en wordt het Duitse recht toegepast op deze zaak.
Overeenkomst van opdracht, eerste twee projecten
3.6.
Omdat [gedaagde] in de loop van 2023 ondersteuning en advies nodig had bij het vinden van financieringen en het uitvoeren van financiële transacties op het gebied van stroomopwekkende assets in Europa, heeft [gedaagde] [handelsnaam] benaderd. [handelsnaam] kon op verschillende projecten ondersteunen.
3.7.
Om die reden hebben partijen op 6 oktober 2023 een overeenkomst van opdracht gesloten op grond waarvan [handelsnaam] werkzaamheden ging uitvoeren voor [gedaagde] op basis van ‘no cure, no pay’. De titel van de overeenkomst is “Funding and Transaction Origination”. De overeenkomst bepaalt (onder 2.1) het volgende over de vraag van [gedaagde] :
“The CLIENT wishes to identify financing partners and to pursue financial transactions related to power-generating assets in Europe for which the CLIENT acts either as Turnkey contractor, EPC contractor or similar (the PROJECT).”
en het volgende (onder 2.2) over het aanbod van [handelsnaam] :
“The CONTRACTOR offers to act as transaction originator and funding arranger as per scope of work below – or otherwise agreed between the Parties.”
Over die scope of work is vervolgens (onder 3) het volgende opgenomen:
“Support the CLIENT in securing sales rights over shared projects
Identify and approach Buyers to the respective projects
Represent the CLIENT during the negotiations with the investorsSupport the CLIENT in structuring the transaction towards SPA/APA”
3.8.
In de overeenkomst is onder 5.1 afgesproken:
“The compensation for the Scope of Work will be based upon a Success Fee of 3,15% over the transaction volume, or over the SPA/APA or, as the case may bee, over the relevant contract values. The Success Fee is payable upon closing or vis-à-vis the respective milestone scheme in place.”
3.9.
Voor wat betreft werkzaamheden die buiten de scope of work vallen is afgesproken onder 3:
“Optional ServicesBeyond the scope of securing a sales agreement, the CLIENT may request the CONTRACTOR to perform the following optional services within shared or non-shared unrelated projects:Contact & claim managementFinancial structuring and advice”
en onder 5.2:
“The alternative services are not part of the Success Fee and shall be invoice separately as agreed upon between the parties.”
3.10.
Bij het aangaan van de overeenkomst is [handelsnaam] gaan werken aan het zogenaamde [project 1] . [handelsnaam] heeft [gedaagde] geholpen bij de mogelijke verkoop van projectrechten aan een investeerder. De potentiële investeerders werden gezocht door [handelsnaam] . Dit project heeft niet tot een transactie geleid.
3.11.
Het tweede project waar partijen gingen samenwerken was het [project 2] . Deze opdracht was gericht op het veiligstellen van de rol van [gedaagde] als Engineering, Procurement en Construction contractor door het regelen van een equity partnership met een koper. [handelsnaam] ging op zoek naar geïnteresseerde partijen. [handelsnaam] en [gedaagde] zijn het erover eens dat de werkzaamheden die [handelsnaam] verrichte voor dit project ook onder de overeenkomst van 6 oktober 2023 vallen. Uiteindelijk is er voor dit project ook geen transactie tot stand gekomen en heeft [handelsnaam] dus geen aanspraak kunnen maken op de succes fee.
3.12.
Partijen zijn het over eens dat de werkzaamheden van [handelsnaam] aan deze projecten binnen de scope of work vielen en dat [handelsnaam] aanspraak zou hebben gemaakt op de succes fee als ze tot een transactie zouden hebben geleid.
Partijen zijn het er niet over eens of het [bedrijfsnaam] project onder de scope of work valt
3.13.
Op 4 maart 2023 heeft [gedaagde] [handelsnaam] telefonisch benaderd om haar te assisteren bij het zogenaamde [bedrijfsnaam] project. Dit project hield een herfinanciering van [gedaagde] in via een crowdfunding door de vennootschap [bedrijfsnaam] BV (hierna: [bedrijfsnaam] ).
3.14.
Tussen partijen is discussie ontstaan over of het [bedrijfsnaam] project onder de scope of work zoals benoemd in de overeenkomst van 6 oktober 2023 valt en [handelsnaam] daardoor een succes fee moet krijgen van [gedaagde] . Dit project heeft namelijk wel tot een transactie (de crowd funding is geslaagd) geleid.
3.15.
Toen [gedaagde] [handelsnaam] benaderde om deze werkzaamheden uit te voeren, hebben zij in het geheel niet gesproken over de beloning die [handelsnaam] daarvoor zou ontvangen en niet gesproken over het verband tussen de nieuwe opdracht en de al bestaande overeenkomst.
[handelsnaam] vindt dat de werkzaamheden vallen onder de succes fee, en dat [gedaagde] dit had moeten begrijpen. Het zou voor de hand liggen dat het [bedrijfsnaam] project ook onder de overeenkomst valt. Omdat het project met succes is afgesloten, vordert [handelsnaam] daarom een succes fee van € 156.870.
[gedaagde] vindt dat deze werkzaamheden niet onder de success fee vallen, omdat de overeenkomst en de succes fee zijn overeengekomen voor het geval [handelsnaam] nieuwe financiële partners of transacties aandraagt. Zij verwijst naar artikel 2 en Pro 3 van de overeenkomst. De werkzaamheden die [handelsnaam] heeft uitgevoerd voor het [bedrijfsnaam] project zouden niet onder deze werkzaamheden (niet onder de scope of work) vallen omdat [bedrijfsnaam] al een bekende partner was van [gedaagde] en [handelsnaam] vooral operationele werkzaamheden heeft uitgevoerd.
Uitleg van de overeenkomst
3.16.
Omdat de inhoud van de overeenkomst ter discussie staat en om vast te stellen of de werkzaamheden voor het [bedrijfsnaam] project onder de succes fee vallen, is uitleg van de overeenkomst nodig. Op grond van het Duitse recht moet een overeenkomst uitgelegd worden aan de hand van deze artikelen:
  • § 133 Bürgerliches Gesetzbuch (hierna: BGB): bij de uitleg van een verklaring moet worden nagegaan wat de verklaarder werkelijk heeft bedoeld, en niet wat de letterlijke bewoording zegt.
  • § 157 BGB: overeenkomsten moeten worden uitgelegd naar redelijkheid en billijkheid, rekening houdend met het gebruik van het rechtsverkeer.
3.17.
Partijen hebben op de zitting bevestigd dat zij het erover eens zijn dat dit overeenkomt met de Nederlandse Haviltex-maatstaf. Deze maatstaf houdt in dat voor de uitleg van een overeenkomst het niet alleen aan komt op de letterlijke bewoordingen van de overeenkomst, maar ook op dat wat partijen uit elkaars verklaringen en gedragingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid mochten afleiden en verwachten.
De werkzaamheden voor het [bedrijfsnaam] project vallen niet onder de scope of work, dus [handelsnaam] heeft geen recht op een succes fee
3.18.
De eerste twee opdrachten hadden een duidelijk en vergelijkbaar karakter: het zoeken van nieuwe kopers of financiële partners voor de projecten van [gedaagde] . Dat sluit ook aan bij de tekst en strekking van de overeenkomst. Zo volgt uit de titel en uit artikel 2 dat Pro [handelsnaam] optreedt als ‘
transaction originator and funding arranger’ en dat het gaat om het identificeren van financiële partners en het najagen van financiële transacties. In artikel 3, waarin de ‘scope of work’ staat, staat onder meer de verplichting voor [handelsnaam] : ‘
to identify and approach buyers tot he respective projects’. Dit soort werkzaamheden heeft [handelsnaam] ook uitgevoerd voor de eerste twee projecten.
3.19.
Het [bedrijfsnaam] project had een ander karakter. Het ging niet om het identificeren van nieuwe partners of kopers, maar om hoofdzakelijk operationele werkzaamheden binnen het kader van een herfinanciering van een bestaand project. [gedaagde] is zelf in gesprek gegaan met [bedrijfsnaam] , een al bekende partner van [gedaagde] . Hiervoor heeft [handelsnaam] voornamelijk advieswerkzaamheden uitgevoerd, omdat zij ervaring had met herfinanciering via crowdfunding.
3.20.
[handelsnaam] heeft verklaard dat er geen woord is gezegd over de toepasselijkheid van de succes fee, en ook niet over prijzen of een betalingsstructuur. [handelsnaam] heeft niet, althans onvoldoende, toegelicht waarom [gedaagde] toch vanuit de tekst, strekking en eerdere uitvoering van de overeenkomst had moeten begrijpen dat ook de werkzaamheden die [handelsnaam] aan het [bedrijfsnaam] project zou verrichten onder dezelfde succes fee structuur zouden vallen als de eerste twee projecten. Dat partijen ook op andere projecten samenwerkten die onder de succes fee vielen en dat [handelsnaam] meent dat de aard van de uitgevoerde werkzaamheden meebrengt dat het project onder de succes fee valt, is daarvoor onvoldoende. [handelsnaam] heeft vooral uiteengezet hoe zij de omvang van de overeenkomst zelf heeft begrepen, maar niet waarom het voor [gedaagde] ook kenbaar was dat zij het redelijkerwijs zo had moeten begrijpen.
3.21.
[handelsnaam] heeft nog gewezen op de e-mail van 21 maart 2024 over een mogelijke CFO-rol en toegelicht dat [gedaagde] daaruit had moeten afleiden dat de werkzaamheden voor het [bedrijfsnaam] project onder de bestaande succes fee vielen. Die e-mail geeft geen steun aan deze stelling. Uit de mail blijkt niet dat partijen de werkzaamheden voor het [bedrijfsnaam] project onder de succes fee hebben willen brengen, en ook niet dat [gedaagde] dat redelijkerwijs had moeten begrijpen. Deze e-mail is een voorstel vanuit [handelsnaam] om een CFO-rol aan te nemen binnen [gedaagde] en gaat niet over het [bedrijfsnaam] project.
[handelsnaam] krijgt een redelijke vergoeding van € 39.500 van [gedaagde]
[gedaagde] moet een redelijke vergoeding betalen aan [handelsnaam]
3.22.
Partijen zijn het erover eens dat, omdat de succes fee niet van toepassing is, [handelsnaam] aanspraak kan maken op een vergoeding voor de werkzaamheden die zij in het kader van het [bedrijfsnaam] project heeft uitgevoerd. [handelsnaam] vordert hiervoor een vergoeding van € 108.760.
3.23.
Voor de beoordeling van deze vordering, kan het in het midden blijven of het [bedrijfsnaam] project buiten de succes fee maar wel onder de bestaande overeenkomst valt. De overeenkomst benoemt (zie hiervoor onder 3.9) de mogelijkheid van het verrichten van werkzaamheden die niet onder de succes fee vallen, maar bepaalt niets over hoe die werkzaamheden worden beloond (slechts: “as agreed between the parties”). Als partijen overeenkomen dat een partij in opdracht werkzaamheden voor de ander uit te voeren zonder af te spreken wat de beloning daarvoor zal zijn, bepaalt § 612 BGB dat de gebruikelijke of redelijke vergoeding verschuldigd is. Partijen erkennen dat deze bepaling overeenkomt met artikel 7:405 BW Pro. Die bepaling geldt hier dus, ongeacht of de werkzaamheden buiten de succes fee maar onder de overeenkomst vallen of buiten de overeenkomst vallen.
3.24.
Bij een overeenkomst van de opdracht is het gebruikelijk om de beloning te bepalen aan de hand van een redelijk uurtarief. Om te bepalen hoeveel [handelsnaam] uitbetaald moet krijgen, zijn er dan twee vragen te beantwoorden:
Hoeveel uren heeft [handelsnaam] gewerkt aan het [bedrijfsnaam] project?
Wat is een redelijk uurtarief voor deze werkzaamheden?
(ad 1) [handelsnaam] heeft 158 uren gewerkt
3.25.
Voor hoeveel uur [handelsnaam] vergoeding vraagt wordt uit haar oorspronkelijke en gewijzigde productie 20 niet heel geheel duidelijk. Uit deze productie en uit productie 6 bij dagvaarding, blijkt wel dat [handelsnaam] om te beginnen stelt 110 uur aan werkzaamheden te hebben verricht voor het [bedrijfsnaam] project in de periode van 4 maart tot 5 april 2024. Deze urenopgave is redelijk gedetailleerd en (vooral in productie 6) goed toegelicht. De uitgevoerde werkzaamheden zijn duidelijk gespecificeerd. Het is daarom voldoende aannemelijk dat deze uren zijn gewerkt. [gedaagde] heeft hiertegenover wel een alternatieve urenberekening gezet, maar die is niet gemotiveerd en geeft daarom geen aanleiding om aan de juistheid van de 110 uur te twijfelen.
3.26.
Naast die 110 uur voert [handelsnaam] 96 uur op die zij “
Previously”, kennelijk ruim voor 4 maart 2024, heeft besteed aan “
Financial Modelling for [.] , 5 M Valuation underlying [bedrijfsnaam] Valuation”. Het gaat kennelijk om werkzaamheden met betrekking tot de waardering van [.] , die zij heeft verricht in het kader van het eerste project, maar die direct van nut waren voor het [bedrijfsnaam] project. [handelsnaam] heeft toegelicht dat zij op deze eerder uitgevoerde werkzaamheden kon voortbouwen bij de uitvoering van het [bedrijfsnaam] project waardoor zij minder tijd heeft hoeven besteden aan dit project dan zonder deze werkzaamheden het geval geweest zou zijn. Tegen deze achtergrond is het naar het oordeel van de rechter redelijk dat de helft van de 96 uur (48 uur) wordt toegerekend aan het [bedrijfsnaam] project en voor vergoeding in aanmerking komt. Daarmee wordt rekening gehouden:
  • zowel met het feit dat het gaat om werk dat [handelsnaam] al gedaan had op basis van no cure, no pay, zodat zij in beginsel geen aanspraak heeft op een beloning,
  • als met het feit dat het werk dat zij destijds voor niets heeft gedaan kennelijk waardevol is gebleken voor [gedaagde] bij het [bedrijfsnaam] project en [gedaagde] daar een besparing heeft opgeleverd, zodat [gedaagde] voordeel heeft gehad van dit werk dat [handelsnaam] eerder zonder enige beloning daarvoor te ontvangen heeft verricht.
3.27.
Ten slotte voert [handelsnaam] 78 en 9 uur op die kennelijk zien op project 2, zonder enige toelichting te geven waarom die in het kader van het [bedrijfsnaam] -project voor vergoeding in aanmerking zouden komen. Partijen zijn het erover eens dat de werkzaamheden voor dit project onder de succes fee vallen en dat er geen transactie tot stand is gekomen. Daarom komen deze uren niet voor een afzonderlijke uurloonvergoeding in aanmerking. Deze uren worden daarom afgewezen.
3.28.
[handelsnaam] maakt dus aanspraak op vergoeding van (110+48 =) 158 uur.
(ad 2) [handelsnaam] krijgt een uurtarief van € 250 per uur
3.29.
Partijen hebben sterk uiteenlopende redelijke tarieven aangevoerd. [handelsnaam] verwijst allereerst naar het ‘Bundesverband Deutscher Unternehmensberatungen’ waaruit zou volgen dat een uurtarief van € 320 redelijk zou zijn. Uit haar productie 28 zou zelfs volgen dat [handelsnaam] normaal een uurtarief van € 480 vraagt. [handelsnaam] heeft alleen niet uitgelegd waarom deze tarieven ook toepasbaar zouden zijn op het [bedrijfsnaam] project. [gedaagde] verwijst naar een tarief van € 70, ontleend aan een overzicht op een website, maar dat tarief ziet op de algemene term ‘financieel specialist’ en is niet specifiek voor de aard en complexiteit van de uitgevoerde werkzaamheden. Verder heeft [handelsnaam] in een eerder voorstel een bedrag van € 95 genoemd, maar ook toegelicht dat dit slechts een deel van de werkzaamheden betrof. Daarom zou dat geen passend referentiepunt zijn.
3.30.
De rechtbank beschikt daardoor over weinig concrete en relevante aanknopingspunten. De enige feitelijke facturering die in het dossier voorkomt, betreft een eerdere opdracht waarin voor 12 dagen werk een bedrag van € 1.560 is gefactureerd, wat neerkomt op € 195 per uur (productie 20). [handelsnaam] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de werkzaamheden voor het [bedrijfsnaam] project van andere aard zijn dan de werkzaamheden waarop dit tarief betrekking had en dat er meer bij kwam kijken. Deze toelichting is niet weersproken.
3.31.
Gelet op de aard en complexiteit van de werkzaamheden voor het project, de mate van zelfstandige verantwoordelijkheid en ervaring van [handelsnaam] , de toelichting dat het eerder toegepaste tarief van € 195 per uur op andere werkzaamheden zag en het ontbreken van een beter referentiepunt aan beide zijden, vindt de rechtbank een uurtarief van € 250 redelijk in de zin van § 612 BGB.
Conclusie
3.32.
[handelsnaam] heeft recht op een redelijke vergoeding van € 250 per uur voor 158 gewerkte uren. Dat komt neer op een bedrag van € 39.500 dat [gedaagde] aan [handelsnaam] moet betalen.
[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen
3.33.
[handelsnaam] heeft gevorderd dat de wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag betaald moet worden vanaf 7 mei 2024. Dat is de datum waarom [handelsnaam] een sommatiebrief heeft gestuurd naar [gedaagde] . Maar, voor toewijzing van wettelijke rente is vereist dat [gedaagde] in verzuim is geraakt. Het staat vast dat [handelsnaam] voorafgaand aan dit geschil verschillende facturen en sommaties heeft verstuurd. Het is alleen ook gebleken dat [handelsnaam] daarbij steeds een (veel) hoger bedrag heeft gevorderd dan daadwerkelijk verschuldigd was. Onder deze omstandigheden is [gedaagde] niet in verzuim geraakt. De wettelijke rente zal daarom pas worden toegewezen vanaf de datum van dit vonnis.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.34.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [handelsnaam] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
1.572,00
(2 punten × € 786,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.755,47
3.35.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [handelsnaam] te betalen een bedrag van € 39.500, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag vanaf de vonnisdatum tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 8.755,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
LLO 5719