ECLI:NL:RBMNE:2026:3702

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/7346
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
  • S. Keurentjes
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing tegemoetkoming Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens onvoldoende bewijs mishandeling en ernstig letsel

Eiser heeft een aanvraag ingediend bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven voor een tegemoetkoming, welke is afgewezen op 20 mei 2025. Na bezwaar bleef het Schadefonds bij deze afwijzing. Eiser stelde dat hij slachtoffer was van een opzettelijk geweldsmisdrijf en dat zijn fysieke en psychische klachten ernstig letsel vormden. Tevens voerde hij aan dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk slachtoffer is geweest van mishandeling. De feiten rondom de toedracht, aanleiding en omstandigheden zijn onduidelijk en worden niet voldoende onderbouwd. De politie kwalificeert het incident als een civiel geschil zonder bewijs van mishandeling.

Daarnaast is niet vastgesteld dat eiser ernstig letsel heeft opgelopen. De medische verklaring spreekt van een kneuzing, wat volgens het beleid van het Schadefonds niet kwalificeert voor een tegemoetkoming. Psychisch letsel is niet onderbouwd met een behandelplan van een gekwalificeerde hulpverlener. Het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel faalt eveneens.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor eiser geen tegemoetkoming ontvangt en geen proceskostenvergoeding krijgt. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van de tegemoetkoming door het Schadefonds wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van mishandeling en ernstig letsel.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7346
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.J. Stronks),
en

Schadefonds Geweldsmisdrijven

(gemachtigde: mr. A.R. Link- van Spronsen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser tot een tegemoetkoming van het Schadefonds.
1.1.
Het Schadefonds heeft deze aanvraag met het besluit van 20 mei 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 november 2025 op het bezwaar van eiser is het Schadefonds bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het Schadefonds.
1.3.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eiser tot een tegemoetkoming van het Schadefonds aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Eiser voert aan dat het Schadefonds ten onrechte heeft geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is dat hij slachtoffer is geweest van een opzettelijk geweldsmisdrijf. Eiser wijst daarbij op zijn eigen aangifte, de verklaringen van getuigen en de verklaring van de huisarts. Daarnaast voert eiser aan dat zijn fysieke en psychische klachten tezamen bezien wel degelijk kwalificeren als ernstig letsel. Tot slot voert eiser aan dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en daarmee in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel.
3. De beroepsgronden van eiser slagen niet. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij is mishandeld. Het blijft immers onduidelijk wat zich precies heeft afgespeeld in de woning. Het is weliswaar aannemelijk dat er een geschil was, maar niet dat eiser daadwerkelijk slachtoffer was van mishandeling. Het blijkt namelijk alleen uit de aangifte van eiser dat de mishandeling zou hebben plaatsgevonden. Daarnaast blijkt uit het beleid van het Schadefonds dat niet alleen de feitelijke handeling, maar ook de toedracht, aanleiding en omstandigheden van belang zijn voor het vaststellen van de aannemelijkheid van het geweldsmisdrijf. [1] De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende heeft toegelicht wat die omstandigheden, toedracht en aanleiding zijn geweest. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de politie van oordeel is dat het een civiel geschil betreft en er geen bewijs is dat eiser slachtoffer is geweest van mishandeling.
5. De rechtbank is verder van oordeel dat eiser niet heeft aangetoond dat er sprake is van ernstig letsel. Eiser stelt dat zijn schouder uit de kom is geraakt door de mishandeling, maar uit de verklaring van de huisarts blijkt dat er alleen sprake is van een kneuzing. Eiser heeft niet toegelicht waarom de verklaring van de huisarts niet zou kloppen. Een kneuzing valt binnen categorie 0 van de letsellijst van het Schadefonds, waardoor er op grond van het beleid geen aanleiding is voor toekenning van een tegemoetkoming door het Schadefonds. [2] Eiser heeft zijn psychisch letsel niet onderbouwd met documenten. Voor vaststelling van ernstig psychisch letsel in de situatie van eiser vereist het beleid van het Schadefonds dat een behandelplan van een gekwalificeerd hulpverlener wordt overgelegd. [3] Dit heeft eiser niet gedaan. De combinatie van de fysieke en psychische klachten leidt niet tot een ander oordeel, aangezien het Schadefonds elk type klacht afzonderlijk moet beoordelen.
6. De rechtbank stelt tot slot vast dat eiser niet heeft toegelicht waarom het bestreden besluit onzorgvuldig zou zijn voorbereid. Het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen tegemoetkoming van het Schadefonds krijgt. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
8. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026 door mr. S. Keurentjes, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven, versie 1 juli 2024, paragraaf 1.1.4.
2.Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven, versie juli 2024, pagina 5.
3.Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven, versie juli 2024, pagina 9.