Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3699

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
16/285197-25; 15/304408-23 (vord. tul);
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 57 SrArt. 317 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor overval met nepvuurwapen op snackbar in Almere

Op 26 oktober 2025 heeft de verdachte een snackbar in Almere overvallen door met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp het slachtoffer te bedreigen en te dwingen tot afgifte van 270 euro. De verdachte bekende deze feiten tijdens de zitting van 12 juni 2026. De rechtbank verklaarde bewezen dat de verdachte zich schuldig maakte aan afpersing en het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de impact op het slachtoffer en de samenleving, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder een eerdere veroordeling voor woningoverval en een psychologisch rapport dat wees op persoonlijkheidsstoornissen en middelengebruik. De rechtbank matigde de straf deels vanwege deze omstandigheden en legde een gevangenisstraf van 24 maanden op, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden.

Daarnaast werd een eerdere voorwaardelijke straf van 6 maanden ten uitvoer gelegd omdat de verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig had gemaakt aan strafbare feiten. De bijzondere voorwaarden omvatten onder meer behandeling bij een forensische polikliniek, meldplicht bij de reclassering, en begeleiding gericht op stabilisatie van de persoonlijke situatie en gedragsverandering.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en proeftijd van 3 jaar.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummers: 16/285197-25; 15/304408-23 (vord. tul);
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 26 juni 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2002] in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] , [woonplaats]
gedetineerd in de [verblijfplaats] ,
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 12 juni 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. J.P. Jansen;
  • de advocaat van de verdachte: mr. V.P.J. Tuma (hierna: de advocaat).

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1 primair
op 26 oktober 2025 in Almere snackbar [naam] heeft overvallen door met bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot afgifte van een geldbedrag van € 270,00;
feit 1 subsidiair
op 26 oktober 2025 in Almere snackbar [naam] heeft overvallen door met bedreiging met geweld van [slachtoffer] een geldbedrag van € 270,00 te stelen;
feit 2
op 26 oktober 2025 in Almere een nepvuurwapen voorhanden heeft gehad.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 2 heeft gepleegd.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert geen verweer over het bewijs.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewijsmiddelen feiten 1 primair en 2
De verdachte bekent dat hij snackbar [naam] heeft overvallen en daarbij gedreigd heeft met een nepvuurwapen. Omdat de verdachte de feiten 1 primair en 2 bekent en door hem of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd, hoeft de rechtbank de inhoud van de bewijsmiddelen niet op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: [1]
  • de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 12 juni 2026;
  • een proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever van 26 oktober 2025, pagina 42 e.v.;
  • een proces-verbaal van bevindingen van 3 november 2025, pagina 112 e.v.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1 primair
op 26 oktober 2025 te Almere met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (270 euro) dat geheel of ten dele aan de snackbar [naam] toebehoorde, door
- voorzien van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en
- gekleed in een hoodie met capuchon en in donkere kleding naar [naam] te gaan en
- dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp vast te houden en
- die [slachtoffer] te vragen naar geld uit de kassa;
feit 2
op 26 oktober 2025 te Almere een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft voorhanden gehad, gedragen en vervoerd.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1 primair
afpersing;
feit 2
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
4.2.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat zowel de verdachte als de maatschappij er geen belang bij hebben als de verdachte een lange gevangenisstraf moet uitzitten. Uit het onderzoek van de psycholoog volgt dat de verdachte behandeling nodig heeft. De gevangenis is een omgeving die eraan bijdraagt dat men verder in de criminaliteit terechtkomt terwijl de verdachte een jongvolwassene met problematiek is die zijn leven op orde moet krijgen. De advocaat verzoekt de rechtbank om daarom te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die niet langer is dan 12 maanden, zodat de verdachte de kans krijgt om op het rechte pad te komen, met een voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter deur en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf van 24 maanden op, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft op klaarlichte dag met een nepvuurwapen – dat op een echt vuurwapen leek - een snackbar overvallen. Dit is een ernstig feit. Het is algemeen bekend dat gewapende overvallen zeer ingrijpend zijn en een grote impact hebben op de slachtoffers. Bovendien leiden zulke overvallen tot gevoelens van onveiligheid, zowel in de directe omgeving als in de samenleving als geheel. De rechtbank rekent dit de verdachte aan en neemt het hem in het bijzonder kwalijk dat hij zijn eigen persoonlijk en financieel belang voorop heeft gesteld en niet heeft gedacht aan de gevolgen voor het slachtoffer.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank kijkt naar het strafblad van de verdachte van 17 maart 2026 waaruit blijkt dat de verdachte eerder op 23 juli 2024 is veroordeeld voor een woningoverval. Hij heeft toen een gevangenisstraf van 16 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk gekregen. Ten tijde van het huidige feit liep de verdachte nog in de proeftijd van die zaak. De rechtbank neemt deze eerdere veroordeling als strafverzwarend mee.
De rechtbank houdt ook rekening met:
  • een Pro Justitia rapport van 30 april 2026, opgemaakt door een GZ-psycholoog;
  • een rapport van Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering van 11 mei 2026, opgemaakt door een reclasseringswerker.
Uit het rapport van de psycholoog volgt dat er bij de verdachte sprake is van kenmerken van een narcistische persoonlijkheidsstoornis, kenmerken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis (een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling). Daarnaast is er sprake van een stoornis in het gebruik van cannabis en cocaïne, beide matig tot ernstig. Hier was ook sprake van ten tijde van de feiten waarvan de verdachte beschuldigd wordt en dit beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte. De psycholoog adviseert de rechtbank dan ook om deze feiten licht verminderd aan de verdachte toe te rekenen.
Het risico op recidive wordt door de psycholoog ingeschat als matig tot hoog indien de verdachte geen behandeling en begeleiding krijgt. De psycholoog adviseert een ambulante behandeling bij een forensische polikliniek zoals De Waag of een soortgelijke instelling waar specialistische behandeling kan worden geboden op het gebied van onder andere de persoonlijkheidsproblematiek.
De reclassering schrijft dat er op dit moment geen beschermende factoren zijn. De verdachte heeft geen stabiele huisvesting en het vinden van betaalde arbeid kostte de verdachte voorafgaand aan zijn detentie veel tijd. De verdachte heeft aangegeven hierdoor veel stress te ervaren. De reclassering acht dagbesteding, stabiele huisvesting en constructieve oplossingsvaardigheden noodzakelijk om het risico op recidive te verlagen. In het verleden zijn er geen interventies ingezet die waren gericht op de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte. Hoewel getwijfeld wordt over de motivatie van de verdachte is de reclassering van mening dat bijzondere voorwaarden nodig zijn om het risico op recidive, dat nu wordt ingeschat als hoog, te verlagen. Daarom adviseert de reclassering om de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden:
  • meldplicht bij reclassering;
  • ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname;
  • verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
  • dagbesteding;
  • aflossing schulden;
  • beheersing middelengebruik.
Strafkader
Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt. Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor meerderjarigen voor een overval op een bedrijf met licht geweld of bedreiging is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 jaar.
Strafverzwarend is de eerdere veroordeling, die hiervoor genoemd is.
De rechtbank ziet in de persoon van de verdachte redenen om de straf te matigen. De rechtbank neemt de conclusies van de psycholoog over en rekent de bewezen verklaarde feiten licht verminderd aan de verdachte toe. Ook weegt mee dat de verdachte nog jong is en nog niet eerder behandeling en begeleiding heeft gehad gericht op zijn persoonlijkheidsproblematiek.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan een gedeelte van 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, op, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

6.Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf

De rechtbank in Noord-Holland heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 15/304408-23 op 23 juli 2024 onder meer een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar.
6.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering toewijst, zodat de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat laat de beslissing over de vordering tot tenuitvoerlegging aan de rechtbank over.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Om die reden zal deze straf alsnog ten uitvoer gelegd worden.

7.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
  • artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 317 van het Wetboek van Strafrecht;
  • artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4. is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- kwalificeert het bewezenverklaarde zoals hiervoor in paragraaf 4.1. is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvan
24 maanden;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van
10 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzijde rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een
proeftijdvan
3 (drie) jaarvast;
- als voorwaarden gelden dat de verdachte:
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:
* zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;
* zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering behandeling noodzakelijk acht. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling kan zijn gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag, schuldenproblematiek. Het gebruiken van voorgeschreven medicatie kan onderdeel zijn van de behandeling. Indien daartoe aanleiding is, zoals bij een terugval in middelengebruik, bij overmatig middelengebruik of in geval van ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert zal, na rechterlijke goedkeuring, de verdachte zich laten opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt 7 weken of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt;
* verblijft in Leger des Heils of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering dat noodzakelijk acht, waarbij de verdachte zich houdt aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.;
* zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
* meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen, waarbij de verdachte de reclassering inzicht geeft in zijn financiën en schulden;
* meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 15/304408-23
- wijst de vordering toe;
- gelast de tenuitvoerlegging van de door de meervoudige kamer in de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 23 juli 2024 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Koorevaar, voorzitter, mrs. J.P. Verboom en S.M. van Meer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.S.A. Nahumury als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 26 oktober 2025 te Almere met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (270 euro) en/of een kassalade, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de snackbar [naam] en/of een derde toebehoorde(n), door
- voorzien van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of
- gekleed in een hoodie met capuchon en/of in donkere kleding naar [naam] te gaan en/of
- dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen/vast te houden en/of op de toonbank te leggen en/of
- die [slachtoffer] (op dreigende/dwingende wijze) te vragen naar geld uit de kassa;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 oktober 2025 te Almere een geldbedrag (270 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de snackbar [naam] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- voorzien van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of
- gekleed in een hoodie met capuchon en/of in donkere kleding naar [naam] te gaan en/of
- dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen/vast te houden en/of op de toonbank te leggen en/of
- die [slachtoffer] (op dreigende/dwingende wijze) te vragen naar geld uit de kassa;
2
hij op of omstreeks 26 oktober 2025 te Almere een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft voorhanden gehad, gedragen en/of vervoerd.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie Eenheid Midden-Nederland in onderzoek Doorzon, onderzoeksnummer MD2R025174, doorgenummerd pagina 1 tot en met 141. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.