Deze zaak betreft een last onder bestuursdwang die het waterschap Zuiderzeeland op 3 december 2025 aan Staatsbosbeheer heeft opgelegd wegens overtreding van de onderhoudsplicht aan watergangen. Staatsbosbeheer werd gelast de watergangen binnen drie werkdagen te maaien en te schonen, maar maakte bezwaar tegen deze bestuursdwang.
Tijdens de bezwaarprocedure zijn afspraken gemaakt over ecologisch onderzoek, waarna het waterschap uitstel verleende tot 3 februari 2026 voor het uitvoeren van het onderhoud. Staatsbosbeheer verzocht vervolgens de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de bestuursdwang te schorsen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat ondanks het belang van het waterschap bij snelle uitvoering vanwege waterveiligheid, niet is gebleken dat de situatie zodanig urgent is dat bestuursdwang direct moet worden uitgevoerd. Bovendien kan uitvoering leiden tot onomkeerbare schade aan beschermde soorten. Daarom werd de last onder bestuursdwang als ordemaatregel geschorst in afwachting van verdere behandeling.
De voorzieningenrechter benadrukte dat deze schorsing niet langdurig kan duren en dat spoedig een zitting zal plaatsvinden om de zaak inhoudelijk te behandelen en te beslissen over eventuele opheffing of wijziging van de schorsing, alsmede over proceskosten en griffierecht.