Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3649

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
16/327613-24
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38z SrArt. 289 SrArt. 287 SrArt. 36b SrArt. 36d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor moord en poging tot doodslag na schietincident in Hilversum

Op 14 oktober 2024 vond in Hilversum een schietincident plaats waarbij verdachte met een vuurwapen meerdere kogels afvuurde op twee slachtoffers in een auto. Eén slachtoffer overleed ter plaatse aan zijn verwondingen, het andere slachtoffer overleefde de poging tot doodslag.

De rechtbank oordeelde dat verdachte opzettelijk en met voorbedachten rade handelde, waarbij sprake was van moord op het overleden slachtoffer en poging tot doodslag op het andere slachtoffer. Bewijsmiddelen bestonden uit ooggetuigenverklaringen, camerabeelden, forensisch onderzoek naar schotresten en DNA, en zendmastgegevens die de aanwezigheid van verdachte op de plaats delict bevestigden.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van twintig jaar op, met aftrek van voorarrest, en een gedragsbeïnvloedende maatregel conform artikel 38z Sr. Daarnaast werden schadevergoedingen toegekend aan de nabestaanden en het overlevende slachtoffer, waarbij affectieschade, materiële schade, smartengeld en shockschade werden toegewezen.

De rechtbank verwierp het verzoek van de verdediging om toepassing van het jeugdstrafrecht en hield rekening met de ernst van het delict, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het maatschappelijke belang van een duidelijke strafrechtelijke reactie op vuurwapengeweld.

Verder besliste de rechtbank over in beslag genomen voorwerpen, waarbij sommige aan de verdachte werden teruggegeven en andere aan het verkeer werden onttrokken. De vorderingen van de benadeelde partijen werden deels toegewezen, deels afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf en gedragsbeïnvloedende maatregel voor moord en poging tot doodslag.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/327613-24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 24 juni 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2005] in [geboorteplaats] ,
gedetineerd in de [verblijfplaats] ,
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 13 mei 2026. Het onderzoek is gesloten op 24 juni 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. M. de Nooij;
  • de advocaat van de verdachte: mr. S.Ph.Chr. Wester, advocaat in Amsterdam (hierna: de advocaat);
  • de nabestaanden [nabestaande 1] , [nabestaande 2] en [nabestaande 3] , bijgestaan door
mr. Y. Boduç, advocaat in ‘s-Gravenhage;
  • de tolken, S.F. Coskun en Z. Kaya beiden geregistreerd en beëdigd tolk in de Turkse taal;
  • de benadeelde partij [slachtoffer 1] , bijgestaan door mr. R.G. van der Laan, advocaat in Leiden;
  • T. Boersma, T. Stijns, en I. du Bois, medewerkers slachtofferhulp Nederland en
R. Lauret, slachtoffercoördinator van het Openbaar Ministerie.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 14 oktober 2024 te Hilversum opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd;
feit 2
op 14 oktober 2024 te Hilversum [slachtoffer 1] heeft geprobeerd te doden.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank primair om de verdachte vrij te spreken van de feiten 1 en 2. De advocaat verzoekt de rechtbank subsidiair om de verdachte partieel vrij te spreken van ‘voorbedachten rade’ ten aanzien van feit 1 en te volstaan met een bewezenverklaring van doodslag onder feit 1.
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken in paragraaf 3.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Inleiding
Deze strafzaak gaat over een beschieting die heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2024 in Hilversum. Op 14 oktober 2024 omstreeks 17:26 uur ontving de politie een 112-melding dat er was geschoten op de parkeerplaats van het Sportpark Crailoo in Hilversum. Uit de melding en het daaropvolgende onderzoek is gebleken dat de twee slachtoffers zich in een auto op die parkeerplaats bevonden en een sigaret rookten, toen een grijze Toyota Yaris met hoge snelheid op hen afreed. De Toyota Yaris stopte voor de auto van de slachtoffers. De bestuurder van deze Toyota stapte uit, liep naar het voertuig van de slachtoffers en opende direct het vuur.
Tijdens het schietincident is [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) uit haar auto gestapt, weggerend en in veiligheid gekomen. [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) bleef achter en werd door meerdere kogels geraakt. Ondanks de verleende medische hulp, is [slachtoffer 2] ter plaatse aan zijn verwondingen overleden.
Naar aanleiding van dit schietincident is het opsporingsonderzoek ‘14JAVA24’ gestart. Op basis van dit onderzoek verdenkt het Openbaar Ministerie de verdachte van het opzettelijk en met voorbedachten rade doden van [slachtoffer 2] en van een poging om [slachtoffer 1] te doden. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat aan het schietincident mogelijk een zogenoemde rip-deal vooraf is gegaan, die zou hebben plaatsgevonden in de nacht van 4 op 5 oktober 2024. [slachtoffer 2] zou, samen met twee onbekend gebleven personen, voor een bedrag van € 600,- aan hasj of snus van de verdachte hebben gestolen.
Naar aanleiding van deze rip-deal zouden vanuit verschillende kanten bedreigende berichten zijn verstuurd, waaruit onder andere is gebleken dat werd geprobeerd om de identiteit en de persoonsgegevens van [slachtoffer 2] te achterhalen. Volgens het Openbaar Ministerie heeft deze ontwikkeling uiteindelijk geleid tot het schietincident van 14 oktober 2024 waarbij [slachtoffer 2] , destijds 21 jaar oud, om het leven is gekomen.
Bij ieder strafproces is het aan het Openbaar Ministerie om aan de hand van de bewijsmiddelen in een procesdossier aan te geven welke strafbare feiten iemand kan worden verweten en waarom dat zo is. In de strafzaak tegen de verdachte komt het er in de kern op neer dat de rechtbank moet beoordelen of de verdachte kan worden verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan moord of doodslag op [slachtoffer 2] en de poging doodslag op
[slachtoffer 1] . De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
3.3.2.
Bewijsmiddelen feit 1 en feit 2
De rechtbank oordeelt dat feiten 1 en 2 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
3.3.3.
Bewijsoverwegingen feit 1
[slachtoffer 2] is door schotwonden overleden
De rechtbank stelt op basis van de conclusie van de patholoog vast dat [slachtoffer 2] op 14 oktober 2024 als gevolg van schotwonden is overleden. Uit sectie op het lichaam van [slachtoffer 2] volgt dat hij veertien keer is geraakt door kogels. Twee schoten (een inschot en een doorschot) hebben geleid tot zodanig bloedverlies en weefselschade, dat hij daaraan is komen te overlijden. De overige schoten hebben niet direct tot het overlijden van [slachtoffer 2] geleid, maar hebben hieraan wel bijgedragen.
De verdachte heeft op [slachtoffer 2] geschoten
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte degene is geweest die op 14 oktober 2024 met een vuurwapen op [slachtoffer 2] heeft geschoten waarbij [slachtoffer 2] om het leven is gekomen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Direct na het na het schietincident heeft [slachtoffer 1] contact opgenomen met de meldkamer via het alarmnummer 112. In deze melding en later ook bij de politie verklaart zij over wat er is gebeurd. Zij geeft daarbij direct aan dat de schutter kwam aanrijden in een grijze Toyota Yaris, dat zij de schutter herkende als [bijnaam verdachte] , ook wel [verdachte] genoemd. In haar verhoor bij de politie geeft zij een omschrijving van de schutter: een Nederlandse jongen, blond haar en een lichte huidskleur. Als de politie tijdens haar verhoor een foto van de verdachte aan haar laat zien, wordt zij emotioneel en herkent zij hem als de schutter. Daar komt bij dat de verdachte een grijze Toyota Yaris op zijn naam heeft staan, dat is ook de auto waarin hij één dag later door de politie is aangehouden. De rechtbank vindt de verklaringen van [slachtoffer 1] betrouwbaar en consistent. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [slachtoffer 1] ooggetuige is geweest van het schietincident en dat zij op meerdere momenten door de politie is gehoord en telkens in de kern gelijkluidend heeft verklaard, waaronder ten aanzien van haar herkenning van de schutter als [bijnaam verdachte] , dan wel [verdachte] en dat de schutter in een grijze Toyota Yaris reed.
De verklaring van [slachtoffer 1] vindt steun in de overige bewijsmiddelen in het dossier. Zo heeft de getuige [getuige 1] verklaard dat zij twee auto’s heeft zien staan, namelijk een grijze en een zwarte auto, en dat zij knallen heeft gehoord. Daarnaast heeft zij gezien dat een meisje van de auto wegrende. Deze waarnemingen komen overeen met de verklaring van [slachtoffer 1] . Verder heeft getuige [getuige 1] verklaard dat de man die zij heeft gezien (de rechtbank begrijpt: de schutter) zwart haar had. Door de advocaat is weliswaar aangevoerd dat dit signalement niet overeenkomt met dat van de verdachte omdat deze geen zwart haar heeft, maar de rechtbank volgt dit standpunt niet. [slachtoffer 1] heeft namelijk verklaard dat de verdachte een zwarte pet droeg. Tegen die achtergrond vindt de rechtbank het niet onaannemelijk dat getuige [getuige 1] de haarkleur onjuist heeft waargenomen. De rechtbank beschouwt de verklaring van [getuige 1] ondanks deze onjuiste waarneming als steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer 1] .
Daarnaast bevinden zich in het dossier camerabeelden afkomstig van de woning van de verdachte. Op deze camerabeelden is te zien dat de verdachte enkele uren voor de beschieting, voorafgaand aan het verlaten van zijn woning, een vuurwapen bij zich heeft en dit in zijn broeksband steekt. Ook deze omstandigheid betrekt de rechtbank bij de beoordeling van de vraag of de verdachte de schutter is geweest.
Uit onderzoek naar de zendmastgegevens van de telefoon van de verdachte blijkt bovendien dat zijn telefoon op 14 oktober 2024 om 17:25 uur, ten tijde van de beschieting, verbinding maakt met een zendmast aan de [adres] in Hilversum. Deze zendmast bevindt zich hemelsbreed op ongeveer 1.860 meter van het plaats delict. De locatie van de beschieting is uitsluitend bereikbaar via de straat Nieuwe Crailoseweg, waarbij de desbetreffende zendmast op ongeveer 658 meter van die route wordt gepasseerd. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte zich ten tijde van de beschieting in de nabijheid van de plaats delict bevond en dat het daarom mogelijk is hem op die locatie te plaatsen.
Verder is er door het NFI onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van schotresten in de auto van de verdachte en op twee aan hem toebehorende jassen. Uit dit onderzoek volgt dat ten aanzien van beide jassen de bevindingen zeer veel waarschijnlijker (ordegrootte bewijskracht 10.000-1.000.000) zijn als op de bemonsteringen schotresten aanwezig zijn dan indien daarvan geen sprake is. Ten aanzien van één van deze jassen, de zwarte jas, zijn de aangetroffen deeltjes op de mouwen vergeleken met de deeltjes afkomstig van de hulzen die op de plaats delict zijn aangetroffen. Uit dit onderzoek volgt dat de bevindingen iets waarschijnlijker (ordegrootte bewijskracht 2-10) zijn als de deeltjes dezelfde bron van herkomst hebben dan wanneer zij afkomstig zijn van verschillende bronnen. Daarnaast zijn bemonsteringen verricht op het stuur en de versnellingspook van de auto van de verdachte. Daaruit volgt dat de bevindingen zeer veel waarschijnlijker (ordegrootte bewijskracht 10.000-1.000.000) zijn als op die locaties schotresten aanwezig zijn dan wanneer daarvan geen sprake is.
De zwarte jas is daarnaast onderzocht op DNA-sporen. Uit de bemonstering aan de binnenzijde van de linkermanchet is een DNA-profiel verkregen van (minimaal) één persoon. Het DNA-profiel van de verdachte komt overeen met dit profiel. Het DNA-profiel uit de bemonstering is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van de verdachte, dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon. Deze zwarte jas is bij de aanhouding van de verdachte in zijn auto aangetroffen en vertoont sterke gelijkenis met de jas die zichtbaar is op de camerabeelden uit de woning van de verdachte. De rechtbank concludeert dat deze jas van de verdachte is.
De verdediging voert aan dat [slachtoffer 2] vanuit verschillende hoeken bedreigende berichten heeft ontvangen en dat ook als de oorzaak van deze berichten gelegen zou zijn in een rip-deal dit niet maakt dat de verdachte de schutter is geweest. Uit het dossier volgt dat [slachtoffer 2] via verschillende telefoonnummers en op verschillende wijzen bedreigende berichten heeft ontvangen. Weliswaar kan niet worden vastgesteld dat deze berichten allemaal van de verdachte afkomstig zijn, maar dat enkele feit maakt niet dat de verdachte niet de schutter kan zijn. Dat [slachtoffer 2] mogelijk (ook) door anderen is bedreigd doet niets af aan het hiervoor besproken bewijs dat de verdachte de schutter was.
De verdediging voert verder aan dat uit de zendmastgegevens blijkt dat de telefoon van de verdachte op meerdere dagen gebruik heeft gemaakt van dezelfde zendmast en dat de aanwezigheid van schotresten op de jas en in de auto geen uitsluitsel geeft over het moment waarop deze daar terecht zijn gekomen. Volgens de verdediging kan uit deze bewijsmiddelen daarom niet worden afgeleid dat de verdachte de schutter is geweest. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de hiervoor genoemde bevindingen in onderlinge samenhang bezien, geen andere conclusie worden getrokken dan dat de verdachte een vuurwapen vanuit zijn woning heeft meegenomen, zich in zijn grijze Toyota Yaris heeft verplaatst naar de locatie waar [slachtoffer 2] zich samen met [slachtoffer 1] bevond en daar met dat vuurwapen heeft geschoten waarbij schotresten zijn achtergebleven op zijn jas en in zijn auto. De verdachte heeft op geen enkel moment een verklaring afgelegd over de hiervoor genoemde omstandigheden. In dit licht bezien had het, gelet op de bewijsmiddelen en de daaruit te trekken conclusies, op de weg van de verdachte gelegen om opheldering te verschaffen en de redengevende bewijsmiddelen te ontzenuwen, hetgeen hij heeft nagelaten. De rechtbank komt, gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, tot het oordeel dat de verdachte de schutter is geweest bij het schietincident ten gevolge waarvan [slachtoffer 2] is overleden.
De verdachte heeft [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade gedood (moord)
De rechtbank oordeelt dat er sprake is van moord, omdat de verdachte opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] heeft gedood en overweegt hiertoe als volgt.
Voor een bewezenverklaring van voorbedachten rade moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven. Contra-indicaties voor de voorbedachte raad kunnen zijn dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, de gelegenheid tot beraad pas tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat of dat sprake is van een korte tijdspanne tussen het besluit en de uitvoering.
Uit het dossier volgt dat in de nacht van 4 op 5 oktober 2024 een zogenoemde rip-deal heeft plaatsgevonden. Uit onderzoek naar de zendmastgegevens blijkt dat de telefoons van zowel de verdachte als [slachtoffer 2] in die nacht verbinding maakten met zendmasten in de omgeving van [locatie] in Hilversum, de locatie waar de rip-deal zou hebben plaatsgevonden. Op de telefoon van [slachtoffer 2] zijn gesprekken gevonden tussen [slachtoffer 2] en de verdachte waaruit blijkt dat zij elkaar die avond zouden ontmoeten bij [locatie] . Een deel van deze gebeurtenis is vastgelegd op camerabeelden uit de omgeving. Op de camerabeelden afkomstig van getuige [getuige 2] zijn drie jongens te zien die voorbij rennen. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat de volgende dag een jongen deze camerabeelden bij hem heeft bekeken en daarbij heeft verteld dat hij was beroofd. Deze jongen had de beelden met zijn telefoon gefilmd. Deze camerabeelden zijn later ook aangetroffen op meerdere telefoons van de verdachte. De rechtbank concludeert hieruit dat een rip-deal heeft plaatsgevonden waarbij de verdachte en [slachtoffer 2] betrokken zijn geweest.
Na de rip-deal zijn richting [slachtoffer 2] verschillende bedreigende berichten verstuurd waaruit volgt dat werd geprobeerd zijn persoonsgegevens en verblijfplaats te achterhalen en dat naar hem werd gezocht. Zo is via Snapchat een zogenoemde “Wanted”-poster verspreid waarop een foto van [slachtoffer 2] was opgenomen met daarbij de tekst: ‘
Amsterdammers opgelet!! XXX € 2000,- voor de gene die mij deze hoerenkind brengt. Gelijk cash!!’. Op de telefoon van de verdachte zijn daarnaast onder meer persoonsgegevens van [slachtoffer 2] aangetroffen. Verder is op de telefoon van de verdachte op 13 oktober 2024, zijnde een dag voorafgaand aan de schietpartij, een notitie aangetroffen met de volgende inhoud: ‘
, [A] en [B] . Jullie identiteiten, adressen en geschiedenis is bekend bij ons. Ook dat je moeder ziek is. ALLES! Jullie krijgen 1 hele goedkope kans om voor volgende week vrijdag [slachtoffer 2] €5000,- te laten brengen naar een station die wordt aangeven. En dit op te lossen! Doen jullie dit niet zal dit bedrag verhoogd worden en zullen er consequenties gaan plaatsvinden op de adressen die bekend staan. Bij geen reactie op dit bericht of geen medewerking wordt direct alles doorgezet en zal er geen onderhandeling mogelijk meer zijn. Jullie doen jullie ding, maar ken de consequenties als het fout gaat. Boontje komt om ze loontje.’
Vaststaat dat [slachtoffer 2] op 13 oktober 2024 daadwerkelijk een bericht met dezelfde inhoud heeft ontvangen. Dit bericht is namelijk teruggevonden op zijn telefoon. Door de advocaat is aangevoerd dat het contact tussen de verdachte en [slachtoffer 2] zag op het oplossen van het conflict en dat de verdachte [slachtoffer 2] juist een termijn had gegeven om tot een oplossing te komen. Deze termijn was op 14 oktober 2024 nog niet voorbij zodat de verdachte nog altijd in afwachting was van een oplossing. Uit het dossier volgt echter dat [slachtoffer 2] het telefoonnummer waarvan dit bericht afkomstig was heeft geblokkeerd. De vereiste reactie of medewerking die de verdachte volgens het bericht wilde is daarmee uitgebleven. Juist uit het bericht volgt dat in dat geval ‘direct alles wordt doorgezet’ en ‘geen onderhandeling meer mogelijk zal zijn’. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de termijn die in het bericht is genoemd door de verdachte niet langer in acht werd genomen.
Verder blijkt uit de camerabeelden uit de woning van de verdachte dat hij op 14 oktober 2024, ongeveer twee uur vóór de schietpartij, een vuurwapen in zijn broeksband steekt alvorens zijn woning te verlaten. Uit het dossier volgt niet op welke wijze de verdachte heeft achterhaald waar [slachtoffer 2] zich bevond. De rechtbank stelt evenwel vast dat de omstandigheden erop wijzen dat de verdachte wist dat [slachtoffer 2] op de parkeerplaats van het Sportpark Crailoo in Hilversum was. Daarbij betrekt de rechtbank dat de verdachte komt aanrijden op een doodlopende weg richting de parkeerplaats bij Sportpark Crailoo terwijl zich daar geen andere voertuigen bevonden dan het voertuig waar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in zaten. Vervolgens heeft de verdachte zijn auto schuin voor de auto waarin [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zaten tot stilstand gebracht, zijn autodeur geopend en – terwijl deze nog gedeeltelijk open stond – direct het vuurwapen gepakt, doorgeladen en zonder voorafgaand gesprek of zichtbare aarzeling op [slachtoffer 2] geschoten. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte wist dat [slachtoffer 2] zich in de auto bevond. De hiervoor beschreven doelgerichte handelingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden uitgelegd dan dat de verdachte naar de locatie is gegaan om [slachtoffer 2] neer te schieten.
De advocaat heeft verschillende contra-indicaties aangevoerd tegen het aannemen van voorbedachten rade. Daartoe is aangevoerd dat uit het dossier niet is gebleken dat de verdachte wist waar [slachtoffer 2] zich bevond en dat de verdachte vaker aanwezig was op de parkeerplaats bij Sportpark Crailoo. Volgens de advocaat kan daarom niet worden uitgesloten dat de verdachte [slachtoffer 2] toevallig heeft ontmoet en vervolgens heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. In dat verband heeft de advocaat gewezen op de omstandigheden dat de verdachte zonder gezichtsbedekking, in zijn eigen auto en met een telefoon op zijn naam naar het plaats delict is gereden. Daarnaast zou geen sprake zijn geweest van een zogenoemde exit-strategie, omdat de verdachte de jas die hij aan had niet heeft weggegooid en geen vluchttas gereed had. Tevens blijkt, aldus de advocaat, uit het dossier dat de verdachte na het schietincident in paniek is geraakt en tegen een bekende heeft verklaard dat hij een grote fout had gemaakt. De advocaat concludeert uit deze omstandigheden dat de verdachte geen plan had gemaakt. De rechtbank volgt dit betoog echter niet. Voor het aannemen van voorbedachten rade is niet vereist dat sprake is van een volledig doordacht plan voor de periode na het gepleegde delict. Ook een ondeugdelijk plan of een gebrekkige uitvoering kan verenigbaar zijn met voorbedachten rade. Dat de verdachte na het schietincident mogelijk heeft verklaard dat hij een grote fout had gemaakt doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het bestaan van een vooraf gevormd plan om [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Dat de verdachte na de beschieting in paniek verkeerde kan de rechtbank uit het dossier niet opmaken. Zijn moeder heeft hem een kwartier na de beschieting gesproken en heeft verklaard dat zij een normaal gesprekje hebben gevoerd.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte het vooropgezette plan had om [slachtoffer 2] van het leven te beroven. De rechtbank is daarbij tevens van oordeel dat het meenemen van het vuurwapen niet kan worden aangemerkt als een enkel beschermende handeling ten behoeve van de eigen veiligheid.
Van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Evenmin zijn andere contra-indicaties aannemelijk geworden die aan het aannemen van voorbedachten rade in de weg staan. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de verdachte opzettelijk en met voorbedachten rade heeft gehandeld en acht de moord op [slachtoffer 2] wettig en overtuigend bewezen.
3.3.4.
Bewijsoverwegingen feit 2
De verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven
De rechtbank oordeelt dat het handelen van de verdachte, bestaande uit het schieten met een vuurwapen op een auto waarin zich niet alleen [slachtoffer 2] , maar ook [slachtoffer 1] bevond, gekwalificeerd kan worden als een poging tot doodslag op [slachtoffer 1] .
De rechtbank is allereerst van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte bewust het doel had om [slachtoffer 1] te doden. Er is dus geen sprake van vol opzet. Wel stelt de rechtbank vast dat de verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 1] heeft gehad. De verdachte heeft namelijk bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat dat gevolg – de dood van [slachtoffer 1] – zal intreden. Deze kans op het gevolg was naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten.
Uit het procesdossier blijkt, zoals hiervoor is overwogen, dat de verdachte uit zijn auto is gestapt en vervolgens direct is gaan schieten op [slachtoffer 2] , die zich in de auto bevond naast [slachtoffer 1] . [slachtoffer 2] zat op dat moment op de passagiersstoel van de auto en het raam aan die zijde was deels geopend. De verdachte schoot door die opening. Gelet hierop had de verdachte er rekening mee kunnen én moeten houden dat zich op de bestuurdersstoel eveneens een persoon bevond. Daarbij betrekt de rechtbank tevens dat verdachte vanaf een afstand van ongeveer anderhalve meter meerdere schoten heeft afgevuurd op een kleine auto waarin [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] vlak naast elkaar zaten. Dat [slachtoffer 1] niet door een van de kogels is geraakt, is naar het oordeel van de rechtbank een toevallige omstandigheid geweest. Daarbij weegt mee dat kogels door afketsing uit hun baan kunnen raken en naar algemene ervaringsregels was er dan ook een aanmerkelijk te achten kans dat zij door een of meer van die kogels – al dan niet na ricocheren – dodelijk zou worden getroffen. Onder deze omstandigheden bestond een aanmerkelijke kans dat ook [slachtoffer 1] geraakt zou worden.
De gedraging van de verdachte, te weten het schieten op een auto waar [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] naast elkaar inzaten kan, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze is verricht, naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het toebrengen van dodelijk letsel aan niet alleen [slachtoffer 2] maar ook [slachtoffer 1] , dat het niet anders kan zijn dan dat hij de aanmerkelijke kans op dit gevolg ook heeft aanvaard. De rechtbank komt om die reden tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde. Het enkele feit dat [slachtoffer 1] , nadat de verdachte twee of drie schoten had afgevuurd, uit de auto is weggevlucht en is weggerend, maakt dit oordeel niet anders. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de poging tot doodslag op [slachtoffer 1] .
3.3.5.
Conclusie
De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde moord op [slachtoffer 2] en poging tot doodslag op [slachtoffer 1] , zoals hieronder onder 3.4 omschreven.
Eendaadse samenloop
De rechtbank neemt voor wat betreft de bewezen verklaarde feiten 1 en 2 eendaadse samenloop aan. De feiten leveren een samenhangend, zich op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op. De verdachte wordt daarvan in wezen één verwijt gemaakt, terwijl de strekking van de strafbepalingen in grote mate overeenkomt. De rechtbank zal hier in de strafoplegging rekening mee houden.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1
op 14 oktober 2024 te Hilversum, opzettelijk en met voorbedachten rade, een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meerdere kogels in/door het lichaam van die [slachtoffer 2] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;
feit 2op 14 oktober 2024 te Hilversum ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen meerder kogels, in het lichaam van [slachtoffer 2] heeft geschoten terwijl die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 1] samen in een auto zaten en in een kleine ruimte in de nabijheid van die [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1en feit 2:
de eendaadse samenloop van:
moord;
en
poging doodslag.
4.2.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf en maatregel

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 (twintig) jaar, met aftrek van het voorarrest.
De officier van justitie eist daarnaast dat aan de verdachte wordt opgelegd een gedragsbeïnvloedende maatregel, conform artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), zodat gedragsbeïnvloedende voorwaarden kunnen worden opgelegd na beëindiging van de gevangenisstraf.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt om bij een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De advocaat verzoekt, gelet op de leeftijd van de verdachte en omdat hij pedagogisch begeleidbaar is, het jeugdstrafrecht toe te passen. De advocaat verzoekt de rechtbank verder om acht te slaan op het feit dat de verdediging ten aanzien van de tenlastelegging komt tot minder feiten die bewezen kunnen worden verklaard dan wel tot een lagere straf opleverende kwalificatie ter zake van feit 1. Dit maakt dat er een aanzienlijk verschil is in de te hanteren strafmaat. Daarbij verzoekt de advocaat indien de rechtbank het jeugdstrafrecht niet van toepassing acht, de jeugdige leeftijd van de verdachte wel mee te nemen in de strafmaat. In het geval van:
- bewezenverklaring feit 1 en kwalificatie doodslag en vrijspraak ter zake van
feit 2 verzoekt de advocaat om te volstaan met oplegging van een gevangenisstraf van 10 jaar;
  • kwalificatie van doodslag voor feit 1 en een bewezenverklaring voor feit 2 verzoekt de advocaat om te volstaan met oplegging van een gevangenisstraf van 12 jaar;
  • bewezenverklaring feit 1 en kwalificatie moord ter zake van feit 1 en vrijspraak ter zake feit 2 verzoekt de advocaat om te volstaan met oplegging van een gevangenisstraf van 14 jaar;
  • kwalificatie van moord voor feit 1 en een bewezenverklaring voor feit 2 verzoekt de advocaat om te volstaan met oplegging van een gevangenisstraf van 16 jaar.
Daarbij heeft de advocaat ook verzocht om (in strafverminderende zin) rekening te houden met de eendaadse samenloop tussen de tenlastegelegde feiten en het gebrek aan delictspecifieke recidive bij de verdachte. Verder heeft de advocaat verzocht om in de strafmaat mee te nemen dat enige bewezenverklaring ter zake feit 2 enkel via het voorwaardelijk opzet kan plaatsvinden. Tot slot heeft de advocaat verzocht om bij enige onzekerheid over het verdere verloop van de verdachte na zijn gevangenisstraf een gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen en niet zelfstandig tot oplegging van een tbs-maatregel over te gaan.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf van twintig jaar, met aftrek van het voorarrest, op met daarbij een gedragsbeïnvloedende maatregel conform artikel 38z Sr.
Bij het bepalen van deze straf en maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de moord op [slachtoffer 2] . Daarmee heeft hij [slachtoffer 2] op gewelddadige en ingrijpende wijze het meest fundamentele recht ontnomen dat een mens bezit: het recht op leven. [slachtoffer 2] was een jonge man van slechts 21 jaar oud die nog een heel leven voor zich had. Aan dat leven is abrupt en definitief een einde gekomen. Uit het procesdossier en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, ontstaat het beeld dat [slachtoffer 2] om het leven is gebracht vanuit gevoelens van krenking, woede en wraak. Door zijn handelen heeft de verdachte ook onvoorstelbaar en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van [slachtoffer 2] . Uit hun spreekrechtverklaringen blijkt hoeveel verdriet het gemis van [slachtoffer 2] heeft veroorzaakt. Dit leed zullen zij voor de rest van hun leven moeten dragen. Daarnaast moeten zij leven met de wetenschap dat hun zoon en broer door vuurwapengeweld om het leven is gebracht. De rechtbank weegt daarbij mee dat de verdachte niets heeft willen verklaren waardoor voor de nabestaanden nog altijd veel vragen onbeantwoord zijn gebleven. Zij blijven achter met onzekerheid en onduidelijkheid over de precieze toedracht en achtergronden van hetgeen heeft plaatsgevonden. De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf het immense verdriet en het onherstelbare verlies van de nabestaanden kan wegnemen.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag op [slachtoffer 1] . Door zijn handelen heeft hij ook haar leven op ernstige en volstrekt onaanvaardbare wijze in gevaar gebracht. Dat zij het heeft overleefd is een gelukkige omstandigheid die niet aan het handelen van de verdachte is te danken. De rechtbank rekent ook dit de verdachte zwaar aan. Voor [slachtoffer 1] hebben de gebeurtenissen bovendien ingrijpende en blijvende gevolgen gehad. Zij is niet alleen geconfronteerd met de directe dreiging voor haar eigen leven en de daarmee gepaard gaande angst en machteloosheid, maar zij heeft ook moeten meemaken dat haar partner, [slachtoffer 2] , voor haar ogen om het leven werd gebracht. De rechtbank begrijpt dat deze gebeurtenis diepe psychische sporen heeft achtergelaten en dat zij de gevolgen daarvan langdurig en zelfs mogelijk levenslang zal ondervinden.
De rechtbank weegt ook mee dat het schietincident op klaarlichte dag bij een sportpark heeft plaatsgevonden terwijl jonge kinderen langsfietsten voor hun sporttrainingen. Onder deze jonge kinderen bevond zich ook getuige [getuige 1] , die heeft verklaard over wat zij heeft gezien en de angst die zij daarbij heeft ervaren op weg naar haar hockeytraining. Een dergelijk gewelddadig feit heeft dus niet alleen ingrijpende gevolgen voor de slachtoffers en nabestaanden, maar vergroot ook de onrust en het algemene gevoel van onveiligheid voor de directe omwonenden en de samenleving.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 14 februari 2025 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een (soortgelijk) strafbaar feit.
De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van de verdachte kennis genomen van:
  • een reclasseringsrapportage van 18 oktober 2024;
  • een consult strafrechtspleging van het NIFP van 18 oktober 2024;
  • een multidisciplinair Pro Justitia rapport van 2 april 2025;
  • een multidisciplinair Pro Justitia rapport van 23 december 2025 (observatie forensisch centrum Teylingereind);
  • een reclasseringsrapport van 18 januari 2025;
  • een schriftelijke reactie van de reclassering van 12 mei 2026 naar aanleiding van vragen van de verdediging.
Uit de eerste reclasseringsrapportage van 18 oktober 2024, het consult strafrechtspleging van het NIFP van 18 oktober 2024 en de eerste multidisciplinaire Pro Justitia-rapportage van 2 april 2025 komt naar voren dat bij de verdachte sprake is van een belast verleden. De verdachte heeft aan geen van deze onderzoeken willen meewerken, waardoor onduidelijkheden zijn blijven bestaan ten aanzien van zijn persoon en functioneren.
In de reclasseringsrapportage van 18 oktober 2024 is geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen. Daarbij is benadrukt dat op dat moment nog te veel onduidelijkheid bestond om eenduidige uitspraken te kunnen doen over de toepasselijkheid van het volwassenenstrafrecht. De reclassering heeft daarom, gelet op de jonge leeftijd van de verdachte en de veronderstelde meerwaarde van pedagogische beïnvloeding, een voorlopig advies opgesteld tot toepassing van het jeugdstrafrecht en plaatsing van de verdachte in een justitiële jeugdinrichting (hierna: JJI). Uit het consult van het NIFP van 18 oktober 2024 volgde het advies om de verdachte klinisch te observeren bij ForCa dan wel in het Pieter Baan Centrum. Omdat de verdachte niet heeft meegewerkt aan het consult , werd de inschatting of de verdachte op dat moment bijzondere zorg behoefde bemoeilijkt. Evenmin kon worden vastgesteld of plaatsing in een JJI geïndiceerd was. Op basis van de destijds beschikbare dossierinformatie en de mogelijke psychopathologie werd voorlopig een indicatie gezien voor bijzondere zorg in de vorm van plaatsing in een Extra Zorgvoorziening. In een later stadium zou kunnen worden beoordeeld of plaatsing in een JJI aangewezen was. Ook aan de eerste multidisciplinaire Pro Justitia-rapportage van 2 april 2025 heeft de verdachte niet meegewerkt. Wel kwam opnieuw naar voren dat sprake was van een belast verleden. Gelet op de niet-meewerkende houding van de verdachte hebben de onderzoekers geadviseerd de verdachte klinisch te observeren in Teylingereind, zodat door middel van milieuonderzoek en observatiegegevens alsnog (gedeeltelijk) de onderzoeksvragen konden worden beantwoord. Bij beslissing van deze rechtbank van 18 juni 2025 is vervolgens de observatie van de verdachte in Teyleinereind bevolen. Op 16 oktober 2025 is deze observatie begonnen.
Uit de multidisciplinaire Pro Justitia-rapportage van Teylingereind van 23 december 2025 volgt dat de verdachte aanvankelijk werd gezien als een beleefde en sociaal wenselijke jongeman die zich sterk aangepast opstelde. Gedurende het onderzoek liet hij zich echter in toenemende mate zien als zelfbepalend en egocentrisch, met name richting groepsgenoten, maar ook tegenover de groepsleiding. De onderzoekers zagen aanleiding om te denken aan mogelijke persoonlijkheidsproblematiek. Een persoonlijkheidsstoornis kon echter niet worden vastgesteld. Daartoe is overwogen dat over de afgelopen vijf jaar een eenzijdig beeld is ontstaan, waarin met name informatie uit politiemutaties zwaar heeft meegewogen. Daarnaast zijn tijdens de observatie ook adequate vaardigheden waargenomen, hetgeen aanleiding geeft te veronderstellen dat er ook sprake is van gezonde persoonlijkheidskenmerken die medebepalend zijn voor het gedrag van de verdachte. Binnen de gestructureerde omgeving van de observatieafdeling zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen voor afzonderlijke problemen op het gebied van impulscontrole of agressieregulatie. Er zijn daarnaast geen aanwijzingen gevonden voor psychiatrische problematiek in engere zin, zoals een psychotische stoornis, een angststoornis of een stemmingsstoornis. Ook bestaan geen aanknopingspunten voor de aanwezigheid van een ontwikkelingsstoornis, zoals AD(H)D of een autismespectrumstoornis.
Gedurende de observatieperiode trad met name een narcistische kant van de verdachte op de voorgrond, terwijl antisociale gedragingen binnen de groep minder zichtbaar waren. Dit alles heeft ertoe geleid dat de onderzoekers niet zijn gekomen tot classificatie van een persoonlijkheidsstoornis. Ten aanzien van het middelengebruik is vastgesteld dat dit al gedurende langere tijd zorgwekkend is en leidt tot aanzienlijke problemen in het functioneren van de verdachte, zowel binnen als buiten detentie. De verdachte heeft in het verleden een verslavingsbehandeling ondergaan en heeft tijdens zijn huidige detentie herhaaldelijk positief getest op cannabisgebruik. Op basis hiervan hebben de onderzoekers een stoornis in het gebruik van cannabis vastgesteld, waarbij de aard en ernst van dit gebruik niet nader konden worden vastgesteld. Over de vraag of eventuele psychische problematiek heeft doorgewerkt in de ten laste gelegde feiten hebben de onderzoekers geen uitspraak kunnen doen.
Met betrekking tot de toepasselijkheid van het jeugdstrafrecht is in de rapportage overwogen dat geen aanwijzingen bestaan voor beperkingen in de handelingsvaardigheden van de verdachte. Evenmin zijn duidelijke indicatoren gezien die wijzen op de noodzaak van pedagogische beïnvloeding. Daar staat tegenover dat sprake is van enige justitiële voorgeschiedenis en aanwijzingen voor criminele inbedding, hetgeen als contra-indicatie voor toepassing van het jeugdstrafrecht wordt beschouwd. Ook de bevindingen tijdens de observatie hebben geen aanleiding gegeven om toepassing van het jeugdstrafrecht te adviseren.
Ook in het kader van het reclasseringsonderzoek in 2025 heeft de verdachte niet meegewerkt. De reclassering beschikte bij het opstellen van de rapportage van 18 januari 2025 echter over meer informatie en heeft op basis daarvan een duidelijk advies uitgebracht. Daarbij is overwogen dat de interventies die in de afgelopen jaren, zowel binnen de vrijwillige hulpverlening als anderszins, zijn ingezet niet hebben geleid tot gedragsverandering bij de verdachte. De reclassering heeft geconcludeerd dat hulpverleningsmogelijkheden binnen een regulier kader ontoereikend zijn om gedragsverandering te bewerkstelligen, terwijl sprake is van een hoog recidiverisico en gevaar voor anderen en de samenleving. Beschermende factoren zijn daarbij niet naar voren gekomen. De reclassering heeft geadviseerd het volwassenenstrafrecht toe te passen, waarbij is gewezen op de langdurige hulpverleningsgeschiedenis en het feit dat de mogelijkheden binnen het jeugdstrafrecht zijn uitgeput. Dit advies is tot stand gekomen na afstemming met de Raad voor de Kinderbescherming.
In de schriftelijke reactie van de reclassering van 12 mei 2026 is dit standpunt nader bevestigd. Daarbij is overwogen dat uit eerder ingezette hulpverlening is gebleken dat de verdachte niet ontvankelijk is voor pedagogische beïnvloeding binnen het vrijwillige kader, noch binnen het strafrechtelijk kader. In combinatie met het ontbreken van indicaties en de aanwezigheid van contra-indicaties ziet de reclassering, in overeenstemming met de Raad voor de Kinderbescherming, onvoldoende aanleiding om af te wijken van het commune strafrecht. Daarbij is tevens opgemerkt dat het eerdere advies uit de rapportage van 18 oktober 2024 tot toepassing van het jeugdstrafrecht met de nodige terughoudendheid moest worden gelezen. Op basis van de inmiddels beschikbare informatie ziet de reclassering geen aanleiding meer voor toepassing van het jeugdstrafrecht.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat, mede in het licht van de adviezen van de deskundigen, geen grond bestaat voor toepassing van het jeugdstrafrecht. De verdachte zal daarom overeenkomstig het volwassenenstrafrecht worden berecht.
Strafkader
Bij de straftoemeting heeft de rechtbank nadrukkelijk stil gestaan bij de jeugdige leeftijd van de verdachte. De rechtbank stelt daarbij voorop dat zij niet lichtvaardig is gekomen tot de beslissing om aan de verdachte een langdurige gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank heeft echter in de persoon van de verdachte en zijn houding op de zitting geen aanknopingspunten gevonden die aanleiding geven tot het opleggen van een minder zware straf. De rechtbank kwalificeert het handelen van de verdachte als een doelbewuste en koelbloedige liquidatie wat de oplegging van een langdurige gevangenisstraf passend maakt.
Gelet op de uitzonderlijke ernst van de bewezenverklaarde feiten en de verstrekkende gevolgen daarvan, acht de rechtbank het verder van belang dat van de strafoplegging een duidelijk signaal uitgaat naar de samenleving dat dergelijk ernstig (vuurwapen)geweld ontoelaatbaar is en niet wordt geaccepteerd.
Alles afwegende acht de rechtbank – overeenkomstig de vordering van de officier van justitie – oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte de maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr opleggen. De rechtbank is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr is voldaan. Hoewel bij de verdachte geen psychische stoornis is vastgesteld en daarmee onvoldoende grond bestaat voor oplegging van een tbs-maatregel, zijn naar het oordeel van de rechtbank wel voldoende aanwijzingen aanwezig voor onderliggende problematiek die de oplegging van een gedragsbeïnvloedende maatregel rechtvaardigen. De rechtbank zal deze maatregel dan ook opleggen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de reclassering, hoewel zij niet uitdrukkelijk heeft geadviseerd tot toepassing van artikel 38z Sr, in haar rapportage heeft vermeld dat sprake is van een ernstig recidive- en gevaarsrisico voor de samenleving indien de verdachte na afloop van de gevangenisstraf zonder enige vorm van behandeling of begeleiding terugkeert in de maatschappij. Verder volgt uit de rapportage van de reclassering dat naar haar inschatting een langdurig klinisch traject noodzakelijk is om te komen tot nadere diagnostiek en gedragsverandering. Met de oplegging van de gedragsbeïnvloedende maatregel wordt het mogelijk gemaakt om op een later moment te beoordelen of begeleiding, monitoring dan wel andere interventies noodzakelijk zijn voorafgaand aan de terugkeer van de verdachte in de samenleving.
Concluderend legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf op van twintig jaar, met aftrek van het voorarrest, met daarbij oplegging van een gedragsbeïnvloedende maatregel conform artikel 38z Sr. Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een ander strafsoort.
Tenuitvoerlegging van de straf
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

6.In beslag genomen voorwerpen

Onder de verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen waarover de rechtbank een beslissing dient te nemen:
644 EUR;
1950 EUR;
13. 1 1 STK kleding;
13. 1 1 STK kleding;
13. 1 1 STK telefoon;
13. 1 1 STK telefoon;
13. 1 1 STK telefoon;
13. 1 1 STK pet;
13. 1 1 STK kleding;
13. 1 1 STK schoenen;
13. 1 1 STK schoenen;
13. 1 1 STK geluidsdrager;
13. 1 1 STK kluis;
13. 1 1 STK telefoon;
13. 1 16 STK verdovende middelen;
13. 1 3 STK verdovende middelen;
13. 1 2 STK papier;
13. 1 1 STK papier;
13. 1 1 STK papier;
13. 1 1 STK scooter;
13. 1 1 STK vest;
13. 1 1 STK broek.
6.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht dat de voorwerpen met de nummers 13 tot en met 18 en 22 verbeurd worden verklaard. Voor de voorwerpen 19 tot en met 21, 23, 24, 31 en 32 is verzocht deze terug te geven aan de rechtmatige eigenaar. Voor de voorwerpen 25 en 26 is verzocht deze aan het verkeer te onttrekken. De voorwerpen 27 tot en met 29 kunnen eveneens aan de eigenaar worden teruggegeven. Op deze voorwerpen rust echter conservatoir beslag. Ook op de voorwerpen 1 en 2 rust conservatoir beslag.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft verzocht de voorwerpen 13 tot en met 24, 31 en 32 terug te geven aan de rechtmatige eigenaar, zoals staat vermeld op de beslaglijst. Over de voorwerpen 25 en 26 heeft de advocaat geen opmerkingen, nu deze voorwerpen gelet op hun aard kunnen worden onttrokken aan het verkeer. Over de voorwerpen 1, 2, 27 tot en met 30 heeft de advocaat ook geen opmerkingen, omdat op deze voorwerpen conservatoir beslag ligt.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Onttrekken aan het verkeer
De rechtbank zal de volgende voorwerpen onttrekken aan het verkeer:
25. 16 STK verdovende middelen (omschrijving: PL0900-2024326699-3420766);
26. 3 STK verdovende middelen (omschrijving: PL0900-2024326699-3420766).
Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
Teruggave eigenaar
De rechtbank zal de volgende voorwerpen teruggeven aan de rechtmatige eigenaar, te weten de verdachte:
13. 1 1 STK kleding (omschrijving: PL0900-2024326699-3420370);
13. 1 1 STK kleding (omschrijving: PL0900-2024326699-3420375);
13. 1 1 STK telefoon (omschrijving: PL0900-2024326699-3420743);
13. 1 1 STK telefoon (omschrijving: PL0900-2024326699-3420745);
13. 1 1 STK telefoon (omschrijving: PL0900-2024326699-3420752);
13. 1 1 STK pet (omschrijving: PL0900-2024326699-3420731);
13. 1 1 STK kleding (omschrijving: PL0900-2024326699-3420739);
13. 1 1 STK schoenen (omschrijving: PL0900-2024326699-3420746);
13. 1 1 STK schoenen (omschrijving: PL0900-2024326699-3420747);
13. 1 1 STK geluidsdrager (omschrijving: PL0900-2024326699-3420749);
13. 1 1 STK kluis (omschrijving: PL0900-2024326699-3420755);
13. 1 1 STK telefoon (omschrijving: PL0900-2024326699-3420769);
33. 1 1 STK vest (omschrijving: PL0900-2024326699-G3420744);
33. 1 1 STK broek (PL0900-2024326699-G3420737).
De rechtbank ziet geen bezwaar tegen teruggave van deze voorwerpen aan de verdachte. De voorwerpen zijn niet van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang en de rechtbank is van oordeel dat zij niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring.
Overige goederen conservatoir beslag
De rechtbank zal ten aanzien van de overige in beslag genomen goederen geen beslissing nemen, omdat daar conservatoir beslag op rust.

7.Vordering benadeelde partij

7.1.
Vordering van de benadeelde partijen
[nabestaande 1]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte primair te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 20.000,- voor feit 1, te vermeerderen met de wettelijke rente. Subsidiair vordert de benadeelde partij de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 17.500,-. Dit bedrag bestaat uit een vergoeding van affectieschade. Verder verzoekt de benadeelde partij aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Meer subsidiair heeft de benadeelde partij de rechtbank verzocht om gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid.
[nabestaande 2]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte primair te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 20.000,- voor feit 1, te vermeerderen met de wettelijke rente. Subsidiair vordert de benadeelde partij de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 17.500,-. Dit bedrag bestaat uit een vergoeding van affectieschade. Verder verzoekt de benadeelde partij aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Meer subsidiair heeft de benadeelde partij de rechtbank verzocht om gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid.
[nabestaande 3]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte primair te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 17.500,- voor feit 1, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit een vergoeding van affectieschade. Verder verzoekt de benadeelde partij aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Subsidiair heeft de benadeelde partij de rechtbank verzocht om gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid.
[slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] )
[slachtoffer 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte primair te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 37.494,- voor feit 1 en feit 2, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade van € 9.994,-, € 7.500,- aan smartengeld schade en € 20.000,- aan shockschade. Verder verzoekt de benadeelde partij aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.2.
Standpunt van de officier van justitie
[nabestaande 1]
De officier van justitie heeft verzocht het gevorderde bedrag van € 20.000,- in zijn geheel toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie concludeert dat voldoende is onderbouwd waarom er aansluiting is gezocht bij de categorie ‘meerderjarig thuiswonend kind’ als bedoeld in het Besluit vergoeding affectieschade.
[nabestaande 2]
De officier van justitie heeft verzocht het gevorderde bedrag van € 20.000,- in zijn geheel toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie concludeert dat voldoende is onderbouwd waarom er aansluiting is gezocht bij de categorie ‘meerderjarig thuiswonend kind’ als bedoeld in het Besluit vergoeding affectieschade.
[nabestaande 3]
De officier van justitie heeft verzocht het gevorderd bedrag van € 17.500,- in zijn geheel toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat de benadeelde partij voldoende heeft onderbouwd dat zij op grond van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 6:108, eerste lid, onder g, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dient te worden aangemerkt als naaste. Daarbij heeft de officier van justitie opgemerkt dat bij de beoordeling tevens gewicht dient te worden toegekend aan de toekomstige wetswijziging, strekkende tot uitbreiding van de wettelijke regeling ten aanzien van broers en zussen.
[slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] )
Ten aanzien van de materiële schade heeft de officier van justitie verzocht het verzochte bedrag van € 9.994,- toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, omdat deze kosten voldoende zijn onderbouwd. Met betrekking tot het gevorderde smartengeld en de shockschade heeft de officier van justitie eveneens verzocht deze posten in zijn geheel toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat beide schadeposten voldoende zijn onderbouwd en dat in de vordering een duidelijke splitsing is gemaakt tussen de gevorderde shockschade en het gevorderde smartengeld.
7.3.
Standpunt van de verdediging
[nabestaande 1]
Gelet op het primaire standpunt van de verdediging verzoekt de advocaat om de benadeelde partij [nabestaande 1] niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair heeft de advocaat aangevoerd voor het gevorderde bedrag van € 20.000,- aansluiting is gezocht bij de categorie ‘meerderjarig thuiswonend kind’ als bedoeld in het Besluit vergoeding affectieschade. De advocaat stelt dat het slachtoffer niet ingeschreven stond op het woonadres van de benadeelde partij. Hoe de situatie feitelijk was, kan niet worden geverifieerd. Gelet hierop verzoekt de advocaat om aansluiting te zoeken bij de categorie ‘meerderjarig niet-thuiswonend kind’ en te volstaan met toewijzen van een bedrag van € 17.500,-.
[nabestaande 2]
Gelet op het primaire standpunt van de verdediging verzoekt de advocaat om de benadeelde partij [nabestaande 2] niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair heeft de advocaat aangevoerd voor het gevorderde bedrag van € 20.000,- aansluiting is gezocht bij de categorie ‘meerderjarig thuiswonend kind’ als bedoeld in het Besluit vergoeding affectieschade. De advocaat stelt dat het slachtoffer echter niet ingeschreven stond op het woonadres van de benadeelde partij. Hoe de situatie feitelijk was, kan niet worden geverifieerd. Gelet hierop verzoekt de advocaat om aansluiting te zoeken bij de categorie ‘meerderjarig niet-thuiswonend kind’ en te volstaan met toewijzen van een bedrag van € 17.500,-.
[nabestaande 3]
Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [nabestaande 3] heeft de advocaat het volgende aangevoerd. De door de zus van het slachtoffer opgevoerde affectieschade strekt tot een vergoeding als naaste. In artikel 6:108, vierde lid BW wordt een beperkte (limitatief opgesomde) kring van personen genoemd die voor vergoeding van affectieschade in aanmerking komen. Broers en zussen maken geen deel uit van deze limitatieve opsomming en komen dus volgens de wet niet voor affectieschade in aanmerking, tenzij zij middels de zogeheten hardheidsclausule (artikel 6:108, eerste lid onder g BW) aantonen dat zij ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staan, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij voor de toepassing van artikel 6:108, derde lid BW als naasten worden aangemerkt. De advocaat heeft daartoe aangevoerd dat de benadeelde partij [nabestaande 3] onvoldoende onderbouwd heeft waarom zij middels deze hardheidsclausule als naaste moet worden aangemerkt. Gelet hierop heeft de advocaat verzocht de vordering tot schadevergoeding af te wijzen, dan wel de benadeelde partij [nabestaande 3] niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Daarbij heeft de advocaat opgemerkt dat er geen rekening kan worden gehouden met een mogelijke toekomstige wetswijziging, omdat de huidige wetgeving van toepassing is.
[slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] )
Gelet op het primaire standpunt van de verdediging verzoekt de advocaat om de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair heeft de advocaat ten aanzien van het gevorderde smartengeld en de gevorderde shockschade verzocht de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, omdat deze schadeposten volgens de verdediging onvoldoende zijn onderbouwd. Daartoe heeft de advocaat aangevoerd dat onvoldoende duidelijk is waar de gevorderde shockschade eindigt en waar het smartengeld aanvangt. Volgens de advocaat zal beoordeling van deze onderdelen van de vordering leiden tot een onevenredige belasting van het strafproces, waardoor de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering. Meer subsidiair heeft de advocaat verzocht de benadeelde partij ten aanzien van de posten smartengeld en shockschade niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de gevorderde vergoedingen aanzienlijk te matigen, gelet op de vergoedingen die in vergelijkbare strafzaken zijn toegekend.
Ten aanzien van de gevorderde materiële schade met betrekking tot de auto van de benadeelde partij heeft de advocaat aangevoerd dat, gelet op de wijze waarop deze schadepost is onderbouwd en opgevoerd, onvoldoende inzicht bestaat in het causaal verband tussen de gevorderde schade en de aan de verdachte ten laste gelegde feiten. Om die reden heeft de advocaat subsidiair verzocht de benadeelde partij [slachtoffer 1] ten aanzien van dit onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Verder heeft de advocaat opgemerkt dat de opgevoerde reparatiekosten de dagwaarde van de auto overstijgen. Meer subsidiair heeft de advocaat daarom verzocht voor de begroting van deze schade aansluiting te zoeken bij de dagwaarde van de auto en deze vast te stellen op een bedrag van
€ 3.500,-. Ten aanzien van de overige materiële schadeposten heeft de advocaat geen verweer gevoerd.
7.4.
Oordeel van de rechtbank
[nabestaande 1]
Op grond van de artikelen 6:107 en 6:108 BW hebben naasten van slachtoffers recht op vergoeding van affectieschade (voor pijn en verdriet) die zij lijden doordat het slachtoffer als gevolg van het strafbare feit is overleden of ernstig en blijvend letsel heeft opgelopen. Een beperkte kring van personen kan voor vergoeding van affectieschade in aanmerking komen. Zij hebben recht op affectieschade zonder dat zij verplicht zijn om de aard en de ernst van hun schade nader te motiveren. De hoogte van de schadevergoeding wordt bepaald op basis van standaardbedragen die zijn vastgelegd in het Besluit vergoeding affectieschade.
De benadeelde partij [nabestaande 1] vordert vergoeding van affectieschade. De rechtbank wijst dit verzoek toe op grond van artikel 6:108 BW Pro. Het slachtoffer is als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit overleden. De benadeelde partij heeft recht op vergoeding van affectieschade, omdat hij ouder van het slachtoffer was. De rechtbank overweegt daartoe dat er geen sprake was van een ‘meerderjarig thuiswonend kind’. Uit de stukken volgt dat [slachtoffer 2] stond ingeschreven op een ander woonadres en dat sprake was van begeleid wonen in een gedwongen kader. Hoe de situatie feitelijk was kan niet worden geverifieerd. Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade categorie ‘meerderjarig niet-thuiswonend kind’ bedraagt de toe te kennen schadevergoeding € 17.500,-. De rechtbank zal dit bedrag dan ook toe kennen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
[nabestaande 2]
Ook de benadeelde partij [nabestaande 2] vordert vergoeding van affectieschade. De rechtbank wijst ook dit verzoek toe op grond van artikel 6:108 BW Pro. Het slachtoffer is als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit overleden. De benadeelde partij heeft recht op vergoeding van affectieschade, omdat zij ouder van het slachtoffer was. In dit verband zoekt de rechtbank ook aansluiting bij de categorie ‘meerderjarig niet-thuiswonend kind’ zoals hiervoor is overwogen en wijst een bedrag van € 17.500,- toe, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
[nabestaande 3]
De benadeelde partij [nabestaande 3] vordert vergoeding van affectieschade. Juridisch gezien behoren zussen niet tot de beperkte kring van personen die voor affectieschade in aanmerking komt. Uit de eisen van redelijkheid en billijkheid kan echter voortvloeien dat andere personen, die in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot het slachtoffer staan dat zij als ‘naaste’ in de zin van artikel 6:108 lid 3 BW Pro worden aangemerkt, aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade. Dit betreft de zogeheten hardheidsclausule. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de benadeelde partij, als zus van het slachtoffer, een geslaagd beroep kan doen op deze hardheidsclausule, en daarmee recht heeft op vergoeding van affectieschade. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat daarvoor sprake moet zijn van een bijzonder geval, in die zin dat sprake was van een hechte affectieve relatie die (zeer) uitgaat boven de ‘gewone’ hechte relatie die broers en zussen kunnen hebben. De benadeelde partij heeft in haar vordering toegelicht dat zij een hechte band had met het [slachtoffer 2] . Zonder af te willen doen aan de waardevolle band die de benadeelde partij met [slachtoffer 2] had en hoe invoelbaar haar leed ook is, is de rechtbank van oordeel dat het beroep op de hardheidsclausule in dit geval niet slaagt. Gelet op de strikte toepassing van de hardheidsclausule in de jurisprudentie, die mede is ingegeven door de bedoeling van de wetgever, is de door de benadeelde partij gegeven onderbouwing onvoldoende om aan te nemen dat sprake was van een hechte affectieve relatie die een in het algemeen gebruikelijk hechte relatie van broers en zussen overstijgt. Het toekomstig beoogde wetsvoorstel doet hier niet aan af, omdat de rechtbank op dit moment aansluiting zoekt bij het geldende recht. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij [nabestaande 3] niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
[slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] )
Materiële schade
Ten aanzien van de schade aan de auto overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende weersproken dat de auto feitelijk als ‘total loss’ dient te worden aangemerkt, omdat de reparatiekosten de dagwaarde van de auto overstijgen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte slechts gehouden is de schade aan de auto te vergoeden zoals deze in 2024 bestond. De rechtbank zal daarom aansluiting zoeken bij de destijds geldende dagwaarde van de auto en stelt deze vast op een bedrag van
€ 5.350,-. De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen vanaf 14 oktober 2024, zijnde de datum van de schietpartij.
Ten aanzien van de gevorderde reiskosten en zorgkosten is de rechtbank van oordeel dat deze voldoende zijn onderbouwd en voor toewijzing in aanmerking komen. De rechtbank zal daarom een bedrag van € 459,22 aan reiskosten en een bedrag van € 770,- aan zorgkosten toewijzen. De wettelijke rente over deze bedragen zal worden toegewezen vanaf 1 mei 2026, zijnde de datum waarop de vordering tot schadevergoeding is ingediend.
Ten aanzien van de gevorderde beveiligingskosten is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is gebleken van een causaal verband tussen het ten laste gelegde feit en de gestelde schade. Er is onvoldoende onderbouwd dat de door de benadeelde partij gestelde dreigingen afkomstig waren uit de kring van de verdachte en dat zij als gevolg daarvan beveiligingscamera’s heeft moeten aanschaffen. De rechtbank zal dit onderdeel van de vordering daarom afwijzen.
Concluderend zal de rechtbank een bedrag van € 6.579,22 aan materiële schade toe wijzen met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente zoals hierboven uiteengezet.
Smartengeld en shockschade
Vergoeding van immateriële schade (bestaande uit smartengeld en shockschade) is op grond van art. 6:106 sub b BW Pro mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van smartengeld in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. De benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde partij komt dus in aanmerking voor een vergoeding van smartengeld. De benadeelde partij heeft echter ook shockschade gevorderd, wegens de rechtstreekse confrontatie met de gevolgen van de schietpartij waarbij haar partner, [slachtoffer 2] , is overleden.
Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade sluit de rechtbank aan bij de vaste rechtspraak van de Hoge Raad. Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (I) het waarnemen van het ten laste gelegde, of (II) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen het geval zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, of indien het geestelijk letsel, bij ontbreken van een dergelijk ziektebeeld, gelet op aard, duur en gevolgen ernstig en dus voldoende objectiveerbaar is.
Uit de stukken die namens de benadeelde partij zijn overgelegd blijkt dat zij PTSS heeft opgelopen als gevolg van de schietpartij. De rechtbank is van oordeel dat het bestaan van een hechte en affectieve relatie als bedoeld in bovengenoemde jurisprudentie tussen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voldoende is onderbouwd en kan zij daarom in zoverre aanspraak maken op vergoeding van shockschade, omdat het geestelijk letsel (mede) in verband staat met de confrontatie met het neerschieten van [slachtoffer 2] . Ten aanzien van de hoogte overweegt de rechtbank het volgende.
De rechtbank overweegt dat de bewezenverklaarde strafbare feiten voortvloeien uit één feitelijke gebeurtenis. Deze gebeurtenis biedt weliswaar grondslag voor twee afzonderlijke juridische aanspraken op schadevergoeding, te weten vergoeding van smartengeld en vergoeding van shockschade, maar de rechtbank stelt vast dat beide schadeposten hun oorsprong vinden in dezelfde feitelijke handeling. Naar het oordeel van de rechtbank kan in dit geval niet op voldoende wijze worden onderscheiden welk deel van de door de benadeelde partij geleden schade aan smartengeld dan wel aan de shockschade dient te worden toegerekend. De gevolgen die de gebeurtenis voor het leven van de benadeelde partij heeft gehad, laten zich niet scherp van elkaar afbakenen. De rechtbank ziet hierin aanleiding de gevorderde schade naar redelijkheid te matigen en te verdelen over beide schadecategorieën.
Alles afwegende acht de rechtbank een totale vergoeding van € 20.000,- aan immateriële schade passend en billijk. De rechtbank zal dit bedrag als volgt verdelen:
  • smartengeld € 7.500,-;
  • shockschade: € 12.500,-.
De rechtbank zal deze bedragen vermeerderen met de wettelijke rente en tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vorderingen tot schadevergoeding (deels) wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partijen hebben gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen en toelichten van de vorderingen en begroot de kosten daarom op nihil.

8.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf, maatregel en beslissing op het beslag is zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- 36b, 36d, 36f, 38z, 45, 55, 57, 289 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder feit 1 en 2 bewezenverklaarde;
straf en maatregel
- veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 20 (twintig) jaren;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- legt een
gedragsbeïnvloedende maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrechtop;
beslag feiten 1 en 2
- onttrekt de volgende voorwerpen aan het verkeer:
25. 16 STK verdovende middelen (omschrijving: PL0900-2024326699-3420766);
26. 3 STK verdovende middelen (omschrijving: PL0900-2024326699-3420766);
- beslist tot teruggave van de volgende voorwerpen:
13. 1 STK kleding (omschrijving: PL0900-2024326699-3420370);
14. 1 STK kleding (omschrijving: PL0900-2024326699-3420375);
15. 1 STK telefoon (omschrijving: PL0900-2024326699-3420743);
16. 1 STK telefoon (omschrijving: PL0900-2024326699-3420745);
17. 1 STK telefoon (omschrijving: PL0900-2024326699-3420752);
18. 1 STK pet (omschrijving: PL0900-2024326699-3420731);
19. 1 STK kleding (omschrijving: PL0900-2024326699-3420739);
20. 1 STK schoenen (omschrijving: PL0900-2024326699-3420746);
21. 1 STK schoenen (omschrijving: PL0900-2024326699-3420747);
22. 1 STK geluidsdrager (omschrijving: PL0900-2024326699-3420749);
23. 1 STK kluis (omschrijving: PL0900-2024326699-3420755);
24. 1 STK telefoon (omschrijving: PL0900-2024326699-3420769);
33. 1 STK vest (omschrijving: PL0900-2024326699-G3420744);
34. 1 STK broek (PL0900-2024326699-G3420737);
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [nabestaande 1] (feit 1)
- wijst de vordering van [nabestaande 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 17.500,-;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [nabestaande 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling;
- wijst de vordering van [nabestaande 1] voor wat betreft het meer gevorderde af;
- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [nabestaande 1] aan de Staat € 17.500.- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 112 dagen gijzeling;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [nabestaande 2] (feit 1)
- wijst de vordering van [nabestaande 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 17.500,-;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [nabestaande 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling;
- wijst de vordering van [nabestaande 2] voor wat betreft het meer gevorderde af;
- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [nabestaande 2] aan de Staat € 17.500.- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 112 dagen gijzeling;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [nabestaande 3] (feit 1)
- verklaart [nabestaande 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1 en feit 2)
- wijst de vordering van [slachtoffer 1] aan materiële schade gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 6.579,22;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:
o over een bedrag van € 5.350,- met ingang van 14 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling;
o over een bedrag van € 459,22 met ingang van 1 mei 2026 tot de dag van volledige betaling;
o over een bedrag van € 770,- met ingang van 1 mei 2026 tot de dag van volledige betaling;
- wijst de vordering van [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer aan materiële schade gevorderde af;
- wijst de vordering van [slachtoffer 1] aan immateriële schade gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 20.000,- bestaande uit:
o € 7.500,- aan smartengeld;
o € 12.500,- aan shockschade;
- wijst de vordering van [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer aan immateriële schade gevorderde af;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling;
- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat
€ 26.579,22 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente zoals hierboven genoemd tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 182 dagen gijzeling;
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mrs. B.F. Hammerle en
S.M. van Meer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. mr. L. van Dieren als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.
De oudste rechter en de jongste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1hij op of omstreeks 14 oktober 2024 te Hilversum, in elk geval in Nederland,opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk,een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd,immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meerdere, althans een kogel(s) in/door het lichaam van die [slachtoffer 2] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;
feit 2hij op of omstreeks 14 oktober 2024 te Hilversum, in elk geval in Nederland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om[slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven,met een vuurwapen meerdere, althans een kogel(s), in het lichaam van [slachtoffer 2] heeft geschoten terwijl die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] samen in een auto zaten en/of in een kleine ruimte in de nabijheid van die [slachtoffer 1] heeft geschoten,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Bijlage II: Bewijsmiddelen [1]
Een
proces-verbaal van bevindingenvan 21 oktober 2024 waarin – zakelijk weergegeven – het volgende is gerelateerd:
Op 14 oktober 2024 te 17:26 uur er bij de Regionale Meldkamer Midden Nederland een 112 gesprek binnen.
Starttijd
Spreker
Tekst
00:02:14
Wat is er gebeurd bij jullie?
00:02:15
Ik ben met mijn vriend… aan het afspreken
00:02:17
We zitten gewoon te praten.
00:02:18
En ik zie een auto heel hard komen aan gassen.
00:02:20
En hij stapt uit.
00:02:22
En hij komt…
00:02:23
Hij pakt zijn geweer al geladen te pakken.
00:02:27
En hij begint van heel dichtbij te schieten.
00:03:35
Jij zei dat er een auto op je af kwam tijden
00:03:38
Ja, hij stapt uit.
00:03:40
En hij trekt zijn wapen gelijk.
00:03:42
En hij begint van dichtbij op hem te schieten
00:03:44
En misschien nog niet eens 2 meter door de ramen heen.
00:03:57
Weet jij wat voor auto dat geweest is?
00:03:57
Een toyota Yaris, licht grijs
00:04:11
Ik weet precies wie de jongen is en hoe hij eruit ziet
00:04:36
Weet jij wie dat is?
00:04:37
Ja
00:04:38
Wie is dat?
00:04:39
Hij wordt [bijnaam verdachte] genoemd.
00:04:41
Of [bijnaam verdachte] , het is een dealer.
00:05:14
Wat heeft hij gedaan, [bijnaam verdachte] ?
00:05:17
Hij heeft hem geschoten van dichtbij tien keer of zo.
00:05:23
Vanaf twee meter, zei je net, hè?
00:05:25
Ja, zoiets. Misschien zelfs minder.
In een
proces-verbaal van bevindingenvan 14 oktober 2024 – zakelijk weergegeven – is het volgende gerelateerd:
Mij verbalisant is het bekend dat Sportpark Crailoo een doorgaande weg betreft
komende vanaf de zijde Hilversum Noord in de richting van Bussum (Zuid).
Langs deze weg zitten onder andere diverse sportclubs gevestigd welke gelegen zijn
tussen heide en bos . Aan het einde van Sportpark Crailoo zit een parkeerplaats gelegen met een steile weg naar boven. Deze weg komt uit op de Zanderijweg in Bussum. Echter is deze weg op het hoogste punt middels een hek afgesloten en niet toegankelijk voor personenauto's. [2]
In een
proces-verbaalvan 14 oktober 2024 – zakelijk weergegeven – is het volgende gerelateerd:
Op maandag 14 oktober 2025, omstreeks 17:30 uur, hoorde ik de centralist van het Operationeel Centrum ons sturen richting Sportpark Crailo te Hilversum. Aldaar zou een schietpartij hebben plaats gevonden. [3] Ik zag meerdere verwondingen op de romp van het slachtoffer. Ik zag dat dit kleine ronde gaatjes waren van ongeveer 1 cm groot. Ik hoorde een collega roepen dat het slachtoffer een verwonding had aan zijn rechterkaak. Ik hoorde de collega zeggen dat dit ook een gat was van ongeveer 1 cm groot. Ik hoorde collega's zeggen dat het slachtoffer meerdere gaten had op zijn rug. Ik hoorde een collega zeggen dat het slachtoffer meerdere gaten hadin zijn bil. Op diezelfde dag, omstreeks 18:00 uur, hoorde ik het ambulance personeel zeggen dat het slachtoffer was overleden. [4]
Uit het
proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1]van 14 oktober 2024 volgt zakelijk weergegeven:
O: Vertel eens wat er is gebeurd alsjeblieft?
A: Ik zat in mijn auto met mijn vriend. We zaten een sigaretje te roken. Er komt een lichtgrijze Toyota Yaris aangereden. Hij was in zijn eentje. Ik zie hem uitstappen en hij had het wapen al in zijn hand en hij trekt dat ding zeg maar om te laden en hij begint van 1,5 meter ongeveer te schieten. Na de 2e, 3e kogel ben ik uitgestapt en weggerend en heb ik nog een paar kogels horen vliegen. Ik ben de heuvel opgerend.
V: Waar waren jullie met de auto?
A: Vallei Crailo.
V: Hoe ziet het eruit?
A: Het is een parkeerplaats. Voor mij zit een hek en bos . Je bent een beetje omringd door hek en bos . [5]
V: Je zei dat ‘hij’ altijd in die Toyota Yaris rijdt. Weet je wie 'Hij ‘ is?
A: Ja, [bijnaam verdachte] . Hij wordt ook wel eens [verdachte] genoemd. Zover ik weet haalde [slachtoffer 2] de laatste tijd wel eens hasj of snus of wat hij dan ook verkocht. Ik ken die jongen eigenlijk al van 2-2,5 jaar geleden.
V: Hoe laat kwamen jullie daar aan?
A: Ik denk dat we er 4 minuten stonden. We stonden er kort. Ik krijg het gevoel dat ik achtervolgd ben eigenlijk. Het kan niet zo zijn dat hij wist dat we daar waren. Er fietsen gewoon mensen met kindjes voorbij ook.
V: Wat weet je allemaal van hem?
A: Hij rijdt een toyota Yaris. Slank Hollandse jongen. Hij kleed zich als een straatrat. Hij had een petje op. Redelijk kort hard. Een halve kop kleiner dan ik. Hij had een donkere bovenkant aan. [6]
O: [slachtoffer 1] , we laten je nu een foto zien van een persoon en we willen graag van jou horen wie dit is oke?
A: ja.
O: verbalisanten tonen de foto die in de bijlage wordt toegevoegd
A: Dat is hem dat is hem.
O: Getuige word emotioneel en draait haar hoofd weg bij het scherm.
V: Wij gaan dat nu doorgeven. Voor de zekerheid, kan jij met zekerheid zeggen dat dit hem is?
A: Ja zeker, 100%.
V: Waar herken jij hem aan?
A: Aan zijn gezicht, de vorm, zijn wangen en een beetje ingevallen.
O: Getuige wijst haar jukbeenderen aan.
V: Heb je hem ook vanavond in zijn gezicht gezien?
A: Ja. [7]
V: Hij stapte uit en toen?
A: Hij stapt uit. Hij had het wapen in zijn rechterhand en hij deed zo en toen gebeurde het al.
O: Getuige maakt een beweging die lijkt op het doorladen van een pistool.
V: Je gaf net aan ongeveer 2 a 3 schoten en toen stapte jij uit?
A: Na 2-3 schoten gooide ik mijn deur open en ben ik weggerend ik ben nog uitgegleden in een modderpoel en toen ben ik doorgerend. Ik dacht als ik blijf zitten krijg ik er ook een door mijn hoofd. Dus ik dacht weg.
V: Je vertelde dat die jongen uitstapte, zijn pistool doorlaadde en toen? Richtte hij op iets of
iemand?
A: Hij richtte op die vriend van mij die naast mij zat in de auto. Hij richtte ongeveer 2 seconden op [slachtoffer 2] en toen begon hij te schieten. [8]
A: Het ging om snus wat gestolen was. Hij had snus en hasj gestolen laatst. Ze hebben daarom ruzie gekregen. Het was 2 weken geleden. Daarvoor had hij 3-4 keer hasj of snus bij hem gehaald. [slachtoffer 2] zei dat hij [bijnaam verdachte] niet mocht en zei van gaan we hem niet van zijn shit beroven? Dat zei hij in de vriendengroep. Toen uiteindelijk op een avond had hij afgesproken met [bijnaam verdachte] om snus te halen en toen heeft hij hem beroofd. Het was al goedgepraat. [bijnaam verdachte] had nog een heel geldbedrag op zijn hoofd gezet. 2200 euro. Uiteindelijk had [slachtoffer 2] weer een normaal gesprek met hem gehad. Toen was het weer gesust. Toen waren er andere mensen door [bijnaam verdachte] naar [slachtoffer 2] op zoek waren. En gister en eergisteren wilde [bijnaam verdachte] praten met [slachtoffer 2] . [bijnaam verdachte] wilde gister en eergisteren wel afspreken maar [slachtoffer 2] wilde dat niet. [9]
Uit het
proces-verbaal van aanvullend verhoor van [slachtoffer 1]van 22 oktober 2024 volgt zakelijke weergegeven:
V: Kun je vertellen hoe de dag van 14 oktober 2024 voor jou is gegaan? Neem mij eens mee in hoe jouw dag vanaf 's ochtends tot aan het incident is verlopen?
A: Ik was bij [slachtoffer 2] thuis eigenlijk. Ik merkte aan de sfeer dat het niet echt een fijn belletje was. Volgens mij was het iets over dat hij moest gaan praten met [bijnaam verdachte] of met [verdachte] in ieder geval. Dat wou [slachtoffer 2] niet. Toen was er opgehangen. [10]
V: Heeft [slachtoffer 2] nog verteld wie hij aan de lijn heeft gehad?
A: Nee. Ik heb het vermoeden dat het een van die jongens was die er die avond bij is geweest dat ze [bijnaam verdachte] hebben geript.
V: Wie hebben ze geript van zijn spullen?
A: [slachtoffer 2] , heeft met twee andere [bijnaam verdachte] geript van zijn spullen.
V: Hoe wis jij dat het gesprek ging over dat [slachtoffer 2] moest gaan praten met [bijnaam verdachte] ?
A: Omdat [slachtoffer 2] geïrriteerd was en zei dat hij niet met hem wilde praten en dat hij genoeg kansen had gehad.
V: Hoe weet jij dan dat dat telefoongesprek over [bijnaam verdachte] ging?
A: Ik weet dat hij in de weken daarvoor bedreigd werd vanuit allerlei kanten. Voor mij was het snel duidelijk dat het om dit ging. [11]
V: Oke, jullie stonden daar geparkeerd in de auto. Vertel nog eens wat er toen gebeurde?
A: Wij zaten in de auto. Ik zat aan de bestuurderszijde, [slachtoffer 2] zat op de passagiersstoel. Er kwam een auto rechts aangereden met redelijke snelheid. De laatste meters was die deur al open en stapte hij uit en zie ik hem haf on de deur lopen, laadt hij het pistool door en begint schuin ter hoogte van het voorwiel van mijn auto te schieten op [slachtoffer 2] tussen het raam door. Het raam stond redelijk ver open. [bijnaam verdachte] stond toen denk ik op een 1-1,5 meter afstand.
V: En toen?
A: Ongeveer bij het 2e 3e schot heb ik mijn autodeur opengegooid, gleed ik nog uit, ben ik de helling opgerend richting [naam] in Bussum.
V: En toen?
A: Halverwege die helling hoorde ik hem achter mij wegrijden eigenlijk. Daartussen waren nog een paar schoten. Ik denk 8-10 schoten in totaal. Ik ben verder omhoog gerend de helling op en heb de eerste de beste fietser tegen gehouden om te bellen naar 112. [12]
V: Weer even terug naar het incident Je zei dat hij, [bijnaam verdachte] , zijn deur al open had. Hoe zag je dat?
A: Ja, hij kwam redelijk hard aanrijden en op het laatste moment remde hij een beetje en in de laatste paar kilometers dat hij remde gooide hij zijn deur al open zodat hij gelijk uit kon stappen.
V: Deed hij dat ook?
A: Ja. [13]
V: Wat gebeurde er op dat moment met jou?
A: Ik zat ernaast. Ik zat in shock denk ik. Ik bevroor. Na het 2e, 3e schot dacht ik, ik moet weg.
V: Waar was je bang voor op dat moment?
A: Ik was ook wel bang dat hij op mij zou schieten eigenlijk.
V: Je bent de auto uit gevlucht want?
A: Ik was bang dat hij ook op mij zou schieten. [14]
V: Wat denk jij dat de reden is dat [slachtoffer 2] is doodgeschoten?
A: Ja, ik denk dat het echt gaat om wat er is gestolen en dat [slachtoffer 2] hem een paar klappen heeft
uitgedeeld. Ik denk dat het daar om gaat. Moet ik zeggen dat er veel verhalen rondgaan op het nieuws maar ook op TikTok. Ik hoor op straat dat er een video is van [bijnaam verdachte] die in zijn onderbroek naar huis moest gaan. Er gaan genoeg verhalen rond. Ook dat ik 1000 euro heb betaald gekregen. Dat ik hem in een setup heb gelokt. Het zijn verhalen die rondgaan maar die niet van mij als getuige komen.
V: Wat heeft [slachtoffer 2] je vertelt over de ripdeal?
A: Dat hij twee dozen snus, wat hasj, zijn jas hadden gestolen en zijn sleutels hadden weggegooid. Ook had [slachtoffer 2] hem wat klappen gegeven. Hoeveel klappen weet ik niet want daar heb ik niet naar gevraagd.
V: Waar en wanneer heeft die ripdeal plaatsgevonden?
A: Dat was bij [locatie] , bij de brandweer daarachter, en het was ongeveer 2 weken voordat [slachtoffer 2] werd doodgeschoten ongeveer. [15]
V: Was [slachtoffer 2] bang?
A: Ja. [16]
Uit het
proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1]van 22 oktober 2024 volgt zakelijke weergegeven:
A: We zagen aan het einde van die heuvel aan de rechterkant twee auto’s. Een grijze en een zwarte. We zagen een man bij een van de auto’s. Hij stond met zijn rug naar ons toe. Hij stond bij de auto. Het raam stond open van de auto. Wij hoorden geluiden. Het waren wel een soort van knallen. 3 of 4. We zagen een meisje die rende weg van de auto. Hij was in de grijze auto gestapt. [17]
V: Wat kan je nog meer vertellen over die auto?
A: Het raam stond open waar die man naast stond. Volgens mij links voor waar het stuur zit. Er kwam een meisje of jonge vrouw. Ik weet niet hoe oud ze was misschien 16 of 18 jaar uit de auto. Dat was aan de andere kant dan waar die man stond. Zij ging toen een beetje naar boven rennen. De weg waar wij vandaan kwamen die kant rende zij op.
V: Wat kan je vertellen over de persoon die naast de auto stond?
A: Die man.. Het was een volwassen man. Ik zag hem op zijn rug. Ik kon niet goed zien wie het precies was. Hij stond bij het raam. Toen kwamen de knallen dus ik denk wel dat hij aan het schieten was. [18]
V: Op welk moment hoorde je die knallen?A: Het gebeurde eigenlijk allemaal wel een beetje op hetzelfde moment. Toen het meisje eruit rende toen hoorde je ook die knallen.
V: Wat kan je vertellen over deze auto?
A: Ik zag alleen dat die man in de auto was en dat hij snel reed. [19]
In een
proces-verbaal van bevindingen met de daarbij horende fotobijlagevan 18 oktober 2024 – zakelijk weergegeven – is het volgende gerelateerd:
Op 15 oktober 2024 werd verdachte [verdachte] aangehouden. De verdachte
werd aangehouden op het moment dat hij in zijn voertuig reed, een Toyota Yaris voorzien van het kenteken [kenteken] . [20]
In een
proces-verbaal van bevindingenvan 8 november 2024 – zakelijk weergegeven – is het volgende gerelateerd:
Op 15 oktober 2024 vond op de [adres] te [woonplaats] een doorzoeking plaats waarbij een recorder van een camerasysteem in beslag werd genomen. Uit de opgeslagen gegevens afkomstig van de recorder bleek dat er opgenomen camerabeelden waren van 14 oktober 2024. De tijd die getoond word op de opnamen ongeveer 1 uur en 10 minuten achterloopt op de werkelijke tijd. Dat betekent dat er bij ieder benoemd en getoond fragment in dit proces-verbaal nog 1 uur en 10 minuten bij op geteld dient te worden. Ik heb alle relevante beeldopnamen omschreven en voorzien van een schermafbeelding.
Foto 13: [nummer] , 14-10-2024, 14:17:00
Verdachte pakte met zijn rechterhand een voorwerp uit zijn jas en plaatst deze in zijn broeksband, ter hoogte van zijn buik. Door middel van de inzoomfunctie is te zien dat het voorwerp een vuurwapen betrof, of gelijkend daarop.
Foto 14
Verdachte pakt het vuurwapen met zijn rechterhand. [21]
Foto 15
Verdachte brengt het vuurwapen richting zijn lichaam.
Foto 16
Verdachte heeft het vuurwapen voor zijn lichaam vast en brengt het naar zijn rechterzijde met de loop van het vuurwapen naar beneden gericht. [22]
Foto 17
Verdachte brengt het vuurwapen in een verticale positie waarbij de kolf van het vuurwapen naar achteren steekt.
Foto 18
Verdachte plaatst het vuurwapen in, vermoedelijk zijn broeksband. [23]
Foto 19
Verdachte trekt de onderkant van zijn shirt omhoog en laat hem vervolgens los wat sterk
doet vermoeden dat hij het shirt over een voorwerp, in dit geval het vuurwapen, heen plaats.
Foto 20
Verdachte trekt vervolgens de jas aan die eerder op de bank lag. [24]
Foto 21, [nummer] , 14-10-2024, 14:22:02 uur
Verdachte verlaat zijn woning. De verdachte is gekleed in een zwart gewatteerde jas,
voorzien van capuchon van het merk “The North Face”. Dit merk is te herkennen aan het witte logo rechtsachter op de rug. De verdachte droeg zwarte sportschoenen en een donker,
paarskleurige joggingbroek. [25]
In een
proces-verbaal van bevindingenvan 7 november 2024 – zakelijk weergegeven – is het volgende gerelateerd:
In het voertuig, die op naam staat van de verdachte, is na zijn aanhouding onderzoek verricht. In het voertuig is een iPhone 14 aangetroffen. De telefoon werd overgedragen aan het Digitaal Platform voor onderzoek. Uit onderzoek is gebleken dat de simkaart van telefoonnummer [telefoonnummer] in de iPhone 14 zat. Uit CIOT-bevraging van telefoonnummer [telefoonnummer] is gebleken dit telefoonnummer op naam staat van verdachte [verdachte] . [26]
14 oktober 2024: contact gsm-masten voor, tijdens en na het incident
In de gevorderde gegevens is te zien dat het IMEI-nummer [IMEI-nummer] op 14 oktober 2024 om 17:25 uur verbinding wordt gemaakt met de mast gestationeerd op [adres] te Hilversum. Dit ligt hemelsbreed circa 1860 meter van de locatie van het schietincident De locatie van het schietincident is alleen te bereiken via de straat Nieuwe Crailoseweg. De mast gestationeerd op [adres] te Hilversum wordt op 658 meter gepasseerd om bij de locatie van het schietincident te komen. [27]
Uit het
proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2]van 25 oktober 2024 volgt zakelijke weergegeven:
Laatst stond er een jongen voor de deur en die wilde de camerabeelden bekijken. Het was een jonge jongen met blond haar. Hij zei dat hij was overvallen op het pleintje. Hij vertelde dat hij was beroofd van zijn telefoon, zijn sleutelbos, wat geld en hij had het over handel. Hij vertelde duidelijk dat hij op zoek was naar wie dat had gedaan want hij liet ze er niet mee wegkomen. Ik heb toen gekeken en op mijn camerabeelden zag je 3 jongens. Op 02:20 uur kwam er een auto voorbij en reed richting de parkeerplaats en een aantal minuten later zag je 3 mannen voorbij rennen. Ze renden weer terug waarvan de auto vandaan was gekomen. [28]
V: Hij bekijkt de beelden bij jou, herkende hij zichzelf op de beelden?
A: Hij vertelde mij wel dat de auto die voorbij kwam om 02:20 uur dat ben ik die aankomt. Hij zei dat hij dat was die met de auto aankwam en dat zij hun sleutels hadden gepakt.
V: Heeft hij wel duidelijk gezegd dat die 3 mannen hem hadden beroofd?
A: Ja.
V: Die jongen die bij jou in de woning stond, zou je zijn signalement kunnen omschrijven?
A: Als ik een schatting moet maken zou ik zeggen tussen de 18 en 21/23 jaar.
Hollandse jongen was het, blond haar. Zijn haar was niet zolang. Ik gok een centimeter of 5 a 6. Zijn haardracht gewoon, een beetje gel erin denk ik. Het was een lange jongen. Ik denk dat hij ongeveer 1.85 cm was, minimaal 1.75. Hij had een slank postuur. Hij had een beetje jeugdpuistjes. [29]
Heeft u die camerabeelden ook aan hem geleverd?
A: Ja, ik heb hem dat stukje laten filmen met zijn telefoon.
V: Op een moment zegt hij: Ik weet wie het zijn en ik ga ze pakken”.
A: Hij wist wie er verantwoordelijk was voor wie hem had beroofd en dat ze er niet mee weg zouden komen. Ik probeer het mij zo goed mogelijk te herinneren. Hij liet duidelijk aan mij weten dat degene die dit had gedaan bij hem hier niet mee weg zou komen. Hij heeft niet gezegd op welke manier. Ik merkte wel duidelijk dat de persoon die dit had gedaan laat ik het weten dat ik dit niet pik.
V: Hoe liet hij dat zo duidelijk merken?
A: Hij kwam heel overtuigd over. De rust ook die hij uitstraalde. [30]
In een
proces-verbaal van bevindingenvan 24 oktober 2024 – zakelijk weergegeven – is het volgende gerelateerd:
Naar aanleiding van een dodelijk schietincident binnen dit onderzoek zijn diverse telefoons in beslag genomen waaronder een Apple Iphone 15, waarvan de vermoedelijke gebruiker het overleden slachtoffer betrof. [31]
CHATS
Chat met contact “ [contactnaam] "
Afzender
Tijdstip
Inhoud
[contactnaam]
3-10-2024 11:52:41
Ja bro wat moet ik zeggen ik Kan we iemand voor je gaan kijken die met je mee wilt van cs vro ik heb geen zin meer
[slachtoffer 2] (owner)
3-10-2024 11:53:38
Niffo dan moet je toch nie eerst ja zeggen je zegt ja Ik denk al met soma samen is maar assie bro ik race geen coke ofso Is geen rare ripdeal
[slachtoffer 2] (owner)
3-10-2024 11:53:48
Man denkt ik ga halen van hem zoals normaal
[slachtoffer 2] (owner)
3-10-2024 11:53:52
En dan nakken
[contactnaam]
7-10-2024 10:21:32
Gaat het goed bro
[slachtoffer 2] (owner)
7-10-2024 10:25:48
Nee nie echt torrie blijft circuleren door me hoofd
[slachtoffer 2] (owner)
7-10-2024 10:25:59
Spijt komt altijd achteraf [32]
In een
proces-verbaal van bevindingenvan 24 oktober 2024 – zakelijk weergegeven – is het volgende gerelateerd:
Uit dit onderzoek bleek dat de gebruiker van deze telefoon, slachtoffer [nabestaande 1] , op 5 oktober 2024 in de nachtelijke uren vermoedelijk contact heeft gehad met de verdachte [verdachte] . Dit bleek uit het feit dat [nabestaande 1] berichten ontving van het nummer [telefoonnummer verdachte] en dat zij een afspraak maakte bij [locatie] te Hilversum. Uit de berichtgeving van 6 oktober bleek dat [verdachte] aan het slachtoffer [nabestaande 1] zijn sleutel terug vroeg. [nabestaande 1] gaf hierbij aan dat hij die had weggegooid. Hiermee word bevestigd dat er daadwerkelijk iets heeft plaats gevonden op 5 oktober 2024 tussen het slachtoffer [nabestaande 1] en verdachte [verdachte] . Gezien de verdere berichtgeving op deze telefoon bleek het te gaan om een “race” van snus, oftewel een diefstal. [33]
In een chat tussen het contact “ [contactnaam 1 verdachte] " en het slachtoffer “ [slachtoffer 2] ” bespreken zij op 5 augustus 2024 over een “race". [slachtoffer 2] stelt voor aan [contactnaam 1 verdachte] dat hij hem moet connecten. [contactnaam 1 verdachte] stelt dat [slachtoffer 2] dat moet doen omdat het zijn “race” is. Het is mij ambtshalve bekend dat het woord “race” in dergelijke gevallen gebruikt word om aan te geven dat iemand geript, dan wel bestolen word. Hierbij word het contact “ [contactnaam 2 verdachte] ” gedeeld. Dit contact werd eerder in deze telefoon aangetroffen met een bijbehorend telefoonnummer die gebruikt werd door de verdachte [verdachte] .
Afzender
Tijdstip
Inhoud
[contactnaam 1 verdachte]
16:01:28 uur
Shared a contact “ [contactnaam 2 verdachte] ”
[slachtoffer 2]
16:03:24 uur
Connect jij hem beste
[contactnaam 1 verdachte]
16:03:42 uur
Voor wat moet ik hem conecten. Is jou race
[slachtoffer 2]
16:03:51 uur
Ja maar een hollander. Die takt is beter. Met memo enzo.
[contactnaam 1 verdachte]
16:04:02 uur
Ik tak wel o Jouw of […] zn tellie
[slachtoffer 2]
16:04:14 uur
Aii
[contactnaam 1 verdachte]
16:04:18 uur
Heb geen zin in dat ik raar annoniem gebeld ga worden enz
[slachtoffer 2]
16:04:27 uur
[…] zegt isgoed. Ja ik ook nie
Afbeeldingen
Op 5 oktober 2024 te 02:00:15 uur is er een foto gemaakt met deze telefoon. De locatie werd niet vastgelegd in de metadata van de foto. Uit onderzoek bleek dat deze foto is gemaakt op de openbare weg te [locatie] te Hilversum. Dit betreft de locatie waar de vermeende rip-deal heeft plaatsgevonden.
Op 6 oktober 2024 te 21:39 uur werd er een schermafbeelding gemaakt van een WhatsApp gesprek met een onbekend contact. Het telefoonnummer van dit contact betreft [telefoonnummer C] . De inhoud van dit bericht had een bedreigend karakter jegens de ouders van het slachtoffer [slachtoffer 2] . Uit het politiesysteem bleek dat de gebruiker van dit getoonde telefoonnummer, [telefoonnummer C] , [C] , geboren op [2006] betrof.
Afzender
Tijdstip
Inhoud
[telefoonnummer C]
21:17
[contactnaam 1 verdachte] ik sta Lidl
21:17
Kom naar hier
21:17
Of wil je dat die gezeik met je ouders opnieuw gebeurt?
21:17
Wees man kom naar hier
21:20
Ik geef je tot 22:00 anders ga ik naar je moeder de deur
21:20
Aan jou de keus
21:31
Wil je echt dat ik je ouders ga houden nu? [34]
Op 13 oktober 2024 te 16:05 uur werd er tweetal schermafbeeldingen gemaakt van een WhatsApp gesprek.
Afzender
Tijdstip
Inhoud
+dachte aangeeft
15:42 uur
[slachtoffer 2] , [A] en [B]
Jullie identiteiten, adressen en geschieden is bekend bij ons. Ook dat je moeder ziek is. ALLES!
Jullie krijgen 1 hele goedkope kans om voor volgende week vrijdag [slachtoffer 2] €5000,- te laten brengen naar een station die wordt aangegeven. En dit op te lossen!
Doen jullie dit niet zal dit bedrag verhoogd worden en zullen er consequenties gaan plaatsvinden op de adressen die bekend staan.
Bij geen reactie op dit bericht of geen medewerking wordt direct alles doorgezet en zal er geen onderhandeling meer mogelijk zijn.
Jullie doen jullie ding, maar ken de consequenties als het fout gaat. Boontje komt om ze loontje.
Ontvanger
15:48
Bro je moet hun zelf ccen ik heb niks met hun te maken ik heb dat vaker uitgelegd wees bij die jongens niet bij mij rustig
[telefoonnummer]
16:04
Dat is jou probleem. Jij hebt die jongen gelokt. Jou moeders huis wordt opgeblazen.
U hebt dit bedrijf geblokkeerd [35]
Telefoonmeldingen
Op 5 oktober 2024 ontving het toestel diverse notificaties met daarin korte berichten van het
nummer [telefoonnummer] , met daarin de volgende berichten, namelijk;
Tijdstip
Inhoud
16:44:15
Hallo broer alles goed? Ik heb nagedacht over gister vond het niet zo tof. Ik zou echt me autosleutels terug willen. Ik kan je 1000 geven ervoor. Die snus en alles mogen jullie houden. Heb ze echt nodig.
17:17:45
hebben jullie de sleutel nog?
17:18:22
Hoe ik al zei heb m echt nodig kan je betalen ervoor
17:39:19
Gemiste spraakoproep
17:39:22
?
17:54:59
Waarin amsterdam?
17:55:08
Moet even vervoer regelen.
22:32:01
Broeder jij maakt een grote fout dat je zo met die jongen praat.
22:32:22
Zoek hem op bro
22:32:25
Bel hem
22:32:28
Beste bro
22:34:19
Je weet niet met wie je belt bro
Op 6 oktober 2024 ontving het toestel diverse notificaties met daarin korte berichten van het
telefoonnummer [telefoonnummer] , met daarin het volgende bericht, namelijk;
13:38:36 : We kunnen jou hier ook buiten laten. Die jongen die jullie hebben bestolen werkt voor een organisatie. Wij hebben info nodig. We gaan hoe dan ook op jullie jagen en zullen jullie vinden. Als je meewerkt zullen er geen consequenties aan hangen voor jou.
Op 6 oktober 2024 ontving het toestel diverse notificaties met daarin korte berichten van het
nummer [telefoonnummer] , met daarin het volgende bericht, namelijk;
13:38:36: Je wilt nu stil zijn he kk flikker. Jij weet echt niet met wie jullie te maken hebben. Stelletje kruimeldieven voor 2 dozen snus. We gaan jullie vinden en geloof me al hadden jullie 100k van die jongen gepakt was dat het niet eens waard. [36]
In een
proces-verbaal van bevindingenvan 31 oktober 2024 – zakelijk weergegeven – is het volgende gerelateerd:
Op 14 oktober 2024 werd door het team Forensische Opsporing een Apple iPhone 15 uit
de fouillering van slachtoffer [slachtoffer 2] in beslag genomen. Uit onderzoek van de telefoon is
gebleken het telefoonnummer [telefoonnummer slachtoffer 1] hieraan gekoppeld is. Uit CIOT-bevraging van telefoonnummer [telefoonnummer slachtoffer 1] is gebleken dat het slachtoffer [slachtoffer 2] gebruiker is. [37]
In verband met het onderzoek is gekeken naar de historische verkeersgegevens telefonie. De
gevorderde gegevens is door het onderzoeksteam geanalyseerd en hieruit is het volgende
bevonden:
4/5 oktober 2024: contact gsm-masten voor, tijdens en na RIP deal
Op 4 oktober 2024 van 18:54 uur tot 03:22 uur wordt er met het telefoonnummer van het slachtoffer verbinding gemaakt met diverse masten gestationeerd in Hilversum. Om 18:54 uur, 23:57 uur, 00:56 uur, 02:02 uur en 03:22 uur wordt er verbinding gemaakt met de mast gestationeerd op [adres] te Hilversum. Om 22:47 uur, 01:07 uur, 02:31 uur wordt er verbinding gemaakt met de mast gestationeerd op [adres] te Hilversum. Deze twee masten zijn gestationeerd in de buurt van [locatie] (mogelijke locatie RIP-deal). [38]
In een
proces-verbaal van bevindingenvan 24 december 2024 – zakelijk weergegeven – is het volgende gerelateerd:
Op 21 oktober 2024 deed een politiemedewerkeronderzoek naar een smartphone
van het merk Apple Iphone 14 die in beslag is genomen. Gedurende het onderzoek is de toegangscode van deze telefoon achterhaald. [39]
Ik zag de volgende gebruikersinformatie in de telefoon:
• Telefoonnummer : [telefoonnummer]
“Selfie” foto's
Gezien bovenstaande informatie is het aannemelijk dat genoemd telefoon in gebruik is bij verdachte [verdachte] . [40]
Rip-deal 5 oktober 2024
Ik, verbalisant, zocht in de oproepgeschiedenis tussen 4 oktober 2024 en 6 oktober 2024. Ik trof onderstaand resultaat. De duur van de oproepen werd niet geregistreerd.
To: [telefoonnummer slachtoffer 1]
5-10-2024, 17:38:46(UTC+2)
To: [telefoonnummer slachtoffer 1]
5-10-2024, 17:17S6(UTC+2)
To: [telefoonnummer slachtoffer 1]
5-10-2024, 17:16:37(UTC+2)
Hieruit bleek dat verdachte [verdachte] op 5 oktober 2024 onder andere telefonisch contact heeft gehad met het telefoonnummer [telefoonnummer slachtoffer 1] . Dit nummer werd destijds gebruikt door het slachtoffer [slachtoffer 2] . [41]
Video’s
Videobestand 1 : Toegevoegd op de telefoon op 8 oktober 2024 te 11:21:50 (UTC+0).
Ik, verbalisant, herken op de beelden de straat [locatie] te Hilversum. Gezien de getoonde datum en tijdstip en de drie rennende personen in beeld betreft dit een beeldopname van kort na de gepleegde rip-deal op 5 oktober 2024 te [locatie] Hilversum. [42]
Notities
Notitie 2
Aanmaak datum
Aanpasdatum
[slachtoffer 2] , [A] en [B]
Jullie identiteiten, adressen en geschiedenis is bekend bij ons. Ook dat je moeder ziek is.
ALLES!
Jullie krijgen 1 hele goedkope kans om voor volgende week vrijdag [slachtoffer 2] €5000,- te laten brengen naar een station die wordt aangeven. En dit op te lossen!
Doen jullie dit niet zal dit bedrag verhoogd worden en zullen er consequenties gaan plaatsvinden op de adressen die bekend staan.
Bij geen reactie op dit bericht of geen medewerking wordt direct alles doorgezet en zal er geen onderhandeling mogelijk meer zijn.
Jullie doen jullie ding, maar ken de consequenties als het fout gaat. Boontje komt om ze loontje. [43]
13-10-2024
11:38:40 (UTC+0)
13-10-2024
12:17:46 (UTC+0)
In een
proces-verbaal van bevindingenvan 21 oktober 2024 – zakelijk weergegeven – is het volgende gerelateerd:
Ik deed onderzoek naar onderstaande telefoon, een iPhone 15. Hieruit kwamen onder andere de volgende gegevens;
Merk: Apple
Type: Iphone
Model: 15
Last used MSISDN: [telefoonnummer]
Eerdere MSISDN: [telefoonnummer] , [telefoonnummer]
De onderzoeksvragen luiden als volgt:
-
Is de verdachte bij wie de telefoon is aangetroffen ook als gebruiker van de telefoon aan te merken?
-
Welke gebruikersaccounts staan er allemaal op de telefoon en naar welke gebruikersaccounts wordt er verwezen?
Tijdens het onderzoek in de telefoon werden zogenaamde recente ‘selfie’s van de verdachte aangetroffen. Hierop zijn geen andere personen zichtbaar. Het is aannemelijk dat de verdachte deze telefoon dus in gebruik heeft. [44]
Tijdens het onderzoek in de telefoon werden de volgende gebruikersaccounts aangetroffen:
Whatsapp account met [Whatsapp user ID verdachte] als ‘UserID’
Signal account ‘ [Signal account naam verdachte] ’ tevens gekoppeld aan telefoonnummer [Whatsapp user ID verdachte]
Snapchat account: ‘ [Snapchat account naam 1 verdachte] ’
Snapchataccount: ‘ [Snapchat account naam 2 verdachte] '
Snapchataccount: ‘ [Snapchat account naam 3 verdachte] ’
Snapchataccount: ‘ [Snapchat account naam 4 verdachte] ’
Snapchataccount: ‘ [Snapchat account naam 5 verdachte] ’
Uit een snapchatgesprek tussen [Snapchat account naam 1 verdachte] (account op de telefoon) en ‘ [Snapchat account naam 1] ’ blijkt dat de gebruiker van de account [Snapchat account naam 1 verdachte] en [Snapchat account naam 5 verdachte] vermoedelijk dezelfde persoon zijn:
Afzender
Inhoud
[Snapchat account naam 4 verdachte]
Yo dit is die jongen
[Snapchat account naam 2]
welke jongen
[Snapchat account naam 4 verdachte]
Die van hi
[Snapchat account naam 4 verdachte]
Je weet welke
[Snapchat account naam 2]
watte
[Snapchat account naam 4 verdachte]
[Snapchat account naam 5 verdachte]
[Snapchat account naam 4 verdachte]
Ge
[Snapchat account naam 2]
Wat
[Snapchat account naam 4 verdachte] :
[Snapchat account naam 5 verdachte] gast
[Snapchat account naam 4 verdachte] :
Hilversum
[Snapchat account naam 2] :
Wat S mee
[Snapchat account naam 4 verdachte] :
Ben ik bro
[Snapchat account naam 4 verdachte] :
Nieuwe ac [45]
Er wordt tevens reclame gemaakt voor snapchataccount ‘ [Snapchat account naam 5 verdachte] ’ om de verkoop van Snus te promoten onder de klantenkring die opgeslagen staat in de telefoon. Bekend is dat de verdachte handelt in Snus.
Door bovenstaande informatie is het zeer aannemelijk dat de verdachte, [verdachte] , gebruiker is van de onderzochte telefoon en daarmee de genoemde gebruikersaccounts beheert en gebruikt. [46]
In een
proces-verbaal van bevindingenvan 17 oktober 2024 – zakelijk weergegeven is het volgende gerelateerd:
De officier van justitie van het parket Midden-Nederland gaf toestemming voor onderzoek aan de telefoon, een iPhone 15. Deze iPhone werd uitgelezen door het digitale platform van de politie. Hieruit kwamen onder andere de volgende gegevens;
Merk: Apple
Type: Iphone
Model: 15
Last used MSISDN: [telefoonnummer]
Eerdere MSISDN: [telefoonnummer] , [telefoonnummer] [47]
Belangrijke notitie
Notitie “ [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] )” - 5 Oktober 2024
[slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] )
[telefoonnummer slachtoffer 1]
[straat] , amsterdam.
Utrecht niet bekend
grijze bmw station
[…]
[A]
[adres]
Foto betreft een foto van het slachtoffer “ [slachtoffer 2] ”. [48]
In een
proces-verbaal van bevindingen met de daarbij horende afbeeldingenvan 1 november 2024 – zakelijk weergegeven – is het volgende gerelateerd:
Ik deed onderzoek naar een smartphone, namelijk een iPhone 8.
Gegevens telefoon
Bij het openen van de data uit de telefoon zag ik de volgende informatie:
Detected Phone Model: iPhone 8
Last used MSISDN: [telefoonnummer C] [49]
Chatgesprekken
Signal Chat tussen + [Whatsapp user ID verdachte] [Signal account naam verdachte] , en [telefoonnummer C] […]
Nr
Van
Datum en tijd
Inhoud
13
+ [Whatsapp user ID verdachte] [Signal account naam verdachte]
7-10-2024 20:45:41 (UTC+0)
Bro ik zit te denken
14
+ [Whatsapp user ID verdachte] [Signal account naam verdachte]
7-10-2024 20:45:48(UTC+0)
Als we echt iets geks ervan
gaan maken
15
+ [Whatsapp user ID verdachte] [Signal account naam verdachte]
7-10-2024 20:45:54(UTC+0)
Kunnen we o pakken
16
+ [Whatsapp user ID verdachte] [Signal account naam verdachte]
7-10-2024 20:46:06(UTC+0)
En dan bellen we
17
[telefoonnummer C] […]
7-10-2024 20:46:08(UTC+0)
O?
18
+ [Whatsapp user ID verdachte] [Signal account naam verdachte]
7-10-2024 20:46:10(UTC+0)
[slachtoffer 2]
29
+ [Whatsapp user ID verdachte] [Signal account naam verdachte]
7-10-2024 20:47:32(UTC+0)
Eerst gaan we [slachtoffer 2] pakken
30
+ [Whatsapp user ID verdachte] [Signal account naam verdachte]
7-10-2024 20:47:35(UTC+0)
En stilzette
31
+ [Whatsapp user ID verdachte] [Signal account naam verdachte]
7-10-2024 20:47:45(UTC+0)
Daarna bellen we 1/2 boys die er bij waren
32
+ [Whatsapp user ID verdachte] [Signal account naam verdachte]
7-10-2024 20:47:52(UTC+0)
[slachtoffer 2] gaat daar aan meewerken
33
+ [Whatsapp user ID verdachte] [Signal account naam verdachte]
7-10-2024 20:47:57(UTC+0)
Anders gaat die voelen
38
[telefoonnummer C] […]
7-10-2024 20:48:35(UTC+0)
Ja maar als je die boys laat komen naar Hilversum weten ze al Hoelaat het is
Mediabestanden
Verder zag ik een videobestand waarbij een telefoon werd gefilmd terwijl een door een
(vermoedelijk) snapchat gesprek werd gescrold. Ik heb de tekst die ik in het videobestand zag hieronder uitgewerkt.
Nr
Naam
Inhoud
1
Ik
Jij bent
[slachtoffer 2] toch
Uit oost
Reageer dam
Je bent toch ripper
Waarom reageer je niet
2
Ik
Jij gaat deraN
5
[slachtoffer 2]
Ewa gaan we normaal praten met elkaar
Of we gaan we bood doen tegen elkaar
Wan tik ben dit gezeik een beetje zat
En jij zelf ook
6
Ik
Bro gaat niet om boos doen
Ik werk eerlijk
Jullie stelen
7
[slachtoffer 2]
Ik heb je al vaker verteld
Ja je hebt gelijk we hebben gesloten van je
Zoal ik je zei
8
Ik
Dat is onrecht
Dat betekent
Dat ik per direct in mijn recht sta
Daarbuiten gaat het
Nu niet alleen maar om mij
Maar er zijn ook andere mensen bij betrokken
9
[slachtoffer 2]
Hoe het ging mij is er ged beloofd ik ken jou
Niet ikweet niet wie he bent maar ben genaaid
Heb zelf niks gekregen die boys hebben alle Snus mee
20
Ik
Ik ben echt niet para op jou of iets dergelijks
Klaarblijkelijk geven hun ook niet om je
Dus heb ik niets aan jou
Als je me begrijpt
Broe wie was diegene die mij hoeken gaf
Pk toch?
21
[slachtoffer 2]
Niffo ik ben niet van deze dingen je weet toch
In het verleden ik heb gezeten ik heb zulke Dingen gedaan maar ben nu volwassener ik Ben pas 21 ik ben niet zo oud
Pk
27
[slachtoffer 2]
Daarom heb ik je proberen te helpen
28
Ik
Beste
29
[slachtoffer 2]
Door je sleutels te zoeken enzo
30
Ik
Jij weet ook niet waar die is he
31
[slachtoffer 2]
Heb je hem gevonden
32
Ik
Sta al 3/4 dagen Te zoeken
33
[slachtoffer 2]
Bro ikzweer het je
37
[slachtoffer 2]
Ik heb hem gegooid daar
Als ik hem had
Zou ik hem wel geven anders
Ander zeg ik die plek nie
46
Ik
Bro wees gewoon eerlijk
Wie ben jij van de 3
47
[slachtoffer 2]
Bro ik ben gwn op torie gegooid
Ken niks niemand
Ik ben gwn geplaft
Eindstand
50
Ik
Bro jij bent de enige die matje heeft toch
53
[slachtoffer 2]
Heb gwn krullen achter
Gwn strak naar achter
Broer ik ben van die foto
Die overal rondgaat
54
Ik
Jij pomperde me toch
Bro 2 boys stinden
Te wachten
55
[slachtoffer 2]
Nee
56
Ik
Bro een iemand van dan die steeds
2 boys stonden rechts
Was jij1 van die 2
57
[slachtoffer 2]
Ik gaf jou een klap
60
Ik
Gaf je mij 1 klap of meerdere
Eerlijk broer
Wat gaat geneure is geen grap
61
[slachtoffer 2]
1 klar broer derest was storen
Stoten
67
[slachtoffer 2]
Ik kan kijken voor je
Ik ga ff rondvragen
Maar die belletjes moeten ff gepleegd
Worden bro
Ik ga me best doen om fotos te vinden
Van ze
Als ik wat heb stuur je wel
68
Ik
Fix bro jij wordt erbuiten gelaten
Alleen bro ik ben eerlijk
69
[slachtoffer 2]
Het was vies
70
Ik
Jullie denken dat ik snoepje ben
71
[slachtoffer 2]
Bro daar gaat het nie om
Maar niemand heeft zin in beef
Iedereen wilt geld verdienen ewa wij hebben
Wat doms gedaan
72
Ik
je gaat zien wat er met ze gaat gebeuren
Kijk ff of je die pkas
Kan ficen
91
Ik
Kkkj bro jij hebt die sleutel gegooid tochhh
92
[slachtoffer 2]
Jaa bro het moet echt daar zijn bro
Ikweet 100 duizend procent
Dat ie daar ergens is dat iemand hem heeft
Gevonden
93
Ik
in de bosjes denk je
Hier toch?
94
[slachtoffer 2]
Ik hem hem nr achtwr gegooid toen we renden
Het moet op de grond zijn [50]
Ik zag een videobestand/kort video fragment van een “Wanted” poster met de volgende informatie:
WANTED
Amsterdammers opgelet!! XXX
€2000 voor de gene die mij deze hoerenkind brengt. Gelijk cash!!! [51]
Hiernaast zag ik nog een afbeelding met de volgende informatie:
Contacten:
[slachtoffer 2] – telefoon [telefoonnummer slachtoffer 1] . [52]
Een deskundigenrapport van het TMFI: “Definitieve deskundigenrapport forensische pathologie” van 28 april 2026, opgesteld door een senior forensisch patholoog Eurofins TMFI, voor zover inhoudende als verklaring van voornoemde deskundige [53] :
DEFINITIEVE INTERPRETATIE
Letselinterpretatie en doodsoorzaak
Bij sectie werden letsels sub A4 vastgesteld, namelijk 17, bij leven opgeleverde huidperforaties (genoemd A, C, D, E, F, G, H, I, L, M, N, O, P, Q, R, S en T), opgeleverd door inwerking van uitwendig mechanisch perforerend geweld (ballistisch trauma). Te herleiden tot 11 inschoten (7 bij elkaar gelegen en aan de linkerbil gelokaliseerd) en 3 doorschoten.
Van al deze gingen 1 doorschot (van F naar L of omgekeerd) en 1 inschot (1 van de inschoten van de linkerbil naar projectiel IX) gepaard met perforaties van belangrijke organen/structuren, namelijk meerdere buikorganen (waaronder de lever), de grote lichaamsslagader (aorta) en de linkernier. Dit ging gepaard met bij leven doorgemaakt substantieel bloedverlies (sub 6), waarmee het intreden van de dood wordt verklaard als gevolg van algehele weefselschade en daardoor orgaanfunctiestoornissen.
Alle overige inschoten en doorschoten gingen ook gepaard met bloedverlies, doch hebben geen perforatie van belangrijke structuren/organen veroorzaakt. Dus elk op zich was niet van aard om het overlijden te verklaren. Maar ze hebben wel middels het totaal aan bloedverlies bijgedragen aan het overlijden. Aanvang werd gemaakt met medisch handelen (sub A3), doch het was vruchteloos.
Interpretatie van overige bevindingen
De letsels sub A5 waren bij leven ontstaan. Letsel B aan de hals links was het gevolg van het aldaar gelegen projectiel (zie sub A4). Letsels J en K aan de onderbenen/knieën, waren bij leven opgeleverd door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld zoals door stoten (vallen, slaan, drukken) en hebben geen rol van betekenis gespeeld ten aanzien van het overlijden.
DEFINITIEVE CONCLUSIE
Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer 2] , 21 jaren oud, werden tekenen van bij leven opgelopen ballistisch trauma vastgesteld, te weten 11 inschoten en 3 doorschoten. Daarvan hebben 1 doorschot en 1 inschot tot de dood geleid vanwege perforatie van belangrijke organen/structuren, hetgeen geleid heeft tot substantieel bloedverlies, algehele weefselschade en orgaanfunctiestoornissen. De overige letsels hebben geen perforatie van belangrijke structuren/organen veroorzaakt. Dus elk op zich was niet van aard om het overlijden te verklaren. Maar ze hebben wel middels het totaal aan bloedverlies bijgedragen aan het overlijden. [54]
Een deskundigenrapport van het NFI [55] : “Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een schietincident gepleegd in Hilversum op 14 oktober 2024” van 19 februari 2025, voor zover inhoudende als verklaring van voornoemde deskundige:
Ontvangen materiaal
SIN
Omschrijving
Uit aanvraag
AAQD3966NL
Jas
6
Toelichting: De jas is ontvangen via het deskundigheidsgebied schotresten van het NFI. [56]
Onderstaande bemonsteringen zijn onderworpen aan een DNA-onderzoek
SIN
Omschrijving bemonstering
AAQD3966NL#01
binnenzijde linkermanchet
AAQD3966NL#02
kraag aan de binnenzijde van de jas [57]
In onderstaande tabel staat van wie het DNA-profiel is betrokken bij het onderzoek binnen deze zaak.
SIN
Naam
SKN
Geboortedatum
WABZ9491NL
verdachte [verdachte]
[SKN nummer]
[2005]
In onderstaande tabel staan de resultaten van het (vergelijkend) DNA-onderzoek
jas AAQD3966NL
AAQD3966NL#01
binnenzijde
linkermanchet
DNA kan afkomstig zijn van:
minimaal één persoon;
- verdachte [verdachte]
Bewijskracht:
- meer dan 1 miljard
AAQD3966AL#01(binnenzijde linkermanchet)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van één persoon. DNA-profiel AAQD3966NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van verdachte [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon. [58]
Een deskundigenrapport van het NFI: “Schotrestenonderzoek naar aanleiding
van een schietincident in Hilversum op 14 oktober 2024” van 13 november 2024, voor zover inhoudende als verklaring van voornoemde deskundige:
Tabel 1 Overzicht te onderzoeken materiaal
SIN
Omschrijving in aanvraag
Omschrijving NFI
AAQD3965NL
kleding (jas); Colmar; blauw
een blauwe jas
AAQD3966NL
kleding (jas); The North Face Bomberjas;
zwart
een zwarte jas
In onderzoeksaanvraag 002 van 16 oktober 2024 staat voor beide stukken van overtuiging vermeld:
"Onderzoek de mouwen van de aangeboden jassen op mogelijke aanwezigheid van schotresten. NB: de getuige heeft aangegeven dat de schutter met zijn rechterhand het pistool hanteerde."
Bovenstaande vraagstelling wordt beantwoord aan de hand van een set hypothesen:
Hypothese Al: Op de bemonsteringen van de jas zijn schotresten aanwezig.
Hypothese A2: Op de bemonsteringen van de jas zijn géén schotresten aanwezig. [59]
Conclusie
De bevindingen van het onderzoek naar de aanwezigheid van schotresten op de mouwen van de jassen zijn getoetst in het licht van hypothesen Al en A2:
Hypothese Al: Op de bemonsteringen van de jas zijn schotresten aanwezig.
Hypothese A2: Op de bemonsteringen van de jas zijn géén schotresten aanwezig.
Blauwe jas
De bevindingen van het onderzoek naar de aanwezigheid van schotresten op de bemonsteringen van de blauwe jas [AAQD3965NL] zijnzeer veel waarschijnlijker(ordegrootte bewijskracht 10.000-1.000.000) wanneer hypothese Al waar is, dan wanneer hypothese A2 waar is.
Zwarte jas
Op de bemonsteringen van de zwarte jas zijn deeltjes aangetroffen met een elementsamenstelling (GdZnTi) die karakteristiek is voor gemarkeerde munitie die in gebruik is bij de Nederlandse politie, zie hoofdstuk 6 Interpretatie resultaten. Voor de bepaling van onderstaande conclusie zijn deze deeltjes buiten beschouwing gelaten. Daarnaast is onderstaande conclusie gebaseerd op een meting waarbij niet de gehele bemonstering is onderzocht. De bevindingen van het onderzoek naar de aanwezigheid van schotresten op de bemonsteringen van de zwarte jas [AAQD3966NL] zijnzeer veel waarschijnlijker(ordegrootte bewijskracht 10.000-1.000.000) wanneer hypothese Al waar is, dan wanneer hypothese A2 waar is. [60]
Een deskundigenrapport van het NFI: “Aanvullend schotrestenonderzoek naar
aanleiding van een schietincident in Hilversum op 14 oktober 2024” van 11 december 2025, voor zover inhoudende als verklaring van voornoemde deskundige [61] :
Tabel 2 Overzicht te onderzoeken materiaal
SIN
Omschrijving
AARO5392NL
een schotrestenbemonstering uit huls [AASF2001NL] met bodemstempel GECO 9mm LUGER
AARO5393NL
een schotrestenbemonstering uit huls [AASF2061NL] met bodemstempel 9mm LUGER
AARO5394NL
een schotrestenbemonstering uit huls [AASF2062NL] met bodemstempel 9mm LUGER
AARO5395NL
een schotrestenbemonstering uit huls [AASF2063NL] met bodemstempel 9mm LUGER
AARO5396NL
een schotrestenbemonstering uit huls [AASF2064NL] met bodemstempel GECO 9mm LUGER
AARO5397NL
een schotrestenbemonstering uit huls [AASF2065NL] met bodemstempel 9mm LUGER
AARO5398NL
een schotrestenbemonstering uit huls [AASF2068NL] met bodemstempel 9mm LUGER
AARO5399NL
een schotrestenbemonstering uit huls [AASF2070NL] met bodemstempel GECO 9mm LUGER
AARO5400NL
een schotrestenbemonstering uit huls [AASF2071NL] met bodemstempel GECO 9mm LUGER
AARO5401NL
een schotrestenbemonstering uit huls [AASF2075NL] met bodemstempel GECO 9mm LUGER
In de Beslissing onderzoek door deskundige (artikel 227 en Pro 176 Wetboek van Strafvordering) van 19 november 2024 staat vermeld: “Vergelijkend schotrestenonderzoek tussen aangetroffen schotresten op de mouw van de jas van de verdachte en de veiliggestelde schotresten uit de hulzen van het plaats incident.”
Hierbij is de volgende vraagstelling geformuleerd: Komen de deeltjes op de jas overeen met de deeltjes uit de hulzen aangetroffen op de plaats delict?
Voor de beantwoording van bovenstaande vraag is de volgende set hypothesen opgesteld:
Hypothese V1: De deeltjes die zijn aangetroffen op de zwarte jas en de schotrestenbemonsteringen uit de hulzen hebben dezelfde bron van herkomst*.
Hypothese V2: De deeltjes die zijn aangetroffen op de zwarte jas en de schotrestenbemonsteringen uit de hulzen hebben verschillende bronnen van herkomst*.
* Bron van herkomst is voor dit onderzoek gedefinieerd als een schot of schoten waarbij schotresten vrijkomen.
Conclusie
De bevindingen van het onderzoek aan de bemonsteringen van de zwarte jas [AAQD3966NL] enerzijds en de schotrestenbemonsteringen [AARO5392NL t/m AARO5401NL] uit de hulzen [AASF2001NL, -61NL t/m -65NL, -68NL, -70NL, 71NL en -75NL] anderzijds zijniets waarschijnlijker(ordegrootte bewijskracht 2-10) wanneer hypothese V1 waar is, dan wanneer hypothese V2 waar is.
Een deskundigenrapport van het NFI: “Tweede aanvullend schotrestenonderzoek
naar aanleiding van een schietincident in Hilversum op 14 oktober 2024” van 24 december 2025, voor zover inhoudende als verklaring van voornoemde deskundige:
Tabel 1 Overzicht te onderzoeken materiaal
SIN
Omschrijving in aanvraag
Omschrijving NFI
AAKZ9390NL
overige, schotresten; stubs; stuur en pook
een onderzoeksset schiethanden
waarmee het stuur en de
versnellingspook van een voertuig is
bemonsterd
In onderzoeksaanvraag 003 van 18 november 2024 staat vermeld:
"Onderzoek de stubs van het stuurwiel en de versnellingspook op mogelijke aanwezigheid van schotrestdeeltjes."
Hierbij is de volgende vraagstelling geformuleerd: Zijn er op de bemonsteringen van het voertuig schotresten aanwezig?
Bovenstaande vraagstelling wordt beantwoord aan de hand van een set hypothesen:
Hypothese Al: Op de bemonsteringen van het voertuig zijn schotresten aanwezig.
Hypothese A2: Op de bemonsteringen van het voertuig zijn géén schotresten
aanwezig. [62]
Conclusie
Op de bemonsteringen van het voertuig is één deeltje aangetroffen met een
elementsamenstelling (GdZnTi) die karakteristiek is voor gemarkeerde munitie die in
gebruik is bij de Nederlandse politie, zie Interpretatie resultaten. Voor de bepaling
van onderstaande conclusie is dit deeltje buiten beschouwing gelaten.
De bevindingen van het onderzoek naar de aanwezigheid van schotresten op de
onderzoeksset schiethanden [AAKZ9390NL] waarmee het stuur en de
versnellingspook van een voertuig zijn bemonsterd, zijnzeer veel waarschijnlijker(ordegrootte 10.000-1.000.000) wanneer hypothese Al waar is, dan wanneer hypothese A2 waar is. [63]
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer MD1R024066 (onderzoek 14Java24), doorgenummerd pagina 1 tot en met 705. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
2.Pagina 31.
3.Pagina 12.
4.Pagina 13.
5.Pagina 64.
6.Pagina 65.
7.Pagina 66.
8.Pagina 67.
9.Pagina 69.
10.Pagina 76.
11.Pagina 77.
12.Pagina 82.
13.Pagina 83.
14.Pagina 84.
15.Pagina 87.
16.Pagina 89.
17.Pagina 106.
18.Pagina 107.
19.Pagina 108.
20.Pagina 444.
21.Pagina 261.
22.Pagina 262.
23.Pagina 263.
24.Pagina 264.
25.Pagina 265.
26.Pagina 272.
27.Pagina 273.
28.Pagina 197 en 198.
29.Pagina 198.
30.Pagina 199.
31.Pagina 641.
32.Pagina 646.
33.Pagina 201.
34.Pagina 204.
35.Pagina 205.
36.Pagina 207.
37.Pagina 210.
38.Pagina 220.
39.Pagina 209.
40.Pagina 210.
41.Pagina 211.
42.Pagina 214.
43.Pagina 216.
44.Pagina 653.
45.Pagina 654.
46.Pagina 655.
47.Pagina 225.
48.Pagina 229.
49.Pagina 231 en 232.
50.Pagina’s 241 tot en met 246.
51.Pagina 247.
52.Pagina 251.
53.Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een deskundigenrapport van het TMFI van 28 april 2026, opgesteld door dr. V. Soerdjablie-Maikoe, MD, PhD, senior forensisch patholoog Eurofins TMFI, pagina’s 1 tot en met 44.
54.Pagina 7.
55.Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreffen dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 20 februari 2025 (forensisch dossier), genummerd PLO900-2024326699 (onderzoek 14Java24), opgemaakt door politie eenheid Midden-Nederland (forensische opsporing), genummerd 1 tot en met 243. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
56.Forensisch dossier, pagina 185.
57.Forensisch dossier, pagina 186.
58.Forensisch dossier, pagina 188.
59.Forensisch dossier, pagina 154.
60.Forensisch dossier, pagina 159.
61.Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een deskundigenrapport van het NFI van 11 december 2025, pagina’s 1 tot en met 9.
62.Forensisch dossier, pagina 224.
63.Forensisch dossier, pagina 227.