Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3648

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
16/156077-25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Reglement verkeersregels en verkeerstekensArt. 23 SrArt. 24c SrArt. 177 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor onvoldoende afstand houden bij kettingbotsing op snelweg

Op 29 maart 2024 ontstond op de A12 bij Woerden een kettingbotsing waarbij vier auto's betrokken waren. Verdachte bestuurde de achterste auto en botste op de auto ervoor. Uit het politieonderzoek bleek dat de bestuurder van de derde auto onder invloed was van drugs en alcohol en geen geldig rijbewijs had.

Verdachte stelde dat zijn voorganger onvoorspelbaar en abrupt remde, waardoor hij de botsing niet kon voorkomen. De kantonrechter verwierp dit verweer en oordeelde dat het achterop rijden op de snelweg in beginsel bewijs is voor onvoldoende afstand houden. De omstandigheden en getuigenverklaringen bevestigden dat de botsing door onvoldoende afstand van verdachte werd veroorzaakt.

De kantonrechter vernietigde de strafbeschikking en legde een geldboete van €460 op, gebaseerd op het vaste boetetarief voor onvoldoende afstand houden bij snelheden tot 80 km/u, vermeerderd wegens materiële schade. De boete kan bij niet-betaling worden vervangen door 4 dagen hechtenis. Tegen het vonnis kan binnen veertien dagen hoger beroep worden ingesteld.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van €460 wegens onvoldoende afstand houden bij een kettingbotsing op de snelweg.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/156077-25
Proces-verbaal van de openbare terechtzitting van de kantonrechter op 15 juni 2026
Aanwezig:
mr. K. de Meulder, kantonrechter,
M.J.E. Doornenbal, griffier.
Aanwezig namens het Openbaar Ministerie:
mr. C.S.T. Geenen, officier van justitie.
De kantonrechterlaat de zaak tegen de verdachte uitroepen.
De kantonrechterstelt vast dat als verdachte aanwezig is:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [plaats] .
De verdachtewordt bijgestaan door mr. A.H.T de Haas.
De kantonrechterstelt vast dat als meegebrachte getuige aanwezig is: [getuige] . De getuige is nog niet in de zittingszaal.
De kantonrechterzegt tegen de verdachte dat hij goed moet opletten en dat hij niet verplicht is om vragen te beantwoorden.
De kantonrechterbespreekt kort de inhoud van het dossier en stelt daarover vragen aan de verdachte.
De kantonrechtergeeft daarna aan de officier van justitie en de advocaat de gelegenheid om vragen te stellen aan de verdachte.
De verdachteverklaart:
We reden in de file met ongeveer dertig km per uur. Even daarvoor hadden we helemaal stilgestaan. Ik had voldoende afstand tot mijn voorganger. Degene voor mij ging op de rem, ik had goed zicht op de achterkant van zijn auto en dat ging heel plotseling. Ik kon een aanrijding toen niet meer voorkomen.
U vraagt of ik zicht had op de auto’s vóór mijn voorganger die ook betrokken waren bij de botsing. Dit had ik niet, ik reed in een relatief lage auto en keek tegen achterkant van de auto van mijn voorganger. U benoemt dat mijn vriendin destijds heeft verklaard dat mijn voorganger heel schokkerig reed. Dat klopt, hij reed heel brake-check-achtig.
De boete kan ik betalen, dit is een principekwestie.
De kantonrechterlaat de getuige de zittingszaal binnenkomen en stelt haar identiteit vast.
De getuigegeeft de volgende gegevens op:
[getuige] , geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] , ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [plaats] . De getuige verklaart dat zij geen familie van de verdachte is en niet met hem is gehuwd of een geregistreerd partnerschap heeft.
De getuigelegt op de bij de wet voorgeschreven wijze de eed af de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen. De getuige staat daarmee onder ede.
De kantonrechtergeeft de advocaat en de verdachte als eerste de gelegenheid vragen te stellen aan de getuige en tegen de verklaring van de getuige in te brengen wat van belang kan zijn voor de verdediging. Daarna stellen de kantonrechter en de officier van justitie vragen aan de getuige.
De getuigeverklaart:
Ik zat in de auto naast de verdachte, mijn partner. Het klopt dat ik bij de politie heb verklaard dat onze voorganger kort en onnodig aan het remmen was. Ik herinner me nog dat ik zag dat hij op het moment van het ongeluk stapvoets op de linkerbaan reed en plotseling remde, terwijl de voertuigen daarvoor wel doorreden. Ik zag dat de persoon voor ons plots stil stond. Dit zag ik doordat de remlichten opeens verschenen terwijl we daarvoor stapvoets reden. Dit maakte het voor de verdachte onmogelijk om op tijd te remmen. Het was heel plots, de voorgaande bestuurders reden wél door. We waren met elkaar aan het praten maar niet op een afleidende manier.
De officier van justitievoert het woord. De officier van justitie vordert dat de kantonrechter:
  • de strafbeschikking vernietigt;
  • de verdachte veroordeelt voor het feit waarvan hij wordt beschuldigd;
  • aan de verdachte een geldboete oplegt ter hoogte van € 460, bij niet voldoen te vervangen door 4 dagen hechtenis.
De advocaatvoert het woord:
Mijn cliënt kreeg onverwacht te maken met ernstige verkeershinder, naar verluidt omdat de bestuurder van de auto voor hem onder invloed ernstig verkeersgedrag vertoonde waardoor een kopstaartbotsing ontstond. Mijn cliënt heeft een botsing daardoor niet kunnen voorkomen. Buiten zijn toedoen werd de weg voor mijn cliënt immers volstrekt onverwacht onvoldoende vrijgehouden. De bestuurder van de voor mijn cliënt rijdende auto had THC in zijn bloed en heeft verklaard voorafgaand aan het ongeluk drie halve liters bier te hebben gedronken. Gelet op de onvoorspelbare situatie stelt de verdediging dat mijn cliënt in de kern de kop-staartbotsing niet heeft kunnen voorkomen. Om die reden is strafrechtelijke aansprakelijkheid niet aan de orde. Voor zover dat wel het geval is, verzoek ik om mijn cliënt schuldig te verklaren zonder straf op te leggen. Ik wijs daarvoor op het blanco strafblad, de verklaring van de werkgever en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
De kantonrechtergeeft de officier van justitie de gelegenheid om te reageren op het standpunt van de verdediging.
De officier van justitiemaakt daarvan geen gebruik.
De verdachtekrijgt als laatste het woord. Hij verklaart:
Ik hoop dat dit rechtvaardig verloopt, ik vind mezelf niet schuldig. Dit proces valt zwaar, ik zit hier met spanning.
De kantonrechtersluit het onderzoek en doet onmiddellijk mondeling uitspraak. De kantonrechter spreekt het vonnis uit.
De kantonrechterzegt dat tegen dit vonnis binnen veertien dagen hoger beroep kan worden ingesteld.
AANTEKENING VAN HET MONDELINGE VONNIS [1]

1.Beschuldiging

De tekst van de beschuldiging staat in de oproeping. De beschuldiging houdt in dat de verdachte:
op of omstreeks 29 maart 2024 te Woerden als bestuurder van een voertuig (personenauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de A12, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers heeft hij een kop-staart botsing doen laten ontstaan, waarbij schade aan goederen is toegebracht.

2.Bewijs

De kantonrechter oordeelt dat bewezen is dat de verdachte, kort gezegd, onvoldoende afstand heeft gehouden tot zijn voorganger.
De kantonrechter baseert de bewezenverklaring op de volgende bewijsmiddelen:
  • de verklaring van de verdachte, zoals afgelegd op de zitting;
  • het proces-verbaal van de politie van 18 oktober 2024, met daarin de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , met nummer PL0900-2024098451-1, opgemaakt door de politie-eenheid Midden-Nederland en de daarbij gevoegde situatieschets en fotoblad.
Uit deze bewijsmiddelen volgt dat sprake is geweest van een kettingbotsing op de snelweg, waarbij vier achter elkaar rijdende auto’s betrokken waren. Verdachte was de bestuurder van de vierde, achterste auto en is achterop de vóór hem rijdende, derde, auto gebotst.
Uit het politieonderzoek blijkt dat de bestuurder van deze derde auto op dat moment onder invloed was van drugs en alcohol en dat hij niet in het bezit was van een geldig rijbewijs. Hij heeft verklaard dat hij van achteren werd aangereden door de verdachte en dat hij daardoor op zijn voorganger (de tweede auto) is gebotst.
Het verweer van de verdachte is dat hij weliswaar een botsing heeft veroorzaakt, maar dat hieruit niet kan worden afgeleid dat hij onvoldoende afstand heeft gehouden. Volgens de verdachte was het juist zijn voorganger die gevaarlijk rijgedrag liet zien, door in de momenten voor het ongeval schokkerig te rijden en vervolgens zeer abrupt en onverwacht te remmen. De verdachte vindt dat hij hierop niet heeft kunnen of moeten anticiperen.
De kantonrechter verwerpt dit verweer. Als een bestuurder op de snelweg achterop de vóór hem rijdende auto botst, is dat in beginsel voldoende voor het bewijs dat diegene onvoldoende afstand heeft gehouden. Er zijn in dit geval geen aanwijzingen dat de botsing is ontstaan door een andere reden dan door het houden van onvoldoende afstand door de verdachte. De bestuurder van de voor hem rijdende auto was weliswaar onder invloed en de kantonrechter wil aannemen dat deze bestuurder kort daarvoor al vreemd rijgedrag vertoonde, maar die omstandigheden nemen niet weg dat er voor deze bestuurder nóg twee auto’s reden die ook betrokken waren bij de botsing. Deze twee voorste auto’s moeten hebben afgeremd en de voorste auto moet zelf tot stilstand zijn gekomen vóór het moment waarop de botsing ontstond. Als de bestuurders van deze voorste twee auto’s geen reden hadden om af te remmen en te stoppen, dan zouden deze auto’s immers niet bij de botsing betrokken zijn geraakt. Hieruit kan worden afgeleid dat de bestuurder van de derde auto op dat moment niet onnodig heeft geremd, maar dat hij remde (of zelfs een noodstop maakte) omdat de auto’s vóór hem plotseling remden. Het is mogelijk dat de bestuurder van de derde auto toen zelf ook niet op tijd heeft kunnen remmen en direct al tegen de auto voor hem (de tweede auto) is gebotst, en dat hem dus eveneens het verwijt kan worden gemaakt dat hij onvoldoende afstand hield. Maar die vraag ligt niet aan de kantonrechter voor en deze mogelijkheid doet er niet aan af dat de verdachte de achterste auto van 4 gebotste auto’s bestuurde en dus onvoldoende afstand heeft gehouden, ongeacht het rijgedrag van zijn voorganger.
Bewezen is dat de verdachte:
op 29 maart 2024 te Woerden als bestuurder van een personenauto rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de A12, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers heeft hij een kop-staart botsing doen laten ontstaan, waarbij schade aan goederen is toegebracht.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

Het bewezenverklaarde feit is strafbaar gesteld als:
overtreding van het bepaalde in artikel 19 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

Aan de verdachte is een strafbeschikking van € 460,- opgelegd. De hoogte van dit bedrag is gebaseerd op het vaste (‘feitgecodeerde’) boetetarief van € 360,- voor onvoldoende afstand houden bij snelheden tot en met 80 kilometer per uur. Dit bedrag is vermeerderd met € 100,-, omdat een ongeval met materiële schade is ontstaan. Deze verhoging is gebaseerd op voetnoot 1 van de strafvorderingsrichtlijn ‘Verkeersongevallen, gevaarlijk verkeersgedrag en verlaten plaats ongeval’ van het Openbaar Ministerie.
De kantonrechter ziet geen reden om hiervan af te wijken en vindt een geldboete van € 460,- een passende straf. Deze straf sluit aan bij straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Er zijn geen redenen om een hogere of een lagere geldboete op te leggen. De verdachte heeft geen strafblad. Hij is in staat de geldboete te betalen. Hoewel de zaak enige tijd heeft geduurd, is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting, gerekend vanaf het moment waarop de strafbeschikking is opgelegd.
De kantonrechter vernietigt de strafbeschikking en legt een geldboete op van € 460,-. De geldboete kan worden vervangen door 4 dagen hechtenis, als de verdachte de geldboete niet (volledig) betaalt.
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 23, 24c van het Wetboek van Strafrecht en artikel 177 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de kantonrechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Voetnoten

1.Aantekening naar aanleiding van het instellen van hoger beroep tegen het vonnis (artikel 395, tweede lid, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering).