Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het verloop van de procedure
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
- [A] namens [instelling 1] (online).
Rechtbank Midden-Nederland
Betrokkene verbleef in 2025 in een forensische verslavingskliniek als onderdeel van bijzondere voorwaarden binnen een strafrechtelijk kader. Hij diende een klacht in over insluiting op zijn kamer op 3 en 4 juni 2025, waarbij hij schadevergoeding vorderde.
De rechtbank stelde vast dat er geen machtiging was op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) en dat betrokkene vrijwillig meewerkte aan het kamerprogramma. De deur was niet op slot en er was geen sprake van dwangmatige zorg.
De klachtcommissie had eerder de klacht over urinecontroles gegrond verklaard, maar de klachten over insluiting ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel en wees het verzoek tot schadevergoeding af.
De rechtbank benadrukte het belang van duidelijke communicatie over de aard en gevolgen van dergelijke programma's richting patiënten, vooral in het grijze gebied tussen drang en dwang.
Ten slotte erkende de rechtbank de frustratie van betrokkene over de situatie en wenste hem succes met zijn verdere behandeling in een andere kliniek.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de klacht over insluiting ongegrond en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.