ECLI:NL:RBMNE:2026:3636

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/2420
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. Coenen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 6 EVRMArt. 51 Wet WIAArt. 13 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling dagloonberekening en refertejaar WIA-uitkering met motiveringsgebrek en redelijke termijn overschreden

Eiseres is per 7 december 2015 ziekgemeld en ontving vanaf 4 december 2017 een WIA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling werd haar uitkering per 3 mei 2021 beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid, maar dit bezwaar werd deels gegrond verklaard met een aangepast percentage van 64,06%. Later werd haar loonaanvullingsuitkering per 1 december 2023 omgezet in een IVA-uitkering, waartegen eiseres bezwaar maakte vanwege onjuiste dagloonberekening en het betoog van een eerdere eerste ziektedag als “medische afzakker”.

De rechtbank oordeelt dat de vraag of eiseres een “medische afzakker” is niet relevant is voor de dagloonberekening. Voor een eerdere eerste ziektedag moet sprake zijn van 104 weken onafgebroken arbeidsongeschiktheid, wat niet is vastgesteld. De dagloonberekening van het UWV is na aanvullende toelichting duidelijk en correct. Wel is het bestreden besluit gebrekkig gemotiveerd, omdat pas in beroep een juiste toelichting en beoordeling van de medische situatie is gegeven. Dit motiveringsgebrek wordt echter gepasseerd op grond van artikel 6:22 Awb Pro, omdat het beroep dit gebrek voldoende herstelt.

Verder is de redelijke termijn voor de procedure overschreden met negen maanden, voornamelijk in de bestuurlijke fase, waarvoor het UWV aansprakelijk wordt gesteld. De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van een schadevergoeding van €1.000,- en tot vergoeding van de proceskosten van €2.335,- en het griffierecht van €53,- aan eiseres. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor het bestreden besluit in stand blijft.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand, met een schadevergoeding aan eiseres wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2420
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 op het beroep in de zaak tussen

[eiseres] uit [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. Y. van der Linden)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. C.W.P. van den Berg)

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de uitkering van eiseres op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiseres is het niet eens met de hoogte van haar uitkering. Zij vindt dat haar dagloon verkeerd is berekend en dat voor de berekening van het dagloon moet worden uitgegaan van een eerdere referteperiode.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het dagloon juist is berekend en dat er geen redenen zijn om uit te gaan van een andere referteperiode. Eiseres krijgt dus geen gelijk. De rechtbank komt ook tot het oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. De rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres is per 7 december 2015 ziekgemeld voor haar werk als [functie] voor 39,54 uur per week. Zij kreeg per 4 december 2017 een WIA-uitkering omdat zij op arbeidskundige gronden volledig arbeidsongeschikt is.
Datum in geding 3 mei 2021
2.1.
Nadat haar voormalig werkgever heeft verzocht om een herbeoordeling, kwam eiseres per 3 mei 2021 niet meer in aanmerking voor een WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Daarom werd de WIA-uitkering per 3 mei 2021 beëindigd. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het bezwaar van eiseres is gegrond verklaard en daarbij is het arbeidsongeschiktheidspercentage gewijzigd naar 64,06%. Het beroep van eiseres is op 26 oktober 2022 ongegrond verklaard. Op het hoger beroep was ten tijde van de behandeling van het beroep in de onderhavige zaak op zitting nog niet beslist.
Datum in geding 1 december 2023
2.2.
Met het besluit van 5 oktober 2023 heeft het Uwv per 1 december 2023 de loonaanvullingsuitkering van eiseres omgezet naar een vervolguitkering. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 25 februari 2025 heeft het Uwv beslist dat eiseres per 1 december 2023 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Zij krijgt daarom per 1 december 2023 een IVA-uitkering.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit omdat zij het niet eens is met de hoogte van de uitkering. Zij voert aan dat het dagloon onjuist is vastgesteld. Ook voert zij aan dat zij om medische redenen minder uren is gaan werken waardoor sprake is van een “medische afzakker”.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv.
2.5.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting aangehouden zodat het Uwv informatie kon opvragen bij de afdeling Gegevensdiensten. Het Uwv heeft op 18 februari 2026 de verkregen loongegevens verstrekt. Eiseres heeft op 17 april 2026 een reactie ingestuurd. De stukken van eiseres en het Uwv zijn aan het dossier toegevoegd.
2.6.
Op 22 mei 2026 heeft de rechtbank partijen bericht voornemens te zijn uitspraak te doen zonder nadere zitting. Partijen hebben vervolgens ook niet verzocht om een nadere zitting. Op 23 juni 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of het Uwv de hoogte van de IVA-uitkering van eiseres juist heeft vastgesteld. Dat doet zij aan de hand van de beroepsgronden.
Toetsingskader
4. Op grond van artikel 51 van Pro de Wet WIA bedraagt de IVA-uitkering een percentage (75%) van het maandloon, dat van het dagloon wordt afgeleid. Het dagloon bedraagt 1/261e van het loon dat verzekerde verdiende in het jaar voordat zij uitviel door ziekte.
4.1.
Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA is het jaar dat in aanmerking wordt genomen (refertejaar) het jaar gelegen voor het aangiftetijdvak waarin de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is gelegen.
Refertejaar
5. Eiseres voert aan dat haar dagloon is berekend aan de hand van de verkeerde referteperiode omdat zij een “medische afzakker” is. Eiseres meent dat haar eerste ziektedag moet worden vastgesteld per april 2014 omdat zij toen als gevolg van ziekte of gebrek haar overwerkuren heeft laten vallen.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat de vraag of iemand een “medische afzakker” is niet relevant is voor de berekening van het WIA-dagloon. Gelet op vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep [1] , kan eiseres alleen worden gevolgd in haar standpunt dat het dagloon onjuist is berekend, als wordt uitgegaan van een eerdere arbeidsongeschiktheidsdag dan 7 december 2015. Om een andere eerste ziektedag te hanteren, dient eiseres 104 weken onafgebroken vanwege medische redenen niet in staat te zijn geweest om haar functie in volle omvang te kunnen verrichten.
5.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat niet is komen vast te staan dat eiseres per april 2014 gedurende 104 weken onafgebroken om medische redenen niet in staat is geweest haar functie in volle omvang te verrichten. Uit de loongegevens van eiseres blijkt niet dat het terugbrengen van overuren heeft geleid tot een terugval in loon. Na verkrijging van de loongegevens heeft eiseres zich ook op het standpunt gesteld dat niet meer hoeft te worden beoordeeld of sprake is van een “medische afzakker’ nu is gebleken dat er geen sprake is van een afname in loon. De rechtbank ziet geen aanknopingspunt om een andere eerste ziektedag te hanteren bij de vaststelling van het refertejaar voor de berekening van het WIA-dagloon. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat het Uwv in het bestreden besluit geen beslissing heeft genomen over de “medische afzakker”. Pas in de rapportage van 12 augustus 2025 is de verzekeringsarts ingegaan op de vraag of eiseres haar functie in volle omvang verrichtte (en of dus sprake as van een “medische afzakker” c.q. een eerdere eerste ziektedag). De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. De rechtbank zal hierna beoordelen wat dit betekent voor het bestreden besluit.
Dagloonberekening
6. Eiseres voert aan dat zij de dagloonberekening van het Uwv niet kan volgen. Het is eiseres niet duidelijk waar de loonbedragen en het indexlooncijfer vandaan komen en of de eindejaarsuitkering is meegenomen.
6.1.
De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting schriftelijke vragen gesteld aan het Uwv vanwege onduidelijkheden in de dagloonberekening. In de aanvullende reactie van 9 september 2025 heeft het Uwv een nadere toelichting op de dagloonberekening gegeven. Daarmee is duidelijkheid gegeven over de berekening. Eiseres heeft dit niet meer betwist. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat ook de dagloonberekening pas in beroep van een deugdelijke motivering is voorzien. Dit betekent dat ook op dit punt sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit.
Motiveringsgebrek
7. Gezien het voorgaande is de rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust. Pas in beroep is een juiste en volledige toelichting gegeven op de dagloonberekening. Ook is pas in beroep een beoordeling gemaakt of eiseres haar functie in volle omvang verrichtte (de “medische afzakker” c.q. de eerste ziektedag). Dit betekent dat het bestreden besluit gebrekkig is gemotiveerd.
7.1.
De rechtbank ziet aanleiding om het motiveringsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Met de in beroep ingebrachte stukken is het gebrek voldoende hersteld. De dagloonberekening is voorzien van een correcte toelichting. Ook blijkt uit de nadere stukken dat er geen reden is om een eerdere eerste ziektedag te hanteren. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat het Uwv geen ander besluit zou hebben genomen dan het bestreden besluit. Eiseres is door het motiveringsgebrek niet benadeeld.
Overschrijding redelijke termijn
8. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
8.1.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om op het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn te reageren.
8.2.
In zaken zoals deze is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in beginsel niet is overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar in beslag heeft genomen. Daarbij geldt dat in beginsel het bezwaar binnen een half jaar en het beroep binnen anderhalf jaar zouden moeten worden behandeld. Indien sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, dient te worden beoordeeld of deze heeft plaatsgevonden in de bestuurlijke fase en/of in de rechterlijke fase. Voor de hoogte van de schadevergoeding is het uitgangspunt een tarief van € 500,- per half jaar waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond.
8.3.
In dit geval is de redelijke termijn gestart op 9 oktober 2023 met de indiening van het bezwaarschrift. Uitgaande van een redelijke termijn van (in totaal) twee jaar voor het doorlopen van de procedure in twee instanties, zou de rechtbank uiterlijk op 9 oktober 2025 op het beroep uitspraak hebben moeten doen. De rechtbank beslist op 26 juni 2026, waardoor sprake is van een termijnoverschrijding van 9 maanden.
8.4.
De rechtbank stelt vast dat het Uwv op het bezwaar heeft beslist op 25 februari 2025. Dat is bijna 17 maanden na het indienen van het bezwaarschrift. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden in de bestuurlijke fase die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. Het Uwv heeft daarover ook niets aangevoerd. Het beroepschrift is ingediend op 7 april 2025. De rechtbank beslist binnen 15 maanden op het beroep. De rechtbank is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn is gelegen in de bestuurlijke fase. De overschrijding van de redelijke termijn komt daarmee voor rekening van het Uwv. Het Uwv wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000,-.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9.1.
Omdat het bestreden besluit op een ondeugdelijke motivering berust en eiseres terecht beroep heeft ingesteld, ziet de rechtbank aanleiding het Uwv op te dragen het griffierecht van € 53,-- aan eiseres te vergoeden. Ook ziet de rechtbank aanleiding aan eiseres een vergoeding toe te kennen voor de kosten die zij voor de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde een beroepschrift heeft ingediend (1 punt) en aan de zitting heeft deelgenomen (1 punt). In tegenstelling tot wat eiseres verzoekt, wordt niet voor elke schriftelijke reactie 0,5 punt toegekend. Voor de schriftelijke reacties op de verweerschriften worden conform het Besluit proceskosten bestuursrechten geen procespunten toegekend. De rechtbank kent wel 0,5 punt toe voor de schriftelijke reactie na de inlichtingen (de loongegevens) van het Uwv. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.335,--. Als aan eiseres een toevoeging is verleend, moet het Uwv de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.
9.2.
Het Uwv moet ook een schadevergoeding betalen van € 1.000,-- wegens de overschrijding van de redelijke termijn met 9 maanden.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.335,--;
  • veroordeelt het Uwv tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.000,--;
  • draagt het Uwv op het door eiser betaalde griffierecht van € 53,-- te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Coenen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.N. van Ooijen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de CRvB van 14 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:310.