AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling jeugdige voor uitlokking poging levensgevaarlijke explosie, bankhelpdeskfraude en opzetheling
De rechtbank Midden-Nederland heeft op 23 juni 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een jeugdige verdachte geboren in 2007. De verdachte werd beschuldigd van uitlokking van een poging tot het opzettelijk veroorzaken van een levensgevaarlijke explosie, bankhelpdeskfraude gericht op een oudere vrouw en opzetheling van een ring afkomstig van een overval.
De rechtbank sprak de verdachte vrij van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit 1, omdat hij zelf geen handelingen had verricht, maar veroordeelde hem voor het meer subsidiair ten laste gelegde feit 1 (uitlokking poging explosie), feit 2 (medeplegen oplichting) en feit 3 (opzetheling). De bewezenverklaring was gebaseerd op verklaringen, chatberichten, proces-verbalen en een bekennende verklaring.
De rechtbank legde een jeugddetentie van 300 dagen op, waarvan 142 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden, mede vanwege de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Daarnaast werd een werkstraf van 120 uren opgelegd ter uitvoering van een eerdere voorwaardelijke straf. De rechtbank kende aan de benadeelde partijen een immateriële schadevergoeding van €1.000,- per partij toe, met een schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de positieve ontwikkeling sinds schorsing van voorlopige hechtenis en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming. De verdachte hoeft niet terug naar de jeugdgevangenis om zijn ontwikkeling niet te verstoren. De voorlopige hechtenis werd opgeheven en het beslag op verdovende middelen werd onttrokken aan het verkeer.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 300 dagen jeugddetentie, deels voorwaardelijk, 120 uren werkstraf en schadevergoedingen voor uitlokking poging explosie, bankhelpdeskfraude en opzetheling.
Vonnis van de meervoudige kamer van 23 juni 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2007] in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] in [woonplaats] ,
hierna: [verdachte] .
1.Zitting
De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 9 juni 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
[verdachte] ;
de officier van justitie: mr. F.B. Koolhof;
de advocaat van [verdachte] : mr. J.C.W.L. Grootjans (hierna: de advocaat);
de advocaat van de benadeelde partijen: mr. P.C. Schouten;
een raadsonderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);
een jeugdreclasseringswerker bij William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de WSG).
2.Tenlastelegging
De rechtbank heeft de feiten die bij de dagvaardingen met de parketnummers 16/152655-25 en 16/338585-24 genoemd worden, in die genoemde volgorde genummerd als feit 1, feit 2 en feit 3. Op de zitting is de beschuldiging over feit 1 aangepast en over feit 3 gewijzigd.
De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
feit 1:
op 7 mei 2025 in Lelystad, samen met anderen heeft geprobeerd om opzettelijk brand te stichten of een ontploffing teweeg te brengen in de nabijheid van een woning ( primair);
dit is subsidiairtenlastegelegd als het samen met anderen voorbereiden van voornoemd misdrijf;
meer subsidiairals het uitlokken van de medeverdachte tot voornoemd misdrijf en
meest subsidiairals het uitlokken van de medeverdachte tot de voorbereiding van voornoemd misdrijf.
feit 2:
op 23 oktober 2024 in Nieuwegein samen met anderen [aangever 1] heeft opgelicht door bankhelpdeskfraude;
feit 3:
in de periode van 13 oktober 2024 tot en met 27 oktober 2024 in Houten en/of Lelystad, althans in Nederland, zich schuldig heeft gemaakt aan heling van een ring;
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage 1 bij dit vonnis.
3.Bewijs
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van feit 1 primair en feit 1 subsidiair. Volgens de officier van justitie kan wel worden bewezen dat [verdachte] feit 1 meer subsidiair, feit 2 en feit 3 heeft gepleegd.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om [verdachte] vrij te spreken feit 1 primair, feit 1 subsidiair, feit 1 meer subsidiair en feit 3. Ten aanzien van feit 1 meest subsidiair en feit 2 refereert de advocaat zich aan het oordeel van de rechtbank.
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.4 en 3.3.5.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak feit 1 primair en feit 1 subsidiair
Onder feit 1 is allereerst (primair) het medeplegen van een poging om opzettelijk brand te stichten of een ontploffing teweeg te brengen in de nabijheid van een woning tenlastegelegd. In de tenlastelegging wordt vervolgens genoemd ter uitvoering van het door verdachtevoorgenomen misdrijf en níet ter uitvoering van het door verdachteen/of zijn mededader(s)(onderstreping door de rechtbank) voorgenomen misdrijf. Verder zien de gedragingen die in de verfeitelijking van die poging staan op handelingen die enkel de medeverdachte heeft verricht. In de tenlastelegging is er voor gekozen deze feitelijke handelingen ook enkel toe te wijzen aan die medeverdachte door het weglaten van een zinsnede als ‘en/of zijn mededaders’. Van de in de tenlastelegging opgenomen handelingen heeft [verdachte] er geen enkele zelf uitgevoerd. Ook onder het subsidiair tenlastegelegde staan enkel gedragingen van de medeverdachte en is de voornoemde zinsnede weggelaten. De rechtbank oordeelt daarom dat feit 1 primair en feit 1 subsidiair niet zijn bewezen en zal [verdachte] daarvan vrijspreken.
3.3.2.
Bewijsmiddelen feiten 1 meer subsidiair en feit 2
[verdachte] bekent dat hij feit 1 meer subsidiair en feit 2 heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door hem of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd.– met uitzondering van feit 1 meer subsidiair ten aanzien van de vraag of het handelen van de medeverdachte een poging oplevert. Die vraag bespreekt de rechtbank in de bewijsoverwegingen hierna. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: [1]
de bekennende verklaring van [verdachte] over feit 1 meer subsidiair en feit 2 op de zitting van 9 juni 2026;
een proces-verbaal van bevindingen van 7 mei 2025, met daarin het aantreffen van de medeverdachte door de politie
- een proces-verbaal van aangifte van 7 mei 2025, met daarin de verklaring van aangever [aangever 2] [3] ;
- een proces-verbaal van bevindingen van 13 mei 2025, met daarin de chatberichten tussen [verdachte] , de medeverdachte en de opdrachtgever [4] ;
- een proces-verbaal van onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk van 20 juni 2025 [5] ;
- een proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte van 7 mei 2025, met daarin de verklaring van de medeverdachte [6] ;
- een proces-verbaal van aangifte van 23 oktober 2024, met daarin de verklaring van aangever [aangever 1] [7] ;
- een proces-verbaal van bevindingen van 23 oktober 2024, met daarin het op heterdaad aantreffen en aanhouden van [verdachte] door de politie [8] .
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
3.3.3.
Bewijsmiddelen feit 3
De rechtbank oordeelt dat feit 3 is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage 2 van dit vonnis staan.
3.3.4.
Bewijsoverwegingen feit 1 meer subsidiair
Inleiding
De rechtbank zal alleen bespreken of de medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) een poging tot het plegen van het misdrijf heeft ondernomen. Dit is omdat de advocaat van [verdachte] zich in zijn verweer ten aanzien van feit 1 meer subsidiair alleen heeft gericht op de vraag of [medeverdachte 1] een poging heeft gedaan, en niet op de vraag of er sprake is van uitlokken. Daarom gaat de rechtbank niet in op het aspect van uitlokking in relatie tot [medeverdachte 1] , maar beperkt haar beoordeling tot de vraag of [medeverdachte 1] handelen als poging kan worden gekwalificeerd.
Waar gaat de zaak over?
Op 7 mei 2025 rond 00:50 uur is [medeverdachte 1] op de fiets naar de woning van de slachtoffers gegaan. Hij had zwaar knalvuurwerk (een Black Thunder, hierna: explosief), drie aanstekers en handschoenen bij zich. [medeverdachte 1] heeft via Snapchat een opdracht geaccepteerd om met het explosief een aanslag te plegen, in ruil voor twee- tot driehonderd euro. Hij heeft verklaard dat hij tot aan de oprit van de woning is gekomen, zich toen heeft bedacht en zonder het explosief aan te steken is weggegaan. Later die nacht keerde hij terug naar de woning, maar is hij door de bewoners in de tuin aangesproken en (later) door de politie aangehouden voor hij het explosief kon neerleggen en tot ontploffing kon brengen.
Poging (begin van uitvoering)?
Voor een strafbare poging tot het plegen van een misdrijf is het nodig dat het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Met andere woorden moet het er voor een toeschouwer zo uitzien dat de dader is gestart met het plegen van een misdrijf. Het gedrag van een dader moet, volgens de Hoge Raad, voldoende concreet gericht zijn op het afmaken en dus voltooien van dat misdrijf. Een belangrijke beoordelingsfactor is hoe dicht het gedrag bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lag, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats en hoe concreet de gedragingen daarop waren gericht. Verder kan het bij een poging gaan om een geheel aan gedragingen, ook van die van eventuele andere deelnemers. De aard van het misdrijf kan van belang zijn. Niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf, zoals opgenomen in het Wetboek van Strafrecht (Sr), is vervuld.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat sprake is geweest van een begin van uitvoering.
Het was de bedoeling van [medeverdachte 1] om het explosief bij de woning aan de [adres] tot ontploffing te brengen. Hij heeft immers via Snapchat de opdracht geaccepteerd om, in ruil voor twee- tot driehonderd euro, een aanslag op de genoemde woning te plegen. [medeverdachte 1] heeft het explosief opgehaald, nadat de medeverdachte hem de locatie had doorgegeven. Vervolgens ging hij naar huis om handschoenen te pakken. Daarna ging [medeverdachte 1] , nadat hij meermalen de route naar de woning op zijn telefoon had opgezocht, ’s nachts naar de woning. Hij had naast het explosief en de handschoenen ook drie aanstekers bij zich. Met deze spullen kwam [medeverdachte 1] in eerste instantie tot aan de oprit van de woning, maar bedacht zich toen en ging weer weg. Vervolgens bleef hij berichten sturen aan de medeverdachte en de opdrachtgever en vroeg hij of hij het explosief in de achtertuin kon gooien in plaats van door de brievenbus. Rond 03:00 uur was [medeverdachte 1] weer in de buurt van de woning, nog steeds met dezelfde spullen, en liep hij naar de achterkant van de woning om te achterhalen welke tuin bij de woning hoorde.
Dit geheel aan gedragingen van [medeverdachte 1] , in het licht van het voorgenomen plan, lagen in tijd en plaats naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo dicht bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf en [medeverdachte 1] had bovendien de beschikking over drie aanstekers, waarmee hij het explosief nog alleen hoefde aan te steken, dat de rechtbank oordeelt dat sprake is geweest van een begin van uitvoering.
Conclusie
Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat [verdachte] zich heeft schuldig gemaakt aan het uitlokken van een poging tot het opzettelijk veroorzaken van een levensgevaarlijke explosie.
3.3.5.
Bewijsoverwegingen feit 3
Op basis van de gebruikte bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de in de broek van [verdachte] aangetroffen ring afkomstig was uit een misdrijf, namelijk een overval op een juwelier. Het aantreffen van een dergelijke ring, waar nog een prijskaartje met een waarde van € 1.049.- aanhangt, schreeuwt om een nadere uitleg. [verdachte] heeft zich tegenover de politie en tijdens de zitting echter steeds op zijn zwijgrecht beroepen. Onder deze omstandigheden oordeelt de rechtbank dat [verdachte] op het moment dat hij de ring ergens binnen de ten laste gelegde periode (die begint vanaf de datum van de overval op de juwelier) in zijn bezit kreeg, wist dat deze van een misdrijf afkomstig was. De rechtbank concludeert dan ook tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde opzetheling.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :
feit 1 meer subsidiair:
zijn medeverdachte, op 7 mei 2025 te [woonplaats] , ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk bij/voor een woning gelegen aan de [adres] , een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor die woning en nabij gelegen woningen en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van die woning en nabij gelegen woning te duchten was
- zwaar vuurwerk (“Black Thunder”) heeft opgehaald en meegenomen naar die woning om tot ontploffing te brengen en
- met het vuurwerk in zijn hand naar de voordeur van die woning is gelopen en
- met het vuurwerk in zijn hand naar de achterkant van die woning is gelopen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; welk voorgenomen feit verdachte op 6 mei 2025 te Lelystad, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en beloften en het verschaffen van middelen en inlichtingen, te weten door
- zijn medeverdachte via Snapchat te benaderen om tegen betaling zwaar vuurwerk (“c6”) bij die woning te plaatsen en
- het adres waar de beoogde ontploffing moest plaatsvinden, te weten [adres] te [woonplaats] , aan zijn medeverdachte te verstrekken en
- zijn medeverdachte en de opdrachtgever (met Snapchat-account “ [Snapchat-account naam] ”) met elkaar in contact te brengen en
- zijn medeverdachte inlichtingen en instructies te geven om het vuurwerk bij een derde op te halen en bij die woning tot ontploffing te brengen en bewijs te vernietigen;
feit 2:
op 23 oktober 2024 te Nieuwegein, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam, een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen, [aangever 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een pinpas met pincode, door
- te bellen naar het telefoonnummer van voornoemd slachtoffer, en
- zich voor te doen als medewerker van de bank, en
- ( daarbij) diegene te overtuigen om haar bankpas af te staan, en
- ( vervolgens) die bankpas met bijbehorende code op te halen bij de woning van voornoemd slachtoffer;
feit 3:
in de periode van 13 oktober 2024 tot en met 27 oktober 2024 te Houten en/of Lelystad, althans in Nederland, een ring, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet.
4.Kwalificatie en strafbaarheid
4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1 meer subsidiair:
opzettelijke uitlokking van een poging tot opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
feit 2:
medeplegen van oplichting;
feit 3:
opzetheling.
4.2.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en [verdachte] zijn strafbaar.
5.Straf
5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot:
een jeugddetentie van 300 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 148 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met de bijzondere voorwaarden die worden geadviseerd door de Raad, met aanvullend een contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte 1] (feit 1) en de medeverdachte [medeverdachte 2] (feit 2);
een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 100 uur.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van [verdachte] , met de overschrijding van de redelijke termijn en met artikel 63 vanPro het Wetboek van Strafrecht. Verder heeft de advocaat de rechtbank verzocht om [verdachte] niet terug te sturen naar de jeugdgevangenis en ook niet te veel te belasten met een te hoge werkstraf.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
Op 6 mei 2025 heeft [verdachte] medeverdachte [medeverdachte 1] aangezet tot het plegen van een aanslag op een woning waarin een gezin met kinderen woont. [verdachte] heeft [medeverdachte 1] verteld dat hij daarvoor een geldbedrag kon krijgen, hem geïnformeerd waar het explosief kon worden opgehaald, het beoogde doelwit gedeeld en geadviseerd verdachte kleding, zoals handschoenen, na de ontploffing weg te gooien. [verdachte] stond tijdens de uitvoering door [medeverdachte 1] steeds met hem in contact en hoopte te delen in de vergoeding.
[verdachte] heeft op geen enkel moment stilgestaan bij de mogelijke desastreuze gevolgen van zijn handelen. Het is te danken aan de bewoners zelf, die [medeverdachte 1] hebben tegengehouden totdat de politie kwam, dat het explosief niet tot ontploffing is gebracht.
De bewoners van de woning, een gezin bestaande uit vader, moeder en kinderen, werden al langere tijd bedreigd. Dat [verdachte] juist dit gezin als doelwit had, wekt bij de rechtbank grote zorgen. Het is duidelijk dat [verdachte] zich destijds in gevaarlijke kringen begaf. Op de zitting is hij daar ook niet open over geweest. Het gezin heeft een angstige en ingrijpende nacht meegemaakt, met alle gevolgen van dien, zoals blijkt uit de vorderingen van de benadeelde partijen. De vader kampt met slaapproblemen, stressklachten en concentratieproblemen. De moeder is zo angstig en voortdurend alert op nieuwe dreigingen dat zij niet meer kan slapen, uitgeput raakt en minder plezier haalt uit de leuke dingen in haar leven. Ook de zoon heeft moeite met slapen, ervaart stress en concentratieproblemen, is vaak angstig en voortdurend waakzaam. Ook het handelen van [verdachte] heeft het gevoel van veiligheid van het gezin in hun eigen woning – een plek waar men zich juist veilig zou moeten voelen – ernstig aangetast. Het gezin was uiteindelijk genoodzaakt te verhuizen.
De laatste jaren is er een sterke toename van aanslagen met vuurwerkbommen op woningen. De gevolgen zijn groot: woningen raken zwaar beschadigd, straten worden afgezet, woningen worden gesloten of onbewoonbaar verklaard en de hele buurt voelt zich lange tijd onveilig. In sommige gevallen vallen dodelijke slachtoffers of raken mensen ernstig gewond. [verdachte] heeft al deze risico’s en gevolgen willens en wetens voor lief genomen.
Daarnaast heeft [verdachte] zich samen met anderen schuldig gemaakt aan bankhelpdeskfraude. Het slachtoffer was op leeftijd en leek bewust te zijn uitgekozen. In een telefoongesprek deed één van de daders zich voor als politiemedewerker en stelde het slachtoffer voor dat een Roemeense bende haar naam had genoteerd en uit was op haar bezit. Op slinkse wijze werd het slachtoffer bewogen haar pincode telefonisch door te geven en haar bankpas mee te geven aan [verdachte] die zich voordeed als bankmedewerker.
[verdachte] en zijn medeverdachten hebben op geraffineerde wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen van een kwetsbaar slachtoffer. Slachtoffers van dit soort feiten worden niet alleen financieel getroffen; ook hun gevoel van veiligheid en vertrouwen in anderen wordt ernstig geschaad. Dit kan leiden tot gevoelens van schaamte, stress en angst. Bankhelpdeskfraude ondermijnt bovendien het vertrouwen in het betalingsverkeer en het bankwezen en leidt tot hoge kosten voor de banken. [verdachte] heeft alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en heeft zich niet bekommerd om de gevolgen van zijn handelen
Tot slot had [verdachte] een ring in bezit die was buitgemaakt bij een overval op een juwelier. Hij heeft hiervoor geen enkele verantwoordelijkheid genomen. Zijn betrokkenheid bij de overval blijft daarmee onduidelijk.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:
- het strafblad van [verdachte] van 13 mei 2026, waaruit blijkt dat hij eerder voor strafbare feiten is veroordeeld, waaronder een vermogensfeit. Hier houdt de rechtbank in strafverzwarende zin rekening mee;
- een advies van de Raad van 26 mei 2026;
- een pro Justitia rapportage van een (kinder)psycholoog van 7 april 2025, opgesteld voor feit 2 en feit 3, nog vóór het plegen van feit 1;
- de verklaringen van de deskundigen op de zitting.
Het advies van de Raad
Uit het onderzoek van de Raad volgt dat het risico op herhaling wordt ingeschat als laag. [verdachte] laat sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis op 1 december 2025 een positieve ontwikkeling zien. Tegelijkertijd blijven zorgen bestaan rondom zijn beïnvloedbaarheid, het (niet) bieden van weerstand tegen verleidingen en zijn impulsiviteit. [verdachte] heeft daarom nog baat bij begeleiding en een duidelijke structuur. De Raad adviseert een deels voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest. De Raad acht het niet wenselijk om de positieve ontwikkeling van [verdachte] te onderbreken door een nieuwe periode in detentie. Daarnaast adviseert de Raad een onvoorwaardelijke werkstraf.
Pro Justitia rapportage
De psycholoog concludeert dat bij [verdachte] sprake is van een andere gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis. De psychische stoornis was aanwezig ten tijde van het onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde en beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde hiervan. De psycholoog adviseert het onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde in (licht) verminderde mate aan [verdachte] toe te rekenen.
Deskundigenverklaring
Op de zitting heeft de deskundige van de WSG verklaard dat het na wat moeite is gelukt om [verdachte] uit zijn omgeving met negatieve invloeden te halen. [verdachte] profiteert veel van de één-op-één begeleiding van [instelling] . Ook bij een terugval blijft hij eerlijk tegenover zijn behandelaar. Daardoor kan er stapsgewijs worden bekeken of [verdachte] geleidelijk meer vrijheden kan krijgen.
De deskundige van de Raad bevestigde op de zitting dat het [verdachte] , zij het met vallen en opstaan, is gelukt zich op een goede manier te ontwikkelen.
Verminderde toerekenbaarheid
In de hiervoor genoemde rapportage van de psycholoog wordt geadviseerd het onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde in (licht) verminderde mate aan [verdachte] toe te rekenen. Nu de conclusies van de psycholoog gedragen worden door haar bevindingen, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. Bij [verdachte] bestond tijdens het begaan van feit 2 en feit 3 een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in verband waarmee hij in verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht.
Wat betreft de toerekeningsvatbaarheid van [verdachte] ten tijde van feit 1, overweegt de rechtbank het volgende. Het rapport van de psycholoog is uitgebracht voordat feit 1 werd gepleegd, waardoor dit feit niet in de beoordeling van het rapport kon worden meegenomen. De rechtbank gaat er vanuit dat de psychische stoornis ook aanwezig was ten tijde van feit 1. De bij [verdachte] vastgestelde stoornis betreft immers een typische jeugdstoornis die niet snel verdwijnt. Bovendien is het rapport van 7 april 2025 en heeft feit 1 op 6 mei 2025 plaatsgevonden, slechts één maand na het vaststellen van de stoornis. Gelet hierop is de rechtbank ambtshalve van oordeel dat feit 1 ook in (licht) verminderde mate aan [verdachte] toe te rekenen is.
Hiermee houdt de rechtbank dus rekening bij het bepalen van de straf.
Strafkader
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] zich heeft schuldig gemaakt aan ernstige misdrijven die in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie rechtvaardigen. De rechtbank oordeelt desondanks dat [verdachte] niet langer vast hoeft te zitten dan hij al in voorarrest heeft gezeten. Uit het rapport van de Raad en uit de verklaringen van de deskundigen op zitting blijkt namelijk dat sinds [verdachte] is geschorst, sprake is van een positieve ontwikkeling. Als [verdachte] terug zou moeten naar de jeugdgevangenis zou dat de huidige ontwikkeling en met name het huidige behandelplan verstoren. De rechtbank vindt het, in het belang van zowel de samenleving als [verdachte] , wenselijk dat de huidige positieve ontwikkeling wordt voortgezet. Ook heeft bij de beslissing om [verdachte] niet terug naar de jeugdgevangenis te sturen meegewogen dat de rechtbank [verdachte] (licht) verminderd toerekeningsvatbaar acht voor alle feiten.
Alles overwegende oordeelt de rechtbank dat een jeugddetentie voor de duur van 300 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 142 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals die door de Raad zijn geadviseerd, met aanvullend het door de officier van justitie geëiste contactverbod met de medeverdachten, passend en geboden is. Dit betekent dat [verdachte] niet terug hoeft naar de jeugdgevangenis.
De rechtbank vindt een voorwaardelijke jeugddetentie van lange duur passend. Allereerst om als stok achter de deur te dienen. Daarmee hoopt de rechtbank dat [verdachte] de ingezette positieve ontwikkeling kan voortzetten en niet opnieuw zal vervallen in het plegen van strafbare feiten of het opzoeken van foute vrienden. De rechtbank wil daarbij ook onderstrepen hoe erg zij het vindt dat in toenemende mate slachtoffers maar ook de samenleving geconfronteerd worden met explosieven die geplaatst worden in of bij woningen.
De rechtbank zal gelet op de nog te nemen beslissing over de vordering tenuitvoerlegging geen aparte werkstraf aan [verdachte] opleggen. Hiermee wil de rechtbank rekening houden met het feit dat [verdachte] naast de hierna op te leggen werkstraf voor de vordering tenuitvoerlegging, ook druk zal zijn met zijn behandeling in het kader van de bijzondere voorwaarden. De rechtbank wil hiermee aan [verdachte] duidelijk maken dat zijn handelen gevolgen heeft, maar hem anderzijds niet overbelasten.
Overschrijding redelijke termijn
Ten slotte stelt de rechtbank vast dat in de strafzaak met parketnummer 16/338585-24 (feit 2 en feit 3) sprake is van overschrijding van de redelijke termijn van berechting. De rechtbank volstaat met de constatering dat sprake is van een overschrijding, omdat [verdachte] tijdens de schorsing van die zaak een nieuw strafbaar feit (feit 1 meer subsidiair) heeft gepleegd. Hierdoor heeft de berechting van feiten 2 en 3 langer op zich laten wachten. Gelet hierop verbindt de rechtbank geen rechtsgevolgen aan de overschrijding van de redelijke termijn.
De voorlopige hechtenis
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de geschorste bevelen voorlopige hechtenis opheffen.
6.In beslag genomen voorwerpen
Volgens een ‘Lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen’van 5 juni 2026 is beslag gelegd op:
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het goed moet worden onttrokken aan het verkeer.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het in beslag genomen voorwerp, namelijk verdovende middelen, onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Het voorwerp is bij gelegenheid van het onderzoek naar het door [verdachte] begane feit (feit 2 en feit 3) aangetroffen.
7.Vordering benadeelde partij
7.1.
Vorderingen van de benadeelde partijen [aangever 2] , [benadeelde 1] en [benadeelde 2]
[aangever 2] , [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hebben zich gesteld als benadeelde partijen en vorderen elk om [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Het bedrag bestaat steeds uit een vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Verder verzoeken de benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel op te leggen
7.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen in zijn geheel (hoofdelijk) toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel
7.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat zij een onevenredige belasting vormen voor het strafproces. Er worden namelijk psychische klachten gesteld, maar een onderbouwing daarvan ontbreekt. Ook wordt over de gestelde klachten teveel aan [verdachte] toegerekend. Subsidiair heeft de advocaat de rechtbank verzocht het toe te wijzen bedrag te matigen.
7.4.
Oordeel van de rechtbank
De immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BWPro mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vorderingen van de benadeelde partijen in dit geval op deze laatste grondslag zijn gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelden, is de rechtbank van oordeel dat de benadeelden door het strafbare feit op andere wijze in hun persoon zijn aangetast. De benadeelde partijen hebben voldoende concreet toegelicht waaruit de gevolgen bestaan. Zo hebben zij verklaard zich door de poging aanslag bij hun woning voortdurend angstig en alert te voelen en zich thuis niet langer veilig te voelen. Daarnaast zijn zij mede door dit voorval noodgedwongen verhuisd.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van telkens € 1.000,- billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partijen daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.
De wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente steeds toe vanaf 7 mei 2025 tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.
De proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vorderingen tot schadevergoeding allen worden toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partijen hebben gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen en toelichten van de vorderingen en begroot de kosten daarom telkens op nihil.
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor hen doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] telkens een bedrag van € 1.000,- (totaal € 3.000,-) aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2025 tot de dag dat [verdachte] het volledige bedrag heeft betaald.
Als [verdachte] niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast. Gelet op de jonge leeftijd van [verdachte] in deze zaak vindt de rechtbank het echter niet passend om gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling daarom op 0 dagen.
De hoofdelijkheid
Omdat [verdachte] het feit waarvoor de schadevergoedingen worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan (een van) de benadeelde partij(en) heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij(en) te betalen.
8.Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf
De rechtbank in Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg heeft aan [verdachte] in de zaak met parketnummer 02-023613-24 op 24 februari 2025 een jeugddetentie van 60 dagen voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar.
8.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering deels toewijst en omzet naar een werkstraf. Het betreft 30 dagen jeugddetentie om te zetten naar een werkstraf van 60 uren. Voor het overige heeft de officier van justitie geëist dat de proeftijd met één jaar wordt verlengd.
8.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om enkel de proeftijd te verlengen en niet te bevelen dat [verdachte] een werkstraf moet verrichten, omdat hij dan mogelijk te veel werkstrafuren moet verrichten.
8.3.
Oordeel van de rechtbank
[verdachte] heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan een strafbaar feit (feit 1). Hij heeft het feit al een paar maanden na het vonnis gepleegd. Om die reden zal deze straf alsnog in zijn geheel ten uitvoer gelegd worden.
Het gevolg hiervan zou zijn dat [verdachte] voor een periode van 60 dagen in de jeugdgevangenis terechtkomt. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank al uitgelegd waarom zij het niet passend vindt dat [verdachte] naar de jeugdgevangenis wordt gestuurd. De rechtbank is echter wel van oordeel dat [verdachte] een stevige consequentie moet ondervinden van het feit dat hij ondanks een lopende proeftijd snel opnieuw in de fout is gegaan.
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging daarom in zijn geheel toewijzen en omzetten naar een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren.
De rechtbank is van oordeel dat 120 uren werkstraf niet bovenmatig belastend is. De rechtbank gaat ervan uit dat [verdachte] in staat is de werkstraf in een haalbare tijd te voltooien, met inachtneming van de gebruikelijke regelingen voor het verrichten van werkstraffen door jeugdigen. Daarbij wordt er rekening mee gehouden dat [verdachte] niet fysiek of mentaal belemmerd is in het uitvoeren van de werkstraf, zoals ook is gebleken uit het feit dat [verdachte] al werkzaam is als slager.
9.Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf, schadevergoedingsmaatregel en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de artikelen 36b, 36d, 36f, 45, 47, 57, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n 77x, 77y, 77z, 77aa, 157, 326 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.
10.De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart feit 1 primair en feit 1 subsidiair niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart bewezen dat [verdachte] feit 1 meer subsidiair, feit 2 en feit 3 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het feit 1 meer subsidiair, feit 2 en feit 3 bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt [verdachte] tot een jeugddetentievan 300 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de jeugddetentieeen gedeelte van 142 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jarenvast;
- als voorwaarden gelden dat [verdachte] :
zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 vanPro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] gedurende de proeftijd:
op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
o [medeverdachte 1] , geboren op [2007] in [geboorteplaats] en
o [medeverdachte 2] , geboren op [2003] in [geboorteplaats] ;
zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
mee zal werken aan de plaatsing bij [instelling] te [plaats] , of een soortgelijke instelling en zich houdt aan de regels en afspraken die gelden bij deze instelling, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
mee zal werken aan aanvullende begeleiding indien de jeugdreclassering dit nodig acht;
mee zal werken aan behandeling indien de jeugdreclassering dit nodig acht en waar nodig voorzien van een indicatiestelling dan wel rechterlijke beslissing;
zich inzet voor het organiseren en behouden van een zinvolle dagbesteding in de vorm van school en/of werk;
zich inzet voor het organiseren en behouden van een positieve vrijetijdsbesteding;
- waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Flevoland opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;
beslag
- verklaart het volgende voorwerp onttrokken aan het verkeer:
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangever 2] (feit 1 meer subsidiair)
wijst de vordering van [aangever 2] toe tot een bedrag van
veroordeelt [verdachte] tot betaling aan [aangever 2] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan [aangever 2] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, [verdachte] (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
wijst de vordering van [aangever 2] wat betreft het meer gevorderde af;
legt aan [verdachte] de verplichting op ten behoeve van [aangever 2] aan de Staat € 1.000,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling zal geen gijzeling worden toegepast;
bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
legt aan [verdachte] de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen;
bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of een mededader, op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 1 meer subsidiair)
wijst de vordering van [benadeelde 1] toe tot een bedrag van
veroordeelt [verdachte] tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, [verdachte] (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
wijst de vordering van [benadeelde 1] wat betreft het meer gevorderde af;
legt aan [verdachte] de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat € 1.000,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling zal geen gijzeling worden toegepast;
bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
legt aan [verdachte] de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen;
bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of een mededader, op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 1 meer subsidiair)
wijst de vordering van [benadeelde 2] toe tot een bedrag van
veroordeelt [verdachte] tot betaling aan [benadeelde 2] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [verdachte] hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 2] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, [verdachte] (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
veroordeelt [verdachte] ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
wijst de vordering van [benadeelde 2] wat betreft het meer gevorderde af;
legt aan [verdachte] de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 2] aan de Staat € 1.000,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling zal geen gijzeling worden toegepast;
bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
legt aan [verdachte] de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen;
bepaalt dat [verdachte] van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of een mededader, op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 02-023613-24
- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de door de meervoudige kamer in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg bij vonnis van 24 februari 2025 opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf toe;
- gelast in plaats van de vrijheidsstraf het verrichten van een taakstraf in de vorm van een werkstrafvoor de duur van 120 uren;
- beveelt dat voor het geval [verdachte] de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 60 dagen jeugddetentie;
voorlopige hechtenis (16/152655-25 en 16/338585-24)
- heft op de geschorste bevelen tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. den Haan, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. R.B. Eigeman, (kinder)rechter en mr. T. van Haaren-Paulus, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.L. Sterkenburg als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.
De oudste en jongste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging en aanpassing van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
in de zaak met parketnummer 16/152655-25:
feit 1:
hij op of omstreeks 7 mei 2025 bij een woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten, dan wel een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor die woning en/of de in die woning aanwezig goederen en/of nabij gelegen woningen en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van die woning en/of nabij gelegen woningen te duchten was
- zwaar vuurwerk (Black Thunder) heeft opgehaald en meegenomen naar die woning om tot ontploffing te brengen en/of
- met het vuurwerk in zijn hand en/of een aansteker naar de voordeur van die woning is gelopen en/of
- met het vuurwerk in zijn hand en/of een aansteker naar de achterkant van die woning is gelopen en/of terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 mei 2025 te Lelystad, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten brandstichting, dan wel een ontploffing teweegbrengen (als bedoeld in artikel 157 lid 1 enPro 2 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk
- het adres waar de beoogde brandstichting/ontploffing moest plaatsvinden, te weten [adres] te [woonplaats] en/of
- een fiets om zichzelf te vervoeren naar en/of vanaf de plaats delict, kennelijk bestemd tot het begaan van een misdrijf heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;
meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zijn medeverdachte, althans een persoon, op 7 mei 2025 te [woonplaats] , ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten bij/voor een woning gelegen aan de [adres] , dan wel aldaar een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor die woning en/of nabij gelegen woningen en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van die woning en/of nabij gelegen woningen te duchten was
- zwaar vuurwerk (“Black Thunder”) heeft opgehaald en meegenomen naar die woning om tot ontploffing te brengen en/of
- met het vuurwerk in zijn hand naar de voordeur van die woning is gelopen en/of
- met het vuurwerk in zijn hand naar de achterkant van die woning is gelopen en/of terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; welk voorgenomen feit verdachte op 6 mei 2025 te Lelystad, althans in Nederland opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of geweld en/of bedreiging en/of het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, te weten door
- zijn medeverdachte via Snapchat te benaderen om tegen betaling zwaar vuurwerk (“c6”) bij die woning te gooien/plaatsen en/of
- het adres waar de beoogde brandstichting/ontploffing moest plaatsvinden, te weten [adres] te [woonplaats] , aan zijn medeverdachte te verstrekken en/of
- zijn medeverdachte en de opdrachtgever (met Snapchat-account “ [Snapchat-account naam] ”) met elkaar in contact te brengen en/of
- zijn medeverdachte inlichtingen en/of instructies te geven om het vuurwerk bij een derde op te halen en/of bij die woning tot ontploffing te brengen en of bewijs te vernietigen;
meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zijn medeverdachte, op 7 mei 2025 te Lelystad, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten brandstichting, dan wel een ontploffing teweegbrengen (als bedoeld in artikel 157 lid 1 enPro 2 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk
- het adres waar de beoogde brandstichting/ontploffing moest plaatsvinden, te weten [adres] te [woonplaats] en/of
- zwaar vuurwerk (“Black Thunder”) en/of een aansteker en/of
- een fiets om zichzelf te vervoeren naar en/of vanaf de plaats delict, kennelijk bestemd tot het begaan van een misdrijf heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad; welk voorgenomen feit verdachte op 6 mei 2025 te Lelystad, althans in Nederland opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of geweld en/of bedreiging en/of het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, te weten door
- zijn medeverdachte via Snapchat te benaderen om tegen betaling zwaar vuurwerk (“c6”) bij die woning te gooien/plaatsen en/of
- het adres waar de beoogde brandstichting/ontploffing moest plaatsvinden, te weten [adres] te [woonplaats] , aan zijn medeverdachte te verstrekken en/of
- te bemiddelen tussen zijn medeverdachte en de opdrachtgever (“ [Snapchat-account naam] ”) en/of
- zijn medeverdachte inlichtingen en/of instructies te geven om het vuurwerk bij een derde op te halen en/of bij die woning tot ontploffing te brengen en of bewijs te vernietigen;
in de zaak met parketnummer 16/338585-24:
feit 2:
hij op of omstreeks 23 oktober 2024 te Nieuwegein, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het
teniet doen van een inschuld, te weten een pinpas met pincode, door
- te bellen naar het telefoonnummer van voornoemd slachtoffer, en/of
- zich voor te doen als medewerker van de politie en/of de bank, en/of
- ( daarbij) diegene te overtuigen om haar bankpas af te staan, en/of
- ( vervolgens) die bankpas met bijbehorende code op te halen bij de woning van voornoemd slachtoffer;
feit 3:
hij in of omstreeks de periode van 13 oktober 2024 tot en met 27 oktober 2024 te Houten en/of Lelystad, althans in Nederland, een ring, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Bijlage 2: de bewijsmiddelen van feit 3
Uit een proces-verbaal van bevindingen [9] van 12 mei 2024 volgt, zakelijk weergegeven:
Op 27 oktober 2024 was ik belast met het registreren van nagebrachte kleding van verdachte [verdachte] . Deze kleding werd gebracht door de ouders van de verdachte. Ik heb de kleding uit de tas gehaald en geteld. Ter controle heb ik de kleding onderzocht. Bij het nakijken van de aanwezige spijkerboek voelde ik in de zakken.
Ik haalde de zak leeg en zag dat er een goudkleurige ring zat. Ik zag dat de ring ingelegd was met 4 mogelijke diamantjes in een vierkant aan de voorzijde. Ik zag dat aan de aangetroffen ring een prijskaartje zat. Ik zag dat op de voorzijde van het kaartje de naam "Miracle 2.00g" stond, tevens zag ik dat er een code onder stond. Ik zag de code: [code] . Tevens zag ik een eurobedrag op het kaartje staan namelijk: 1.049.- euro. Ik zag aan de achterzijde van het kaartje een streepjescode. Boven de streepjescode zag ik "14K"en "Size 52"staan. Onder de streepjescode stonden 2 getallen met cijfers en letters, namelijk " […] "en daaronder " […] ".
Uit een proces-verbaal van bevindingen [10] van 12 mei 2024 volgt, zakelijk weergegeven:
Ik deed onderzoek naar de aangetroffen ring in de kleding welke gebracht werd door de ouders van [verdachte] . De ring was voorzien van een label, het nummer op dit label betrof 14k, 52, de code
[…] en een barcode […] .
Via openbronnen kwam ik op de website van [juwelier] terecht. Daar bleek dat deze code thuishoorde bij een geelgouden ringbloem met diamanten, 14-karaats geelgoud, ter waarde van 1049,-.
Vervolgens nam ik contact op met [juwelier] Utrecht deze kon mij vertellen dat de ring afkomstig is van de winkel in Lelystad. Ze vertelde mij dat als een ring wordt verkocht de standaardprocedure is dat het label eraf gehaald wordt.
De medewerker van [juwelier] verklaarde mij dat ze op 17 augustus 2024 er een gewapende overval was geweest en op 13 oktober 2024 ook een overval. Beide keren waren er diverse goederen buit gemaakt. Ze gaf aan dat deze ring zeer vermoedelijk 13 oktober buit is gemaakt. Ze gaf aan dat de code welke begint 42 een unieke code is, waardoor een goed herleidbaar is en dat daar ook een barcode bij hoort.
Ik deed binnen de politiesystemen onderzoek ik zag dat het proces van overval PL0900-2024325193 was. Van het onderzoeksteam kreeg ik de aangeleverde lijst met goederen welke weggenomen waren. Op deze lijst zag ik dezelfde ring staan. Bij de afbeelding van deze ring stonden de volgende nummers: […] en […] .
Uit een proces-verbaal van aangifte [11] van 13 oktober 2024 volgt, zakelijk weergegeven:
Op 13 oktober was ik aan het werk in de winkel. Ik zag een persoon de winkel binnen komen lopen. Toen ik goed keek, viel mij pas op dat hij een bivakmuts op had. Terwijl wij wegliepen zag ik hem slaande bewegingen maken. Ik hoorde glasgerinkel en zag de vitrines kapotgaan. Ik zag de persoon weer de winkel uitrennen.