ECLI:NL:RBMNE:2026:3621

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/5404 en UTR 25/7365
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:2 AwbArt. 8:1 AwbArt. 4.2.1 JeugdwetHoofdstuk 9 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in handhavingsverzoeken tegen jeugdhulpaanbieder

Eiser heeft bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad handhavingsverzoeken ingediend tegen een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, stellende dat deze niet de toegezegde zorg verleent en geen klachtenregeling heeft. Het college heeft de verzoeken niet in behandeling genomen, waarop eiser beroep instelde wegens het niet tijdig beslissen.

De rechtbank heeft beoordeeld of de verzoeken kwalificeren als aanvragen in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het verzoek tot handhaving van de zorgverlening betreft privaatrechtelijke contractuele verplichtingen tussen het college en de jeugdhulpaanbieder, waardoor geen sprake is van een publiekrechtelijke aanvraag. Het verzoek tot handhaving van het ontbreken van een klachtenregeling betreft wel een publiekrechtelijke aanvraag, maar het college is niet bevoegd tot handhaving; deze taak berust bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.

Daarom verklaart de rechtbank zich onbevoegd kennis te nemen van de beroepen. De rechtbank draagt het college op het verzoek betreffende de klachtenregeling door te sturen naar de bevoegde toezichthouder. Eiser krijgt het betaalde griffierecht terug, maar geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de beroepen tegen het niet tijdig beslissen op handhavingsverzoeken jegens de jeugdhulpaanbieder.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/5404 en UTR 25/7365

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad

(gemachtigde: mr. A.J. Nooitgedagt).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beroepen die eiser heeft ingesteld omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn handhavingsverzoeken van 9 maart 2025 en 20 juli 2025.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat zij onbevoegd is om kennis te nemen van de beroepen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 9 maart 2025 en 20 juni 2025 aan het college gevraagd om handhavend op te treden tegen [instelling] ( [instelling] ). [instelling] is een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Op grond van een beschikking van 2 mei 2024 is [instelling] door de gemeente aangewezen om jeugdhulp te verlenen aan de zoon van eiser. Bij beschikking van dezelfde datum is de door eiser aangevraagde ouderbegeleiding afgewezen omdat deze begeleiding al onderdeel uitmaakt van de jeugdhulp die aan de zoon van eiser is toegewezen. Volgens eiser is de jeugdhulp niet of nauwelijks door [instelling] verleend en daarom heeft hij het college verzocht om handhavend op te treden tegen [instelling] . Ook heeft eiser in zijn verzoek gemeld dat het [instelling] ten onrechte niet over een klachtenregeling beschikt.
2.1.
Het college heeft aangegeven dat zij de handhavingsverzoeken niet in behandeling kan nemen. Volgens eiser is er tot op heden niet beslist op zijn verzoeken om handhaving. Hij heeft op 15 mei 2025 en 18 september 2025 ingebrekestellingen gestuurd aan het college.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoeken.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 20 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.
2.4.
Op de zitting heeft het college toegezegd dat de afdeling contractmanagement een onderzoek zal uitvoeren naar (in elk geval) de vraag of [instelling] zich ten aanzien van (de zoon van) eiser heeft gehouden aan de contractuele afspraken met de gemeente.
2.5.
Op 11 maart 2026 heeft het college een onderzoekplan overgelegd met daarin de te nemen stappen en de planning ervan.
2.6.
Op 2 april 2026 heeft eiser aangegeven dat het onderzoeksplan voor hem onvoldoende concreet is, dat hij niet op de hoogte is gehouden van de planning en dat hij zijn beroepen daarom wenst te handhaven.
2.7.
Partijen hebben toestemming gegeven om zonder een nadere zitting uitspraak te doen.
2.8.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. De handhavingsverzoeken van eiser kunnen worden uitgesplitst in twee onderwerpen: enerzijds zien de verzoeken op de stelling van eiser dat [instelling] niet de toegezegde zorg heeft verleend. Anderzijds zien de verzoeken op het feit dat [instelling] geen klachtenregeling heeft terwijl dat volgens eiser wettelijk verplicht is. Beide verzoeken zal de rechtbank hieronder afzonderlijk bespreken.
Het niet verlenen van zorg door [instelling]
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat [instelling] tekortgeschoten is in de aan zijn zoon geleverde zorg. Omdat het college verantwoordelijk is voor het leveren van deze zorg, zouden zij [instelling] volgens eiser moeten aanspreken op het (niet) naleven van hun contractuele verplichtingen jegens de gemeente. Hij heeft dat gedaan in de vorm van een handhavingsverzoek.
5. De rechtbank moet zich uitlaten over de vraag of het handhavingsverzoek van eiser kan worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als er geen sprake is van een aanvraag dan heeft eiser namelijk niet gevraagd om een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat betekent dat ook geen sprake kan zijn van een met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb. Dat zou vervolgens betekenen dat volgens artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, ook geen beroep kan worden ingesteld.
6. Uit artikel 1:3, derde lid, van de Awb volgt dat onder een aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen. Uit het eerste lid, van artikel 1:3, van de Awb volgt dat onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Dit betekent dat de voorzieningenrechter moet beoordelen of het verzoek erop is gericht dat het college een besluit neemt, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling dan wel of eisers belanghebbenden zijn bij hun verzoek om handhaving.
7. Naar het oordeel van de rechtbank kan het verzoek van eiser om handhavend op te treden tegen [instelling] niet worden beschouwd als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Eiser verzoekt het college om [instelling] aan te spreken op het nakomen van verplichtingen die volgens eiser voortvloeien uit de zorgovereenkomst met het college. Feitelijk vraagt eiser dus aan het college om haar bevoegdheden als contractuele partij jegens [instelling] aan te wenden om de in het verzoek omschreven ongewenste situatie te onderzoeken. Dat betekent dat eiser verzoekt om privaatrechtelijk handelen, namelijk uit hoofde van de zorgovereenkomst. Omdat eiser niet verzoekt om een publiekrechtelijke rechtshandeling, kan het verzoek dus niet worden aanmerkt als een aanvraag waarop het college een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb zou moeten nemen.
8. Dat betekent dat er geen situatie is ontstaan waarin eiser het college kan aanspreken op het niet tijdig nemen van een besluit. Dat betekent dat de bestuursrechter niet bevoegd is om van dit deel van het beroep van eiser kennis te nemen.
De klachtenregeling van [instelling]
9. Eiser verzoekt het college ook om handhavend op te treden jegens [instelling] omdat zij geen klachtenregeling hebben en dat volgens de wet wel zou moeten.
10. De rechtbank overweegt dat in artikel 4.2.1 van de Jeugdwet staat dat jeugdhulpaanbieders een klachtenregeling moeten hebben. Voor zover eiser vraagt om handhaving van dat wettelijk vereiste is naar het oordeel van de rechtbank dus wel sprake van een aanvraag in de zin van de Awb. Er wordt met dit deel van het verzoek immers gevraagd om een rechtshandeling die gericht is op enig publiekrechtelijk rechtsgevolg.
11. Het college is in dit geval echter niet bevoegd om handhavend op te treden. Op grond van hoofdstuk 9 van de Jeugdwet is het namelijk de Inspectie Gezondheidszorg en jeugd (IGJ) die toezicht uitoefent op de kwaliteit van jeugdhulpaanbieders en die tegen het niet naleven van de wettelijke vereisten handhavend kan optreden. Omdat het college niet bevoegd is een besluit te nemen op de aanvraag, kan ook geen sprake zijn van een met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit in de zin van artikel 6:2, onder b, van de Awb. Gelet op artikel 8:1 van Pro de Awb is de rechtbank daarom ook niet bevoegd om kennis te nemen van dit deel van het beroep van eiser.

Conclusie en gevolgen

12. Uit het voorgaande volgt dat de bestuursrechter onbevoegd is om van de beroepen van eiser kennis te nemen.
13. Dit laat onverlet dat het college heeft nagelaten om het tweede deel van het handhavingsverzoek (ten aanzien van de klachtenregeling) door te sturen naar het bevoegde bestuursorgaan, de IGJ. De rechtbank draagt het college op dit alsnog onverwijld te doen.
14. Omdat de rechtbank zich onbevoegd verklaart krijgt eiser het griffierecht van de rechtbank terug. Hij krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart zich onbevoegd;
- bepaalt dat de griffier van de rechtbank aan eiser het griffierecht terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.L. Kosterman-Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.