ECLI:NL:RBMNE:2026:3619

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
UTR 26/3417
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArtikel 10 Beleidsregels Terugvordering, Invordering en Verhaal Stichtse Vecht 2020
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij herziening bijstandsuitkering wegens onvoldoende spoedeisend belang

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de herziening van zijn bijstandsuitkering door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, waarbij is vastgesteld dat hij €4.823,78 te veel heeft ontvangen en dit bedrag moet terugbetalen.

De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om een voorlopige voorziening en stelt vast dat bij financiële geschillen doorgaans geen sprake is van onverwijlde spoed, omdat het bedrag na afloop van de bodemprocedure alsnog kan worden terugbetaald, eventueel met rente. Verzoeker stelt dat hij het bedrag niet kan terugbetalen vanwege zijn bijstandsinkomen en het ontbreken van mogelijkheden om een lening te verkrijgen.

De rechtbank heeft verzoeker verzocht zijn spoedeisend belang te onderbouwen, maar hij heeft hier onvoldoende op gereageerd. De voorzieningenrechter concludeert dat er geen acute financiële nood is aangetoond en dat het mogelijk is om afspraken te maken over terugbetaling. Ook is nog geen boete opgelegd. Daarom is het verzoek kennelijk ongegrond en wordt het afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/3417

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
In het bestreden besluit van 23 april 2026, verzonden op 30 april 2026, heeft het college verzoekers bijstandsuitkering herzien. De bijstandsuitkering is voor de periode 1 mei 2025 tot en met 31 juli 2025 én de periode 1 september 2025 tot en met 28 februari 2026 herzien, omdat verzoeker in die periode recht had op een lagere norm dan aan hem is uitbetaald. Als gevolg daarvan is vastgesteld dat verzoeker € 4.823,78 aan teveel ontvangen bijstand moet terugbetalen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de rechtbank gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld acute financiële nood, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoeker voert over het spoedeisend belang aan dat hij de opgelegde boete niet kan betalen. Zijn inkomen bestaat alleen uit de bijstandsuitkering. Ook kan hij vanwege zijn bijstandsuitkering geen lening krijgen.
4. De rechtbank heeft verzoeker in de brief van 18 mei 2026 gevraagd om te onderbouwen (zo mogelijk met stukken) welke spoedeisende belangen het treffen van een voorlopige voorziening vereisen. Daarbij is opgemerkt dat het enkel ontbreken van schorsende werking aan het bezwaar mogelijk niet voldoende is om een voorziening te treffen. Op 22 mei 2026 heeft verzoeker gevraagd om uitstel voor het onderbouwen van zijn spoedeisend belang. Hij wil namelijk bij zijn rechtsbijstandsverzekeraar advies inwinnen. In de brief van 29 mei 2026 is aan verzoeker twee weken de tijd gegeven om het spoedeisend belang te onderbouwen. Verzoeker heeft niet meer gereageerd.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Verzoeker heeft onvoldoende onderbouwd dat sprake is van onverwijlde spoed. De stelling dat hij het terugbetalen van de boete (de rechtbank leest hier ‘de teveel ontvangen uitkering’) niet kan (terug)betalen, is hiervoor onvoldoende. Het is niet gebleken dat verzoeker in een acute financiële noodsituatie terecht komt. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat uit het bestreden besluit volgt dat het mogelijk is om afspraken te maken over de terugbetaling. [1] Zo staat in het bestreden besluit het volgende:
“Als u het terug te betalen bedrag niet op tijd terugbetaalt of geenafspraken over de terugbetalingmaakt, zal de gemeente Stichtse Vecht overgaan tot het afgeven van een dwangbevel. Dit geldt ook als u deafspraken over de terugbetalingniet meer nakomt.” [2]
Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verzoeker al dan niet afspraken heeft gemaakt over de terugbetaling van de teveel ontvangen uitkering.
6. Verder merkt de voorzieningenrechter op dat op dit moment nog geen boete is opgelegd. In het bestreden besluit staat dat verweerder dit gaat onderzoeken en verzoeker hierover nog bericht krijgt.
7. Conclusie is dat er geen spoedeisend belang is. Er is dan ook geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

8. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zoals ook volgt uit artikel 10 van Pro de Beleidsregels Terugvordering, Invordering en Verhaal Stichtse Vecht 2020.
2.Onderstreping is door de rechtbank aangemaakt.