ECLI:NL:RBMNE:2026:3618

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/2882
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. Coenen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19aa ZiektewetArt. 28 ZiektewetArt. 45 lid 1 onder c ZiektewetBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling stopzetting Ziektewetuitkering na medische heroverweging door UWV

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiseres tegen het besluit van het UWV om haar Ziektewetuitkering stop te zetten omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen. De rechtbank had eerder een tussenuitspraak gedaan waarin werd vastgesteld dat het UWV het besluit onvoldoende zorgvuldig had voorbereid doordat een medische heroverweging ontbrak.

Het UWV heeft dit gebrek hersteld door een aanvullende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die op basis van beschikbare stukken een medische heroverweging uitvoerde ondanks het feit dat eiseres niet op het spreekuur verscheen. De rechtbank oordeelt dat deze rapportage voldoet aan de vereisten van zorgvuldigheid, begrijpelijkheid en consistentie.

Eiseres voerde aan dat haar beperkingen onderschat waren en dat zij de geduide voorbeeldfuncties niet kon vervullen. De rechtbank stelt echter vast dat de beperkingen in de functionele mogelijkhedenlijst (fml) juist zijn vastgesteld en dat de arbeidsdeskundige beoordeling de geschiktheid van de voorbeeldfuncties voldoende motiveert.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege het eerdere gebrek, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat het UWV het gebrek heeft hersteld en de overige beroepsgronden niet slagen. Eiseres krijgt een proceskostenvergoeding toegekend vanwege het procedurele gebrek.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat het UWV de Ziektewetuitkering terecht heeft stopgezet na herstel van het procedurele gebrek.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2882

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. I. Rhodes),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: R.M.H. Rokebrand).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het stopzetten van de Ziektewetuitkering van eiseres omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eiseres of het Uwv de Ziektewetuitkering terecht heeft stopgezet.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv de Ziektewetuitkering terecht heeft stopgezet. Het bestreden besluit is niet op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Het Uwv heeft dit gebrek na de tussenuitspraak hersteld. In deze einduitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat de overige beroepsgronden niet slagen. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Zij krijgt wel een proceskostenvergoeding vanwege het gebrek in het bestreden besluit. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 9 maart 2026 heeft de rechtbank in deze zaak een tussenuitspraak (de tussenuitspraak) gedaan. Voor het procesverloop tot dat moment verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraak.
2.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het Uwv in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
2.2.
Het Uwv heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend. Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om haar zienswijze in te dienen.
2.3.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Deze procedure gaat om het stopzetten van de Ziektewetuitkering van eiseres na haar uitval van haar werk als [functie] . De datum die ter beoordeling voorligt (de datum in geding) is 8 december 2023. Eiseres vindt dat zij meer beperkingen heeft dan de verzekeringsarts heeft aangenomen. Eiseres is het dus niet eens met het medisch oordeel. Vast staat dat eiseres tijdens de bezwaarprocedure drie keer is uitgenodigd voor het spreekuur van de verzekeringsarts in bezwaar, maar dat zij zich steeds heeft afgemeld. Het beroep van eiseres richt zich niet tegen het feit dat op het bezwaar is beslist zonder dat zij op spreekuur is gezien.
De tussenuitspraak
4. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. [1]
4.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat geen sprake is geweest van een zorgvuldige heroverweging in bezwaar omdat er geen medische heroverweging had plaatsgevonden door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het bestreden besluit is onvoldoende zorgvuldig voorbereid omdat een medische heroverweging ten onrechte geheel achterwege is gebleven.
Herstel van het geconstateerde gebrek
5. Het Uwv heeft op 2 april 2026 een aanvullende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend om het geconstateerde gebrek te herstellen. In deze rapportage heeft de verzekeringsarts uitgelegd welke mogelijkheden tot haar beschikking staan nu eiseres niet verschijnt op het spreekuur. De verzekeringsarts heeft de medische heroverweging uitgevoerd aan de hand van de beschikbare stukken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep komt tot het oordeel dat er geen redenen zijn om de belastbaarheid van eiseres te wijzigen. Naar haar oordeel zijn de arbeidsbeperkingen in de functionele mogelijkhedenlijst (fml) van 22 november 2023 passend bij de aard en ernst van de klachten van eiseres. Ook is uitgelegd dat er gezien de reeds aangenomen beperkingen in de fml, geen reden is om in aanvulling daarop nog een urenbeperking aan te nemen.
5.1.
Eiseres heeft geen zienswijze ingediend naar aanleiding van de medische heroverweging.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het Uwv het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek met de aanvullende motivering heeft hersteld. Met de aanvullende rapportage heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, ondanks het feit dat eiseres niet op het spreekuur is verschenen, toch een medische heroverweging uitgevoerd. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een oordeel gegeven over de juistheid van de vaststellingen van de primaire verzekeringsarts en de juistheid van de belastbaarheid zoals die is vastgesteld in de fml van 22 november 2023.
Beoordeling van het bestreden besluit
6. Nu de rechtbank van oordeel is dat het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is hersteld, moet de rechtbank beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. De rechtbank beoordeelt of het Uwv de Ziektewetuitkering van eiseres terecht heeft stopgezet. Voor die beoordeling is van belang of eiseres op de datum in geding, namelijk 8 december 2023, meer dan 65% van het maatmaninkomen kon verdienen.
Toetsingskader
7. In artikel 19aa van de Ziektewet is bepaald dat een verzekerde zonder werkgever na 52 weken alleen nog recht heeft op Ziektewetuitkering als hij ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid én door ziekte niet meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Dat betekent voor eiseres dat het Uwv ook kijkt of zij mogelijkheden heeft om in ander werk dan haar eigen werk aan de slag te gaan, zodat zij met algemeen gangbare arbeid meer dan 65% van haar eerder verdiende salaris kan verdienen. Deze beoordeling vindt plaats bij de Eerstejaars Ziektewet-beoordeling.
7.1.
De arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is gebaseerd op een medische beoordeling door de verzekeringsarts en vervolgens een arbeidskundige beoordeling door de arbeidsdeskundige. [2]
7.2.
Het Uwv mag besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid baseren op medische rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten, en voldoende begrijpelijk zijn. De rapporten en besluiten zijn in beroep aanvechtbaar. Daarvoor moet eiseres aanvoeren (en zo nodig aannemelijk maken) dat de rapporten niet aan de genoemde voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan. Om voldoende aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel informatie van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Dit betekent dat hoe eiseres zich zelf voelt zonder dat daar een medische onderbouwing voor is, niet genoeg is om bij de rechtbank gelijk te krijgen.
De zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
8. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het medisch onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan de onder 7.2 genoemde voorwaarden. Vast staat dat eiseres niet op het spreekuur is verschenen. Zij wil ook niet op spreekuur verschijnen. [3] De rechtbank is het met de verzekeringsarts bezwaar en beroep eens dat zij in dat geval het beroep enkel kan afhandelen op basis van de beschikbare stukken. Uit de rapportage van 2 april 2026 blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beschikbare stukken in het dossier heeft bestudeerd en betrokken bij de heroverweging. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport eenduidig, inzichtelijk en zonder tegenstrijdigheden gemotiveerd hoe de beoordeling tot stand is gekomen. Het rapport voldoet dus aan de drie voorwaarden en is naar het oordeel van de rechtbank op zorgvuldige wijze tot stand gekomen.
De medische beoordeling
9. Eiseres voert aan dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Zij vindt dat de beperkingen in de fml niet juist zijn.
9.1.
De rechtbank stelt voorop dat het de specifieke deskundigheid van een verzekeringsarts is om de klachten van eiseres te vertalen in arbeidsbeperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 2 april 2026 beoordeeld dat er geen redenen zijn om de belastbaarheid van eiseres verder te beperken. De rechtbank stelt vast dat de knieklachten, gewrichtsklachten, en oogklachten zijn beoordeeld en meegewogen bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Vanwege de klachten van eiseres zijn in de fml beperkingen aangenomen voor de belastbaarheid van eiseres. Zij is beperkt op:
  • conflicthantering,
  • trillingsbelasting (geen grove schokken, stoten of trillingen op het lichaam),
  • dominantie (rechts),
  • lokalisatie beperkingen (links),
  • buigen (tot ongeveer 60 graden, incidenteel tot de norm),
  • frequent buigen tijdens het werk,
  • duwen en trekken (links beperkt),
  • tillen tijdens het werk,
  • dragen tijdens het werk,
  • lopen,
  • lopen tijdens het werk (lopen en/of staan),
  • trappenlopen,
  • klimmen,
  • knielen of hurken,
  • specifieke overige beperkingen van het dynamisch handelen (lopen en/of staan maximaal vier uur per dag),
  • staan,
  • staan tijdens het werk (lopen en/of staan maximaal vier uur per dag),
  • geknield of gehurkt actief zijn,
  • boven schouderhoogte actief zijn (kan niet met links boven schouderhoogte werken),
  • overige beperkingen van statische houdingen (lopen en/of staan maximaal vier uur per dag), en
  • werktijden (geen nachtdiensten).
De verzekeringsarts heeft deugdelijk uitgelegd waarom er geen medische redenen zijn om de belastbaarheid van eiseres verder te beperken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook beoordeeld dat er, rekening houdend met de in de fml opgenomen beperkingen, geen medische gronden zijn om een urenbeperking aan te nemen voor eiseres. Deze beoordeling is verricht conform de standaard ‘Duurbelastbaarheid in arbeid’. De rechtbank kan deze uitleg volgen. De rechtbank overweegt dat eiseres ook geen medische informatie heeft ingebracht om haar standpunt te ondersteunen. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding is tot twijfel aan de juistheid van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling of de in de fml opgenomen beperkingen. Aan de manier waarop eiseres zelf haar klachten ervaart, hoe begrijpelijk ook, kan in de systematiek van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geen doorslaggevende betekenis toekomen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De arbeidsdeskundige beoordeling
10. Eiseres voert aan dat zij om medische redenen niet in staat is om de door de arbeidsdeskundige geduide voorbeeldfuncties uit te voeren. Uit wat hiervoor is overwogen volgt echter dat ervan moet worden uitgegaan dat de beperkingen die in de fml van
22 november 2023 voor eiseres zijn opgenomen, juist zijn. De grond dat eiseres de functies niet kan vervullen omdat haar belastbaarheid onjuist is vastgesteld, kan daarom niet slagen.
10.1.
De rechtbank oordeelt dat er geen reden is om te twijfelen aan de geschiktheid van de geduide voorbeeldfuncties. In het arbeidsdeskundig rapport van 27 maart 2025 is deugdelijk gemotiveerd dat de geduide voorbeeldfuncties de belastbaarheid van eiseres, zoals vastgelegd in de fml van 22 november 2023, niet overschrijden en dus passend zijn. Deze functies heeft het Uwv dan ook ten grondslag mogen leggen aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres en de conclusie dat zij meer dan 65% van het maatmaninkomen kan verdienen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat het Uwv in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld en de overige beroepsgronden niet slagen, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit betekent dat de beslissing van het Uwv onder aan de streep wel juist was, maar dat de voorbereiding van die beslissing beter had gemoeten. De Ziektewetuitkering van eiseres is terecht stopgezet met ingang van 17 februari 2024.
11.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. Eiseres krijgt ook een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het Uwv moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 934,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
  • draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Coenen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).
2.Dat volgt uit artikel 2 van Pro het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.
3.De rechtbank wijst erop dat een verzekerde op grond van artikel 28 van Pro de Ziektewet verplicht is om mee te werken aan een geneeskundig onderzoek door een door het Uwv aangewezen arts. Aan het niet meewerken aan een geneeskundig onderzoek kunnen op grond van artikel 45, eerste lid, onder c van de Ziektewet gevolgen worden verbonden. In dit geval heeft het Uwv echter geen gebruik gemaakt van die mogelijkheid en dat is dan ook niet aan de orde in deze procedure.