Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3614

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
C/16/605055 / HA ZA 26-18
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsovereenkomst kluswerkzaamheden vakantiehuis Noorwegen

Eiser heeft werkzaamheden verricht aan een vakantiehuis in Noorwegen, waaronder kluswerkzaamheden en meubelmakerij, en vordert betaling van € 38.925,00 plus rente en kosten van gedaagde. Gedaagde betwist de opdracht en ontkent kennis van eiser en het vakantiehuis.

De rechtbank beoordeelt dat er een overeenkomst van opdracht is gesloten, waarbij eiser werkzaamheden heeft verricht voor een afgesproken bedrag van € 48.000,00. Eiser heeft bewijs geleverd met foto’s, correspondentie en betalingsbewijzen, terwijl gedaagde niet is verschenen om zijn stellingen toe te lichten.

De rechtbank concludeert dat eiser mocht aannemen dat gedaagde opdrachtgever was, mede gelet op de informele relatie en betalingen van bankrekeningen van gedaagde. De rechtbank wijst een hoofdsom van € 27.085,00 toe, plus wettelijke rente vanaf dagvaarding, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 27.085,00 plus rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/605055 / HA ZA 26-18
Proces-verbaal van de uitspraak van 12 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. R.A. Bos,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. V.M. Besters.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Utrecht.
De zaak wordt behandeld door mr. N.A.J. Purcell, rechter, bijgestaan door mr. F.A.M. van Gils-Buiskool Toxopeus als griffier.
Aanwezig zijn:
- [eiser] bijgestaan door mr. R.A. Bos en
- mr. V.M. Besters.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met producties 1 tot en met 10
  • de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3
  • de akte van [eiser] met correcties
  • de namens de rechter gestuurde mail met vragen en excel-bestand
  • de door [gedaagde] ingediende productie 4.
1.2
Partijen hebben op de zitting vragen van de rechter beantwoord en hun standpunten toegelicht. Van de mondelinge behandeling zijn door de griffier aantekeningen gemaakt. Daarna is de mondelinge behandeling gesloten.
1.3
Na een schorsing van de zitting heeft de rechter mondeling uitspraak gedaan. Die mondelinge uitspraak en de motivering daarvan is hieronder opgenomen in paragraaf 3 en 4. Paragrafen 1 en 2 zijn toegevoegd voor de duidelijkheid.

2.Waar gaat deze rechtszaak over?

2.1
[eiser] heeft kluswerkzaamheden verricht aan een vakantiehuis in Noorwegen. Hij heeft ook meubels voor dit huis gemaakt. [eiser] stelt dat hij deze werkzaamheden in opdracht van [gedaagde] heeft uitgevoerd. [eiser] eist betaling van een hoofdsom van € 38.925,00 vermeerderd met rente en kosten. [gedaagde] betwist dat en zegt dat hij [eiser] niet kent en geen vakantiewoning in Noorwegen heeft en [eiser] geen opdracht heeft gegeven.

3.De beoordeling

De beslissing in het kort
3.1
Ik wijs een hoofdsom van € 27.085,00 toe.
De hoofdvragen
3.2
De twee hoofdvragen in dit geschil zijn:
  • heeft [eiser] een overeenkomst van opdracht of aanneming van werk gesloten, wat hield die opdracht in?
  • Met wie heeft [eiser] deze overeenkomst gesloten?
Mijn antwoorden op deze vragen zal ik nu geven.
Is er een overeenkomst van opdracht (aanneming van werk) en wat was de inhoud?
3.3
De onderbouwing van de vordering in de dagvaarding is zeer mager. Er staat weinig of niets in over hoe de overeenkomst tot stand is gekomen en wat die inhield. De factuur waarvan in deze procedure de betaling wordt gevorderd is onbegrijpelijk. Vandaag op de mondeling behandeling heb ik veel vragen kunnen stellen aan [eiser] en daarop antwoorden gekregen. [gedaagde] was – zonder voorafgaand bericht - niet aanwezig en aan die kant zijn de vragen dus onbeantwoord gebleven.
3.4
Veel van wat [eiser] vandaag heeft verteld vindt steun in het dossier. Zijn verhaal is te matchen met producties die bij de dagvaarding en conclusie van antwoord zijn gevoegd. [eiser] heeft verteld:
  • dat hij in juni en december 2023 persoonlijk contact heeft gehad met [A] en [gedaagde] . In juni 2023 heeft hij ze via beeldbellen gesproken en in december was hij in hun bedrijfspand in Hoofddorp op bezoek.
  • dat hij in juni al de opdracht kreeg voor de verbouwing van het vakantiehuis in Noorwegen.
  • dat de daarvoor afgesproken prijs € 48.000,00 was, kennelijk inclusief btw, al is dat laatste (inclusief btw) niet helemaal helder.
  • dat eerst de bedoeling om het huis uitgebreid op te knappen, terwijl dit in december is aangepast tot dat het voldoende toegankelijk en veilig was om op korte termijn te gaan verhuren via Airbnb. Het afgesproken bedrag bleef wel hetzelfde maar de invulling van de werkzaamheden werd anders. Er was minder werk aan het huis, maar [eiser] zou ter compensatie ook meubels maken voor in het huis.
  • dat [eiser] in maart 2023 de meubels gemaakt in Nederland en die met een bedrijfsbus en aanhanger heeft vervoerd naar Noorwegen. Daar heeft [eiser] van eind maart tot eind april 2023 met [A] gewerkt aan het vakantiehuis.
[eiser] heeft als productie 4 foto’s overgelegd waarop te zien is dat hij de werkzaamheden verricht. [eiser] heeft als productie 5 correspondentie met [A] overgelegd waarin onder andere duidelijke steun is te vinden voor de stelling dat [eiser] voor € 48.000,00 de werkzaamheden zou verrichten. Hij is, na lang wachten, deels betaald, en deels nooit betaald. [eiser] heeft betalingsbewijzen overgelegd. Er zijn vijf betalingen gedaan aan [eiser] van in totaal € 22.820,60 vanaf bankrekeningen op naam van [gedaagde] of op naam van [gedaagde] en zijn echtgenote. Twee van de betalingen heeft [eiser] na korte tijd weer teruggestort, naar zijn zeggen op stevig aandringen van [A] en [gedaagde] .
3.5
[gedaagde] stelt hier eigenlijk niets tegenover. De enkele stelling dat hij [eiser] niet zou kennen is, tegenover wat [eiser] allemaal heeft aangevoerd, duidelijk onvoldoende. Ik ga daarom uit van wat [eiser] stelt. Er is een overeenkomst gesloten, [eiser] zou werkzaamheden verrichten, hij zou daar in totaal € 48.000 voor ontvangen, en hij heeft de werkzaamheden verricht.
Met wie is deze overeenkomst gesloten?
3.6
Vervolgens moet worden beoordeeld met wie deze overeenkomst is gesloten. [eiser] stelt:
  • dat, zowel op het moment dat de opdracht in juni 2023 werd gegeven als het moment dat die in december 2023 werd gewijzigd, sprak hij met [gedaagde] én [A] , maar kennelijk is niet besproken wie de opdrachtgever was.
  • dat hij begreep dat [gedaagde] de eigenaar was van de vakantiewoning in Noorwegen.
  • dat op zijn vraag naar wie hij de facturen voor de werkzaamheden moest sturen werd gezegd dat die naar [A] moesten.
  • dat hij al het praktische contact met [A] had.
  • dat [A] daarbij namens of mede namens zijn vader [gedaagde] handelde. Daarbij is ook van belang dat [eiser] heeft verklaard dat [gedaagde] tijdens de werkzaamheden in Noorwegen alle kosten droeg voor overnachtingen en van het eten van zowel [A] als [eiser] .
  • dat alle contacten over betaling – en over het uitblijven van betaling – met [A] waren, maar dat alle ontvangen betalingen van de facturen voor de werkzaamheden zijn voldaan van bankrekeningen van [gedaagde] .
  • dat hij kort na de betalingen is gebeld door Rabobank, de bank van [gedaagde] , met vragen over zijn eigen bedrijf en met de opmerking dat de facturen op naam van [gedaagde] zouden moeten staan, omdat betaald werd uit een bouwdepot of in ieder geval uit een voor de verbouwing geoormerkt potje met geld dat gelinkt was aan [gedaagde] .
3.7
Deze omstandigheden dragen de conclusie dat [eiser] mocht aannemen dat [gedaagde] zijn opdrachtgever was. In mijn oordeel telt mee dat het een informeel traject was. In veel bouwzaken is er een schriftelijke overeenkomst, maar dat is hier niet zo. De relatie tussen [eiser] en vader en zoon [gedaagde] was informeel en daarom is het hier ook allemaal informeel gegaan. Maar er is genoeg aan stukken in het dossier om de stellingen van [eiser] te onderbouwen. En tegenover dit alles stelt [gedaagde] slechts: nietes. Als je iemand echt niet kent en je helemaal niets te maken hebt met het vakantiehuis kun je zeggen: ik ken de eiser niet en ik heb niet eens een vakantiehuis. Maar hier is evident meer aan de hand. Het lag daarom op de weg van [gedaagde] om méér te zeggen dan: ik ken [eiser] niet en ik heb geen vakantiehuis. Als hij dat niet doet én onaangekondigd niet op de zitting verschijnt zodat hij geen vragen kan beantwoorden, ligt in de rede dat ik uitga van de - goed onderbouwde - stellingen van [eiser] .
De conclusie: [gedaagde] moet nog betalen aan [eiser]
3.8
De berekening van het nog door [gedaagde] te betalen bedrag ziet er als volgt uit:
  • de stelling van [eiser] dat er een afspraak is gemaakt over een totaal bedrag van € 48.000 vindt als al gezegd steun in de notitie van [A] van 4 december 2024 (productie 5 bij dagvaarding) en is het uitgangspunt.
  • De dagen daarna, op 5, 6 en 7 december is aan [eiser] € 22.820,60 betaald (€ 9.075,00, € 1.840,00, € 3.000,00, € 4.500,00 en € 4.405,60).
  • [eiser] heeft, naar hij verklaart op stevig aandringen van [A] en [gedaagde] , twee bedragen teruggestort. Namelijk € 4.500,00 en € 4.405,60.
  • Dus per saldo was er toen € 13.915,00 ontvangen.
  • Vaststaat (zie ook de notitie van [A] ) dat er ook een bedrag van € 7.000,00 cash is ontvangen door [eiser] .
3.9
Samenvattend:
totaal verschuldigd € 48.000,00
cash betaald € 7.000,00-
per bank ontvangen saldo
€ 13.915,00-
resteert te betalen als hoofdsom € 27.085,00
3.1
De daarover gevorderde rente wordt toegewezen vanaf datum dagvaarding, dat is 22 december 2025. [eiser] heeft primair rente geëist vanaf het moment van opeisbaarheid, maar heeft niet uitgewerkt op welk moment of welke datum dat dan was. Daarom wordt dit subsidiair gevorderde toegewezen.
3.11
De buitengerechtelijke kosten worden toegewezen aan de hand van de toegewezen hoofdsom. Aan de wettelijke eisen voor vergoeding is voldaan. Met toepassing van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten komt dat neer op € 1.045,85.
3.12
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,78
- griffierecht
1.414,00
- salaris advocaat
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.395,78
3.13
De beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad verklaard worden.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 27.085,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 22 december 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.045,85 aan buitengerechtelijke kosten,
4.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.395,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de rechter.