Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3610

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
12214747 \ UV EXPL 26-107
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25.3 huurovereenkomstArt. 6:119 BWArt. 242 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming winkelruimte wegens forse huurachterstand en toewijzing betaling achterstallige huur

In deze zaak vordert de verhuurder ontruiming van een winkelruimte en betaling van een aanzienlijke huurachterstand van 15 maanden door de huurder. De huurder erkent de achterstand en wijst op omstandigheden die betaling bemoeilijken, maar de kantonrechter acht de achterstand te fors om binnen afzienbare tijd te worden ingelopen.

De huurovereenkomst, met een looptijd van vijf jaar, voorziet in een boetebeding bij te late betaling. Ondanks aanmaningen en ingebrekestelling is de huur niet voldaan, waardoor de verhuurder een kort geding startte. De kantonrechter benadrukt de ingrijpende aard van ontruiming en past terughoudendheid toe, maar oordeelt dat het spoedeisend belang van de verhuurder en de omvang van de achterstand een ontruiming rechtvaardigen.

De gevorderde ontruiming wordt toegewezen met een termijn van 14 dagen. Tevens worden de achterstallige en toekomstige huurtermijnen, de contractuele boete en de wettelijke rente toegewezen. De buitengerechtelijke incassokosten worden gematigd tot een redelijk bedrag. De huurder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt de huurder tot ontruiming binnen 14 dagen en betaling van achterstallige en toekomstige huur, boete, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12214747 \ UV EXPL 26-107
Vonnis in kort geding van 12 juni 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[eiseres],
gevestigd in [plaats 1] in Frankrijk,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. H. van Vliet,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 11 producties,
- de mondelinge behandeling van 29 mei 2026, waar [eiseres] zich heeft laten vertegenwoordigen haar gemachtigden, mr. Van Vliet en mr. Gijlstra, en [gedaagde] heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer [A] (broer van DGA de heer [B] , die nog een schriftelijke machtiging aan de kantonrechter zal nasturen). De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de zitting.
1.2
Daarna is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiseres] verhuurt winkelruimte aan [gedaagde] en [gedaagde] heeft een aanzienlijke huurachterstand van inmiddels 15 maanden. [eiseres] heeft tevergeefs geprobeerd die huur te innen. [gedaagde] heeft de huurachterstand erkend en heeft uitgelegd dat er omstandigheden zijn waardoor het haar niet meer lukt aan haar betalingsverplichting te voldoen. De achterstand is zeer fors en het is aannemelijk dat de vordering in een eventuele bodemprocedure zal worden toegewezen. De kantonrechter wijst de vorderingen toe maar matigt wel de buitengerechtelijke incassokosten, omdat het gevorderde bedrag weliswaar contractueel is overeengekomen, maar volstrekt niet in verhouding staat tot de verrichte werkzaamheden en daarom niet redelijk is.

3.De achtergrond van de zaak

3.1
[eiseres] verhuurt winkelruimte aan [gedaagde] aan de [adres] te [plaats 2] . [gedaagde] exploiteert daarin een detailhandel van dameskleding onder de naam ‘ [naam] ’. De huurovereenkomst is op 15 juni 2020 aangegaan tussen [eiseres] en [onderneming] B.V. en per 1 april 2022 overgenomen door [gedaagde] . De huurovereenkomst heeft een looptijd van vijf jaar. De huurprijs inclusief voorschot servicekosten bedroeg tot 1 juni 2026 €6.902,66 en vanaf 1 juni 2026 € 7.054,52 per maand.
3.2
In artikel 25.3 van de huurovereenkomst is een boetebeding overeengekomen, op grond waarvan [gedaagde] – kort samengevat – bij te late betaling een boete verschuldigd is van 1% van het verschuldigde per kalendermaand, met een minimum van € 300,00.
3.3
Vanaf 1 maart 2024 is een huurachterstand ontstaan, die inmiddels is opgelopen tot € 104.827,94 (15 maanden). Ondanks aanmaningen en ingebrekestelling is [gedaagde] niet tot betaling overgegaan.
3.4
[eiseres] vordert in dit kort geding ontruiming van het gehuurde, betaling van achterstallige en toekomstige huurtermijnen, de contractuele vertragingsboete, buitengerechtelijk incassokosten en proceskosten.

4.De beoordeling

4.1
De kantonrechter zal de vorderingen grotendeels toewijzen, hierna wordt uitgelegd waarom.
4.2
De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
4.3
[gedaagde] heeft alle vorderingen erkend. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] aangegeven te maken te hebben met problemen met de energielevering, toegenomen concurrentie in de buurt en een relatief hoge huurprijs. [gedaagde] heeft ideeën aangedragen om, terwijl zij (nog) in het gehuurde zit, de huurachterstand al dan niet gedeeltelijk in te kunnen lopen. [eiseres] heeft de bereidheid uitgesproken om, nadat vonnis is gewezen, naar een eventueel voorstel van [gedaagde] te willen kijken.
4.4
Het voorgaande neemt echter niet weg dat de achterstand zó fors is dat niet valt te verwachten dat [gedaagde] die binnen afzienbare tijd (geheel) kan inlopen, maar doet eerder vermoeden dat de achterstand verder zal oplopen. Het is dan ook aannemelijk dat deze ontruimingsvordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Datzelfde geldt voor de betaling van de achterstallige en toekomstige huurtermijnen (totdat zal zijn ontruimd). [eiseres] heeft ook een spoedeisend belang bij haar vordering, omdat het in de lijn der verwachting ligt dat de achterstand alleen maar verder zal oplopen en [eiseres] niet alleen haar vordering niet betaald krijgt, maar ook de winkel niet aan een derde kan verhuren zolang [gedaagde] er nog in zit.
4.5
De gevorderde ontruiming zal daarom worden toegewezen, waarbij de kantonrechter een (redelijke) termijn van 14 dagen zal aanhouden. Ook de gevorderde achterstallige en toekomstige huurtermijnen worden toegewezen.
4.6
De kantonrechter stelt volledigheidshalve vast dat [eiseres] betaling van de vertragingsboete vordert in plaats van wettelijke rente over de achterstallige huurtermijnen, maar dat wel de wettelijke rente over de boete wordt gevorderd. Ook dat zal worden toegewezen.
4.7
De kantonrechter zal de buitengerechtelijke incassokosten matigen. Partijen zijn weliswaar in de huurovereenkomst overeengekomen dat de buitengerechtelijke incassokosten bij voorbaat worden vastgesteld op 15% van de hoofdsom, met een maximum van € 15,000,00, maar de kantonrechter mag de buitengerechtelijke incassokosten ambtshalve matigen [1] als die kosten buitensporig zijn. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval de verrichte werkzaamheden niet in verhouding staan tot de kosten, zodat deze gematigd zullen worden tot het (subsidiair gevorderde) bedrag van € 1.823,28, dat in overeenstemming is met de wettelijke staffel.
4.8
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
151,94
- griffierecht
1.504,00
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.664,94
4.9
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter:
treft de volgende voorlopige voorziening:
5.1
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het pand aan de [adres] te [plaats 2] met al degenen die zich daarin bevinden en al hetgeen dat zich daarop bevindt, te ontruimen en ontruimd te houden en in goede staat en bezemschoon, zonder huur- of gebruiksrechten te verlaten, en afgifte van de sleutels ter vrije en algemene beschikking van [eiseres] te strekken.
5.2
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan [eiseres] :
€ 104.827,94 aan achterstallige huur tot en met 31 mei 2026,
de contractuele boete ex artikel 25.3 van de algemene bepalingen ter hoogte van
€ 14.373,43, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van algehele voldoening,
de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.823,28, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;
b) de maandelijks verschuldigde huurprijs van € 7.054,52 vanaf 1 juni 2026 tot aan de dag van de ontruiming van het gehuurde , te vermeerderen met de contractuele boete ex artikel 25.3 van de algemene bepalingen indien en voor zover de huur niet tijdig wordt voldaan;
5.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.664,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Scharrenborg en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.

Voetnoten

1.artikel 242 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering