5.3.Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal uit een woning door middel van braak. Dit is een vervelend en ernstig feit. De verdachte heeft door zijn gedrag schade en overlast veroorzaakt voor de bewoner. Ook heeft de verdachte met zijn handelen inbreuk gemaakt op het gevoel van veiligheid bij de bewoner. Bovendien zorgen woninginbraken en pogingen daartoe ook voor gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de maatschappij.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan huisvredebreuk, door midden in de nacht wederrechtelijk de woning van de heer [benadeelde 2] en mevrouw [slachtoffer] binnen te dringen. De rechtbank weegt voor de strafwaardigheid ook de omstandigheden mee waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. De verdachte is zonder toestemming de woning binnengerend en vervolgens naar de slaapkamer gegaan, waar mevrouw [slachtoffer] op dat moment lag te slapen. Hij heeft haar, een voor hem volstrekt onbekende vrouw, een kus op de wang gegeven en zich daarna in een kast opgesloten. Dit handelen vormt een ernstige inbreuk op de privacy en het veiligheidsgevoel van de bewoners. De eigen woning behoort immers bij uitstek de plaats te zijn waar iedereen zich – zeker in de nacht – veilig moet kunnen voelen. De rechtbank acht het handelen van de verdachte dan ook volstrekt onaanvaardbaar. De rechtbank begrijpt dat het handelen van de verdachte voor de heer [benadeelde 2] en mevrouw [slachtoffer] zeer beangstigend is geweest. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij blijkt dat mevrouw [slachtoffer] doodsbang was, verstijfde van angst en vreesde dat de verdachte haar iets zou aandoen. Tot op heden ondervindt zij nog steeds herbelevingen en nachtmerries als gevolg van het incident. Beide aangevers zullen deze gebeurtenis nog lange tijd met zich meedragen.
De verdachte is enkel bezig geweest met zijn eigen belang, het ontkomen aan de politie, en heeft zich niet bekommerd om de mogelijke gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van de verdachte kennis genomen van:
- het strafblad van de verdachte van 28 april 2026;
- een reclasseringsadvies van Tactus van 25 maart 2026, opgesteld door reclasseringswerker [B] ;
- een reclasseringsadvies van Tactus van 4 mei 2026, opgesteld door reclasseringswerker [B] .
Het strafblad
Uit het strafblad van de verdachte volgt dat hij niet recent is veroordeeld voor een vergelijkbaar strafbaar feit. Wel heeft de verdachte een aanzienlijk strafblad (17 pagina’s) met diverse soorten delicten, wat zorgelijk is te noemen. Eerder opgelegde straffen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden weer strafbare feiten te plegen.
Het reclasseringsadvies
Uit de adviezen blijkt dat de reclassering het recidiverisico als hoog inschat. Op dit moment worden er diverse risicofactoren gezien die de kans op herhaling van het plegen van een strafbaar feit door de verdachte vergroten, zoals het psychosociaal functioneren, de relatie van de verdachte, de houding van de verdachte en het sociaal netwerk van de verdachte. Het middelengebruik wordt door de reclassering als grootste risicofactor gezien, nu sprake is van langdurig middelengebruik. Daarnaast geeft het delictverleden van de verdachte aanleiding tot zorg.
De verdachte heeft in de afgelopen jaren begeleiding en ondersteuning ontvangen van verschillende instanties. Zo liep hij in toezicht bij de reclassering en waren instanties zoals Humanitas, het buurtteam en de verslavingszorg betrokken. Het lukt de verdachte echter niet om afspraken na te komen en hij neemt een vermijdende houding aan ten opzichte van de instanties, waardoor de zorg niet goed van de grond komt.
De verdachte is op 18 maart 2026 aangemeld bij het NIFP/IFZ voor een klinische behandeling, maar tot op heden is nog geen passende kliniek gevonden voor de verdachte. De verdachte heeft bij het opstellen van het rapport van 4 mei 2026 aangeven te zijn afgekickt tijdens detentie en geen zucht meer te ervaren. De verdachte heeft aangeven dat zijn motivatie voor een behandeling is afgenomen en hij een klinische behandeling niet meer nodig vindt.
De reclassering adviseert, ondanks de verminderde motivatie bij de verdachte, toch bijzondere voorwaarden op te leggen bij een veroordeling, waaronder een meldplicht bij reclassering, een klinische opname, een ambulante behandeling en middelencontrole. De reclassering vindt dit nodig omdat de problematiek van de verdachte ernstig en hardnekkig is en eerdere ambulante behandelpogingen niet hebben geleid tot gedragsverandering en recidivebeperking.
Strafkader
De rechtbank is van oordeel dat alleen een vrijheidsbenemende straf passend is, gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Eerdere voorwaardelijke straffen en interventies hebben kennelijk onvoldoende effect gehad om de verdachte te weerhouden van het plegen van strafbare feiten. Ook heeft de verdachte laten zien dat hij zich niet kan houden aan eerder aan hem opgelegde bijzondere voorwaarden. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen heil in het opleggen van een voorwaardelijke straf of het stellen van bijzondere voorwaarden. Ook ziet de rechtbank, gelet op de duur van het voorarrest, onvoldoende ruimte voor een voorwaardelijk strafdeel. De rechtbank zal daarom een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.
De rechtbank heeft bij de vaststelling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Volgens de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) geldt voor een voltooide woninginbraak als uitgangspunt een gevangenisstraf van 3 maanden. Strafverhogende omstandigheid is in dit geval het samenwerkingsverband met de medeverdachte. Strafverminderend werkt de omstandigheid dat het uiteindelijk bij een poging tot diefstal is gebleven. Daarnaast weegt natuurlijke mee dat de verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan een heftige vorm van huisvredebreuk.
Conclusie
Alles afwegende vindt de rechtbank het passend en geboden om de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van 104 dagen, met aftrek van het voorarrest. Dit betekent dat de verdachte op de datum van de uitspraak zijn straf heeft uitgezeten.
De rechtbank legt een lagere straf op dan de officier van justitie heeft geëist. Dat komt, onder meer, doordat de rechtbank de verdachte vrijspreekt van feit 2 van de beschuldiging.
De voorlopige hechtenis
De verdachte heeft op de uitspraakdatum 104 dagen in voorarrest doorgebracht. Daarmee heeft de verdachte de opgelegde gevangenisstraf uitgezeten. De rechtbank zal om die reden het bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.