Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3589

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
611945 HA RK 26-98
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen kantonrechter wegens vermeende vooringenomenheid

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de kantonrechter die de hoofdzaak behandelde, omdat hij door acute medische omstandigheden niet aanwezig kon zijn bij een zitting en het aanhoudingsverzoek werd afgewezen. Verzoeker vreesde vooringenomenheid omdat de kantonrechter de zitting wilde laten doorgaan ondanks zijn afwezigheid en al een oordeel zou hebben gegeven over het administratieve beslag op een auto.

De kantonrechter stelde dat zijn beslissing een procesbeslissing was, waarbij het belang van de eisende partij bij spoedige behandeling van voorlopige voorzieningen zwaarder woog dan het belang van verzoeker bij aanhouding. Verzoeker kreeg de mogelijkheid om later in de bodemzaak alsnog stukken in te dienen.

De wrakingskamer oordeelde dat een procesbeslissing geen grond voor wraking vormt en dat de motivering van de kantonrechter geen uiting van vooringenomenheid bevatte. Verzoeker had meerdere kansen gehad om een conclusie van antwoord in te dienen maar had daarvan geen gebruik gemaakt.

De wrakingskamer concludeerde dat er geen sprake was van partijdigheid of vooringenomenheid en wees het wrakingsverzoek af. De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond bij de schorsing.

Uitkomst: Wrakingsverzoek tegen kantonrechter wegens vermeende vooringenomenheid is afgewezen.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Lelystad
Zaaknummer: 611945 HA RK 26-98
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van
18 juni 2025
op het verzoek in de zin van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:
[verzoeker],
verder te noemen verzoeker,
advocaat mr. P. Salim, te Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
Verzoeker heeft op 21 mei 2026 mr. R.M. Berendsen (hierna: de rechter) gewraakt. De rechter is de behandelend rechter in de zaak van verzoeker als gedaagde partij met nummer 12132580 MC EXPL 26-1246 (hierna: de hoofdzaak).
1.2.
De rechter heeft op 26 mei 2026 een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek ingediend.
1.3.
De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek op 28 mei 2026 in het openbaar behandeld. Bij de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen, bijgestaan door
mr. Salim. De rechter is met bericht van verhindering niet verschenen.
1.4.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek ingediend om de volgende reden.
De behandeling van de hoofdzaak stond gepland op 21 mei 2026. Verzoeker kon door ernstige en acute medische omstandigheden niet bij die zitting aanwezig zijn. Hij had geen professionele bijstand meer en kon zich daardoor op de zitting niet door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Omdat verzoeker pas laat van de zitting op de hoogte kwam doordat hij en zijn voormalig gemachtigde geen oproep voor de zitting hadden gehad, had hij ook nog niet schriftelijk kunnen reageren. Verzoeker heeft daarom om aanhouding verzocht. De kantonrechter wilde de zitting door laten gaan, omdat het belang van de eisende partij bij het laten doorgaan van de zitting zwaarder zou wegen dan het belang van verzoeker bij een aanhouding. De kantonrechter schendt daarmee het beginsel van hoor en wederhoor en hij geeft al een oordeel over het administratieve beslag op de auto waar het in de voorlopige voorzieningen en in de bodemzaak om gaat. Door deze gang van zaken is bij verzoeker de vrees ontstaan dat de rechter vooringenomen zou zijn.
2.2.
De rechter heeft niet berust in de wraking. Dit betekent dat hij het niet eens is met de wraking. In zijn schriftelijke reactie heeft de rechter dit uitgelegd. De rechter is van mening dat zijn beslissing om het aanhoudingsverzoek van verzoeker af te wijzen een procesbeslissing is en dat die beslissing geen grond oplevert voor wraking. In de hoofdzaak zijn een bodemzaak en twee voorlopige voorzieningen aan de orde. De voormalig gemachtigde van verzoeker heeft twee keer om uitstel verzocht voor het nemen van een conclusie van antwoord in de hoofdzaak. Tegen het tweede uitstelverzoek maakte de eisende partij bezwaar voor wat betreft de voorlopige voorzieningen. De kantonrechter heeft daarom een mondelinge behandeling voor de bodemzaak en de voorlopige voorzieningen bepaald en verzoeker de gelegenheid geboden om voor die zitting nog stukken in te dienen. Verzoeker heeft van de gelegenheid om een conclusie van antwoord in te dienen geen gebruik gemaakt. De kantonrechter heeft het aanhoudingsverzoek afgewezen, omdat hij van oordeel was dat het belang van de eisende partij tot spoedige behandeling van de voorlopige voorzieningen prevaleerde boven het belang van verzoeker. De kantonrechter heeft aan verzoeker laten weten dat de zitting zou doorgaan, maar dat op die zitting alleen de voorlopige voorzieningen zouden worden behandeld en dat verzoeker in de bodemzaak nog de mogelijkheid zou krijgen om een conclusie van antwoord in te dienen. De kantonrechter meent met zijn beslissing zowel rekening te hebben gehouden met het belang van de eisende partij bij een spoedige behandeling van de voorlopige voorzieningen als met het belang van verzoeker om alsnog in de bodemzaak te kunnen concluderen. De kantonrechter is daarom van oordeel dat door zijn beslissing om het aanhoudingsverzoek af te wijzen niet de vrees voor vooringenomenheid kan zijn ontstaan.

3.De beoordeling

Het toetsingskader
3.1.
Artikel 36 Rv Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat hij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat hij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
Het oordeel van de wrakingskamer
3.3.
De beslissing van de rechter om het aanhoudingsverzoek af te wijzen is een procesbeslissing. Dat de rechter die beslissing heeft genomen ten nadele van verzoeker is geen grond voor wraking. De wrakingskamer mag ook geen oordeel geven over de juistheid van de procesbeslissing van de rechter. Dat kan alleen worden gedaan door de rechter in hoger beroep. Dit geldt in het algemeen ook voor de motivering van die procesbeslissing als reden voor wraking. Dit kan alleen anders zijn als de motivering in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven (bijvoorbeeld door de bewoordingen in de motivering) niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid van de rechter die de motivering heeft gegeven.
3.4.
Daarvan is in dit geval geen sprake. Verzoeker is meerdere keren in de gelegenheid gesteld om een conclusie van antwoord te nemen, maar van die gelegenheid heeft verzoeker geen gebruik gemaakt. De kantonrechter heeft de zitting op 21 mei 2026 willen laten doorgaan voor de voorlopige voorzieningen en niet voor de hoofdzaak. Voorlopige voorzieningen kunnen worden verzocht als een partij belang meent te hebben bij een snelle voorlopige beslissing. De behandeling van een voorlopige voorziening kan door dat belang niet (voortdurend) worden uitgesteld. Aan verzoeker is medegedeeld dat de behandeling van de zaak op de zitting zal zien op de voorlopige voorzieningen, omdat het belang van eiser bij een spoedige behandeling van de voorlopige voorzieningen voorgaat op het belang van verzoeker bij een aanhouding, omdat de zaak zich al lang voortsleept. Ook is aan verzoeker medegedeeld dat hij alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld om in de bodemzaak een conclusie van antwoord in te dienen. De beslissing van de kantonrechter om het uitstelverzoek van verzoeker voor wat betreft de voorlopige voorzieningen af te wijzen, geeft daarom geen blijk van vooringenomenheid. De kantonrechter heeft, anders dan verzoeker meent, met zijn beslissing om het aanhoudingsverzoek af te wijzen geen inhoudelijk oordeel gegeven over de hoofdzaak. De beslissing ziet immers alleen op de voorlopige voorzieningen en op het belang van een spoedige behandeling van de voorlopige voorzieningen.
3.5.
De wrakingskamer heeft gelet op het voorgaande geen reden om aan te nemen dat sprake is van partijdigheid of vooringenomenheid bij de rechter. Het wrakingsverzoek zal daarom worden afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
wijst het wrakingsverzoek af;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, aan de betrokken teamvoorzitter van de afdeling Civiel waarin de rechter werkzaam is, en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer 12132580 MC EXPL 26-1246 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. D. Wachter, voorzitter, en mr. B.F. Hammerle en
mr. S.M. Schothorst als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. K.F. van Dam, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.
de griffier de voorzitter
de griffier is buiten staat deze beslissing
te ondertekenen
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open