Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3588

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
1604619326
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 SvArt. 38m SrArt. 38n SrArt. 310 SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oplegging onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor recidiverende winkeldiefstal

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 3 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van diefstal van kaarsen bij Albert Heijn op 13 februari 2026. De verdachte bekende de diefstal en de rechtbank verklaarde het feit bewezen en strafbaar. De verdediging voerde aan dat de verdachte procesonbekwaam zou zijn, maar dit verweer werd door de rechtbank verworpen na beoordeling van de zitting en het gedrag van de verdachte.

De rechtbank nam het reclasseringsadvies mee, waarin sprake was van meervoudige problematiek zoals verslaving, psychiatrische kwetsbaarheid, en een negatief sociaal netwerk. De verdachte had een uitgebreid strafblad met meerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten en een hoog recidiverisico. Ondanks eerdere interventies en toezicht door de reclassering, bleef de verdachte recidiveren en hield hij zich niet aan voorwaarden.

De officier van justitie eiste een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar, zonder aftrek van voorarrest. De verdediging verzocht om aanhouding voor nader psychologisch onderzoek of een voorwaardelijke straf. De rechtbank oordeelde dat aan de wettelijke voorwaarden voor de ISD-maatregel was voldaan, het advies voldoende was onderbouwd en dat een onvoorwaardelijke maatregel passend en noodzakelijk was om recidive te beëindigen en de maatschappij te beschermen.

De rechtbank legde daarom een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar op, waarbij de tijd in voorarrest in mindering wordt gebracht. De verdachte werd strafbaar verklaard voor de diefstal en de maatregel opgelegd met het oog op zijn gedragsverandering en veiligheid van de samenleving.

Uitkomst: Verdachte schuldig verklaard aan diefstal en opgelegd een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/046193-26
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 3 juni 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1968 in [geboorteplaats] (Iran),
ingeschreven op het adres: [adres 1] in [plaats] ,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [verblijfplaats] ,
hierna: de verdachte.

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 20 mei 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de advocaat van de verdachte: mr. G.L.D. Thomas (hierna: de advocaat);
  • de officier van justitie: mr. A. van Weegen;
  • [A] en [B] , reclasseringswerkers bij GGZ Reclassering Inforsa Utrecht.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
op 13 februari 2026 in Almere kaarsen van de Albert Heijn heeft gestolen.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Procesbekwaamheid van de verdachte

3.1.
Standpunt van de verdediging
De advocaat stelt zich op het standpunt dat de verdachte procesonbekwaam is. Volgens de verdediging kan de verdachte de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging niet begrijpen. De advocaat verzoekt de rechtbank de zaak aan te houden, zodat onderzoek naar de procesbekwaamheid van de verdachte kan worden verricht.
3.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzet zich tegen aanhouding van de zaak. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken dat de verdachte de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging niet begrijpt.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank begrijpt het standpunt van de verdediging zo dat primair wordt verzocht de vervolging te schorsen, omdat de verdachte volgens de verdediging niet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen. Subsidiair begrijpt de rechtbank het verzoek zo dat wordt verzocht de zaak aan te houden om onderzoek te laten verrichten naar de procesbekwaamheid van de verdachte.
Het wettelijk kader
Artikel 16, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat indien de verdachte aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap lijdt, dat hij niet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen, de rechter de vervolging schorst, in welke stand zij zich ook bevindt. Uit de formulering van dat artikel volgt dat de rechter verplicht is bij de constatering van de genoemde omstandigheden tot schorsing van de vervolging over te gaan.
Bij de vraag of de verdachte de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging begrijpt, gaat het niet alleen om de vraag of de verdachte beseft dat hij iets heeft gedaan wat niet mag, en dat hij daar straf voor kan krijgen. Het gaat erom of hij effectief aan het strafproces kan deelnemen. Dat wil zeggen dat hij tenminste moet begrijpen wat er met hem in dit proces gebeurt. Hij hoeft niet op de hoogte te zijn van alle details van een strafproces, maar hij moet wel voldoende inzien wat de aard van het strafproces is en wat de gevolgen van de procedure voor hem kunnen zijn. Indien de verdachte niet kan snappen wat er gebeurt in een strafrechtelijk proces, is geen sprake van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro en moet de rechtbank de vervolging schorsen.
De verdachte
Op de zitting van 20 mei 2026 heeft de rechtbank de verdachte ondervraagd over de beschuldiging. De verdachte heeft onder andere verklaard dat hij weet dat hij wordt beschuldigd van een diefstal bij de Albert Heijn. De verdachte heeft ook bekend bij de Albert Heijn kaarsen te hebben gestolen. Daarnaast heeft de verdachte verzocht rekening te houden met de tijd die hij in detentie heeft doorgebracht en met het feit dat zijn bankpas eerder is gestolen. Hij heeft verklaard dat hij geen geld had en verslaafd was, waardoor hij wel moest stelen. Verder heeft de verdachte op zitting aangegeven dat hij duidelijkheid wil over zijn zaak en dat hij vrijgelaten wil worden.
Overwegingen
De rechtbank stelt vast dat de verdachte tijdens de zitting niet altijd een helder antwoord gaf op de vragen die werden gesteld en volgens de tolk soms warrig verklaarde. De rechtbank is echter van oordeel dat zich niet de situatie voordoet dat de verdachte niet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen, ook niet als bij de toetsing aan die maatstaf de in de rechtspraak van het EHRM geformuleerde eisen worden betrokken. Daarbij heeft de rechtbank, naast de indruk die de verdachte in de communicatie op de zitting op de rechtbank heeft gemaakt, het volgende in aanmerking genomen. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat: a) de verdachte de beschuldiging tegen hem (tot op zekere hoogte) begrijpt, b) zijn procespositie aan de rechtbank duidelijk heeft gemaakt, zij het op een simpele manier, c) door heeft dat zijn advocaat er is om namens hem het woord te voeren, d) begrijpt dat de rechtbank over hem kan beslissen, e) graag duidelijkheid wil over zijn zaak en f) de rechtbank heeft verzocht om hem vrij te laten.
Dit oordeel laat onverlet dat andere aspecten van de tegen de verdachte ingestelde vervolging en het strafproces mogelijk niet of slechts beperkt tot de verdachte zullen zijn doorgedrongen.
Concluderend heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank een algemeen inzicht in de aard van het strafproces, in wat daar aan de orde komt en in wat er op het spel staat, zodat van effectieve participatie sprake is. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het de verdachte, het strafproces als geheel bezien, niet heeft ontbroken aan effectieve verdedigingsmogelijkheden. Daarbij is van belang dat de verdachte reeds vanaf zijn eerste verhoor bij de politie op 14 februari 2026 werd bijgestaan door een ervaren advocaat. Juist vanwege de psychische toestand van de verdachte heeft de rechtbank ter terechtzitting van 20 april 2026 ook beslist dat de verdachte op grond van artikel 509a Sv door een advocaat wordt bijgestaan en is overeenkomstig artikel 509c Sv aan het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand een last tot toevoeging van een raadsman aan de verdachte gegeven.
De rechtbank concludeert dat voortzetting van de vervolging onder deze omstandigheden geen schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van Pro het EVRM oplevert.
De rechtbank verwerpt het verweer van de advocaat. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, evenmin aanleiding om het onderzoek te heropen zodat nader onderzoek kan worden gedaan naar de procesbekwaamheid van de verdachte.

4.Bewijs

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert geen verweer over het bewijs.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Bewijsmiddelen feit
De verdachte bekent dat hij de winkeldiefstal heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Namens hem is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: [1]
- het proces-verbaal van aangifte van 14 februari 2026; [2]
- het proces-verbaal van verhoor verdachte van 16 februari 2026. [3]
4.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 13 februari 2026 te [plaats] kaarsen, die aan de Albert Heijn gelegen aan het [adres 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.

5.Kwalificatie en strafbaarheid

5.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
diefstal.
5.2.
Strafbaarheid feit en de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

6.Maatregel

6.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat aan de verdachte een maatregel voor plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) wordt opgelegd voor de duur van 2 jaar, zonder aftrek van het voorarrest.
6.2.
Standpunt van de verdediging
Primair stelt de advocaat zich op het standpunt dat de reclassering te snel tot het advies is gekomen om een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. De advocaat verzoekt daarom de behandeling van de zaak aan te houden, zodat psychologisch onderzoek kan worden verricht naar de vraag of oplegging van een ISD-maatregel in dit geval passend en opportuun is. Daarbij merkt de advocaat op dat uit het reclasseringsadvies volgt dat er sprake is van meervoudige problematiek, waaronder psychische kwetsbaarheid en een taalbarrière, maar dat hier geen verdiepend diagnostisch onderzoek naar heeft plaatsgevonden. Daarmee ontbreekt een deugdelijke onderbouwing van de conclusie dat eerdere interventies als uitgeput moeten worden beschouwd. De enkele constatering dat eerdere trajecten niet succesvol zijn geweest, kan volgens de advocaat niet zonder meer leiden tot de conclusie dat de verdachte niet behandelbaar is of dat minder ingrijpende alternatieven geen reële kans van slagen hebben. De oplegging van een ISD-maatregel zonder dat voldoende duidelijkheid bestaat over de aard en ernst van de onderliggende problematiek bij de verdachte, brengt volgens de advocaat het risico met zich dat de verdachte gedurende een langdurige vrijheidsbeneming niet de zorg krijgt die juist noodzakelijk is om recidive te doorbreken.
Subsidiair verzoekt de advocaat de rechtbank geen ISD-maatregel op te leggen, maar te volstaan met een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden gericht op begeleiding en behandeling. De advocaat voert daartoe aan dat in deze zaak niet is voldaan aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit en dat onvoldoende is gebleken dat de veiligheid van personen of goederen de oplegging van de ISD-maatregel rechtvaardigt.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal en daarmee inbreuk gemaakt op het eigendom van Albert Heijn. Winkeldiefstallen zijn hinderlijke feiten, die veel overlast en schade opleveren voor de getroffen winkeliers en het daar werkzame personeel. De verdachte heeft zich daar niet om bekommerd en uitsluitend oog gehad voor zijn eigen behoeften.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 29 april 2026. Hieruit volgt dat de verdachte veelvuldig is veroordeeld voor onder meer winkeldiefstallen.
Verder houdt de rechtbank rekening met het reclasseringsadvies van 16 april 2026, opgesteld door [A] , reclasseringswerker bij GGZ Reclassering Inforsa. Volgens de reclassering is sprake van een delictpatroon van vermogensdelicten. De verdachte zou de diefstallen plegen om drugs te kopen. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat. Op dit moment worden er diverse (dynamische) risicofactoren gezien die de kans op herhaling van het plegen van een strafbaar feit door de verdachte vergroten, waaronder verslavingsproblematiek, het ontbreken van huisvesting, een negatief sociaal netwerk, het ontbreken van dagbesteding en financiële problemen. Daarnaast lijkt ook sprake te zijn van psychiatrische problematiek, maar wegens beperkte medewerking van de verdachte is dit niet goed onderzocht.
Sinds 2024 zijn aan de verdachte al veel interventies of trajecten aangeboden, maar deze zijn telkens niet van de grond gekomen vanwege geen of beperkte medewerking. De verdachte stond van juli 2024 tot en met november 2025 onder toezicht van de reclassering, maar dit toezicht is voortijdig negatief geëindigd, omdat de verdachte zich niet hield aan de bijzondere voorwaarden. Hoewel de verdachte nu en ook in de afgelopen jaren laat weten gemotiveerd te zijn voor het abstinent raken van middelen, is het hem onvoldoende gelukt om te werken aan gedragsverandering. Het risico dat de verdachte zich aan voorwaarden zal onttrekken, wordt door de reclassering als hoog ingeschat.
De reclassering ziet geen andere mogelijkheden dan het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel om de problematiek van de verdachte aan te pakken. De reclassering heeft overwogen om een voorwaardelijke straf of een voorwaardelijke ISD-maatregel met als bijzondere voorwaarde een langdurige klinische opname te adviseren, maar ziet hier geen mogelijkheden voor. De verdachte heeft in de afgelopen jaren veelvuldig laten zien zich niet aan afspraken te houden, ook niet wanneer dit was opgelegd in een strafrechtelijk kader.
De reclassering adviseert daarom oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. De reclassering hoopt dat gedurende de maatregel een klinische behandeling en, indien geïndiceerd, begeleid of beschermd wonen ingezet kan worden.
Strafkader
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezenverklaarde feit aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt (de zogeheten
harde criteria). Hiervoor is bewezen verklaard dat de verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van de verdachte van 29 april 2026 blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan 13 februari 2026 meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis bewezenverklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Ook blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. De rechtbank overweegt daarnaast dat de veiligheid van personen en goederen het opleggen van de ISD-maatregel eist, gezien de ernst en het aantal door de verdachte begane soortgelijke feiten.
De rechtbank overweegt nog dat uit het vierde lid van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht volgt dat oplegging van een ISD-maatregel slechts mogelijk is indien een recent, met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van die maatregel is overgelegd. Het verweer van de verdediging dat in het advies van 16 april 2026 een deugdelijke onderbouwing ontbreekt over de noodzaak van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel, verwerpt de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat het advies met voldoende redenen is omkleed. De noodzaak en wenselijkheid van de maatregel komen daarin duidelijk naar voren. Uit de voorhanden zijnde stukken, in hun totaliteit bezien, blijkt dat in voldoende mate reële alternatieven voor een ISD-maatregel zijn onderzocht, wat maakt dat de rechtbank het niet nodig vindt om dit verder te laten onderzoeken. De rechtbank wijst het verzoek van de verdediging om de zaak aan te houden, zodat onderzoek kan worden gedaan naar de vraag of oplegging van een ISD-maatregel in dit geval passend en opportuun is, dan ook af.
De verdachte valt onder de definitie van stelselmatige dader, zoals bedoeld in de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers van het Openbaar Ministerie (de zogeheten
zachte criteria). Uit zijn strafblad blijkt immers dat tegen de verdachte in de afgelopen vijf jaren meer dan tien processen-verbaal voor meer dan tien misdrijven zijn opgemaakt, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijf.
De rechtbank acht oplegging van de ISD-maatregel in dit geval passend en nodig ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive van de verdachte. Aan de verdachte zijn in korte tijd meerdere gevangenisstraffen opgelegd. Daarnaast zijn hem herhaaldelijk kansen geboden door het opleggen van voorwaardelijke straffen, die vervolgens in meerdere gevallen alsnog ten uitvoer zijn gelegd omdat de verdachte zich niet aan de voorwaarden hield. Deze interventies hebben de verdachte er niet van weten te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en wederom met politie en justitie in aanraking te komen. De omstandigheid dat mogelijk sprake is van psychische problematiek staat niet zonder meer aan de oplegging van een ISD-maatregel in de weg. De rechtbank heeft bij haar beslissing tot het opleggen van de ISD-maatregel in het bijzonder meegewogen dat de ISD-maatregel in de eerste plaats is bedoeld ter beveiliging van de maatschappij. Daarnaast is van belang dat gedurende de ISD-maatregel ruimte bestaat voor diagnostisch onderzoek en eventuele behandeling. Dit is door de deskundige op de zitting bevestigd. Ook om die reden ziet de rechtbank aanleiding om de ISD-maatregel op te leggen.
De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, of het opleggen van een voorwaardelijke ISD-maatregel, niet toereikend is. Er is een forser justitieel kader nodig om bij de verdachte een gedragsverandering te bewerkstelligen en de recidive te beëindigen.
Alles overwegend legt de rechtbank aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op.
Om de beëindiging van de recidive van de verdachte en een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven, en ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen voor de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel. Daarom zal de rechtbank deze maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaar. De tijd die de verdachte voorafgaand aan de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht, wordt
nietin mindering gebracht op de duur van de maatregel, zodat de maximale looptijd van de ISD-maatregel volledig kan worden benut.

7.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde maatregel is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
38m, 38n, 310 van het Wetboek van Strafrecht.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 4.4 is omschreven;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 5.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
maatregel
  • legt aan de verdachte op de
  • bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht,
Dit vonnis is gewezen door mr. N.P.J. Janssens, voorzitter, mr. S. Ourahma en mr. T. Christoph, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. van Veenschoten als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 13 februari 2026 te [plaats]
Kaarsen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Albert Heijn
gelegen aan de [adres 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n)
heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Voetnoten

2.Pagina 6 en 7.
3.Een proces-verbaal van verhoor verdachte op 16 februari 2026 opgemaakt door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de verklaring van M. Ferdosi (pagina 1 t/m 3).