Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3587

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
611597 HA RK 26-93
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende vooringenomenheid

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de behandelend rechter van zijn klaagschrift, vanwege opmerkingen die hij als grievend en vooringenomen ervoer. De rechter zou onder meer gezegd hebben: “Je laat je vertegenwoordigen door je B.V.? Waarom makkelijk doen als het moeilijk kan he?” en “Dan heb je pech, het zit al in het dossier en neem dat maar mee.”

De wrakingskamer onderzocht het verzoek en concludeerde dat hoewel de opmerkingen ongelukkig geformuleerd waren, deze niet duiden op persoonlijke vooringenomenheid van de rechter. De rechter legde uit dat de opmerkingen betrekking hadden op de procesvertegenwoordiging en de hectiek tijdens de zitting, waarbij verzoeker zich onrustig gedroeg en het gesprek verstoorde.

De wrakingskamer oordeelde dat de rechter onpartijdig bleef en dat de vrees voor vooringenomenheid van verzoeker niet objectief gerechtvaardigd was. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen en de procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die was opgeschort.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Lelystad
Zaaknummer: 611597 HA RK 26-93
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van
18 juni 2026
op het verzoek in de zin van artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) van:
[verzoeker],
verder te noemen verzoeker.

1.De procedure

1.1.
Verzoeker heeft op 11 mei 2026 mr. V.A. Groeneveld (hierna: de rechter) gewraakt. De rechter is de behandelend rechter van het klaagschrift van verzoeker in de zaak met raadkamernummer 26/004202 (hierna: de hoofdzaak).
1.2.
De rechter heeft op 22 mei 2026 een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek ingediend.
1.3.
De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek op 28 mei 2026 in het openbaar behandeld. Bij de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen. De rechter is met bericht van verhindering niet verschenen. Verzoeker heeft het wrakingsverzoek aan de hand van spreekaantekeningen toegelicht en vragen van de wrakingskamer beantwoord.
1.4.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek ingediend om de volgende redenen.
De rechter heeft zich op de zitting van 11 mei 2026 in grievende, denigrerende en vooringenomen woorden tegen verzoeker uitgelaten. De rechter heeft tegen verzoeker gezegd:
“Je laat je vertegenwoordigen door je B.V.? Waarom makkelijk doen als het moeilijk kan he?”en
“Dan heb je pech, het zit al in het dossier en neem dat maar mee.”
De eerste opmerking maakte de rechter meteen bij aanvang van de zitting. De rechter wekte met die opmerking al de schijn dat hij verzoeker niet serieus nam. Verzoeker vond de opmerking kleinerend en niet passend bij een onpartijdige rechter. De tweede opmerking maakte de rechter toen er daarna een discussie ontstond over een proces-verbaal van bevindingen dat door het Openbaar Ministerie kort voor de zitting aan het dossier was toegevoegd en tegen welke proces-verbaal verzoeker bezwaar maakte. De rechter heeft volgens verzoeker met die opmerking de indruk gewekt dat de beslissing op het bezwaar al was genomen. Bij verzoeker is hierdoor de vrees voor vooringenomenheid bij de rechter ontstaan.
2.2.
De rechter heeft niet berust in de wraking. Dit betekent dat hij het niet eens is met de wraking. In zijn schriftelijke reactie heeft de rechter dit uitgelegd. De rechter geeft aan dat hij de opmerking “waarom moeilijk doen als het ook makkelijk kan?” heeft gemaakt, maar dat die opmerking alleen zag op de wijze van procesvertegenwoordiging en niet op de inhoud van het beklag van verzoeker. De rechter is over een mogelijke complicatie ten aanzien van de procesvertegenwoordiging heen gestapt om met verzoeker over de inhoud van het beklag in gesprek te kunnen gaan. Dat de zaak door kon gaan was juist in het voordeel van verzoeker. De rechter kan zich niet herinneren of hij in enig verband het woord ‘pech’ heeft gebruikt, maar hij kan dat ook niet met zekerheid uitsluiten. De rechter wijst erop dat de context waarin hij dat woord wellicht heeft gebruikt van belang is. De zitting verliep hectisch door het gedrag van verzoeker. De rechter heeft het proces-verbaal van bevindingen aan verzoeker willen voorhouden, maar verzoeker verhief meteen zijn stem, begon door de rechter heen te praten en is daar niet mee gestopt tot hij de zaal had verlaten. De rechter heeft verzoeker herhaaldelijk gevraagd rustig in gesprek te gaan, maar verzoeker bleef roepen dat het stuk buiten het dossier moest blijven. Als de rechter het woord ‘pech’ heeft gebruikt, kan de strekking niet zijn geweest dat verzoeker pech had met het proces-verbaal in het dossier en hij het daar maar mee moest doen. De rechter probeerde verzoeker op de gebruikelijke wijze van de inhoud van het proces-verbaal op de hoogte te brengen, het proces-verbaal had aan verzoeker verstrekt kunnen worden en de rechter had dan op het aanhoudingsverzoek van verzoeker hebben kunnen beslissen. Door het gedrag van verzoeker, heeft verzoeker dit onmogelijk gemaakt. De rechter is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat uit zijn opmerkingen niet de vrees voor vooringenomenheid kan zijn ontstaan.

3.De beoordeling

Het toetsingskader
3.1.
Artikel 512 Sv Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat hij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat hij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
Het oordeel van de wrakingskamer
3.3.
Verzoeker en de rechter verschillen van mening over de vraag wanneer het wrakingsverzoek is gedaan. Verzoeker zegt dat hij de rechter op de zitting heeft gewraakt, maar de rechter zegt dat hij op de zitting niets over een wraking heeft horen zeggen. De wrakingskamer laat dat verder in het midden, omdat verzoeker kort na de zitting een schriftelijk wrakingsverzoek heeft ingediend. Het verzoek is dus in ieder geval tijdig gedaan.
3.4.
De wrakingskamer gaat er door de reactie van de rechter vanuit dat de rechter de beide opmerkingen die voor verzoeker aanleiding zijn geweest om de rechter te wraken, heeft gemaakt. De opmerking “waarom moeilijk doen als het makkelijk kan” heeft de rechter gemaakt, omdat verzoeker zich op de zitting liet vertegenwoordigen door zijn B.V. en dat in de visie van de rechter een probleem zou kunnen zijn. De rechter heeft de behandeling van het klaagschrift daarna willen voortzetten, omdat hij het in het belang van verzoeker vond dat het klaagschrift zou worden behandeld. Uit de opmerking blijkt niet dat de rechter zich al een oordeel over dat klaagschrift had gevormd. De opmerking van de rechter is ongelukkig geformuleerd, maar duidt daarom naar het oordeel van de wrakingskamer niet op vooringenomenheid bij de rechter.
3.5.
Ook uit de opmerking die de rechter daarna heeft gemaakt, blijkt die vooringenomenheid niet. De wrakingskamer maakt uit het proces-verbaal van de zitting en de reactie van de rechter op dat verzoeker, nadat de rechter verzoeker voorhield dat de officier van justitie nog een proces-verbaal van bevindingen aan het dossier had toegevoegd, geagiteerd raakte. Volgens verzoeker geeft het proces-verbaal van de zitting geen juiste weergave van wat er op de zitting is gebeurd en gezegd. Dat het proces-verbaal niet volledig zou zijn, is niet aan het oordeel van de wrakingskamer. Daarnaast heeft de rechter aangegeven dat het proces-verbaal na afloop van de zitting vanuit het geheugen van de rechter en de griffier is opgesteld, omdat verzoeker vrijwel direct na het doornemen van de personalia door de rechter heen begon te praten en de zitting door de hectiek rommelig verliep, waardoor de griffier niet alles heeft kunnen mee typen. In de hectiek die de rechter beschrijft, vindt de wrakingskamer dat voorstelbaar. De rechter heeft daarbij niet weersproken dat hij de opmerkingen die niet in het proces-verbaal staan opgenomen, heeft gemaakt. Verzoeker heeft op vragen van de wrakingskamer aangegeven dat hij in duidelijke bewoordingen op de zitting heeft geprotesteerd, dat er over en weer woorden zijn gevallen en dat er geen sprake was van een rustig verloop van de zitting omdat hij en de rechter het niet eens waren. Bij de wrakingskamer is aldus het beeld ontstaan dat verzoeker boos werd op het moment dat de rechter hem het proces-verbaal wilde voorhouden en dat een gesprek vanaf dat moment niet meer mogelijk was. Het is in zaken als de hoofdzaak gebruikelijk dat stukken kort voor de zitting aan het dossier worden toegevoegd. Verzoeker moet daar wel op kunnen reageren, maar die mogelijkheid had verzoeker. De rechter wilde het proces-verbaal aan verzoeker voorhouden, hem een afschrift van het proces-verbaal geven en hem in de gelegenheid stellen daarop te reageren. Verzoeker had de rechter ook extra tijd kunnen vragen om zijn reactie te kunnen voorbereiden. Door de reactie van verzoeker is het zover niet gekomen. De opmerking van de rechter is ongelukkig geformuleerd, maar duidt naar het oordeel van de wrakingskamer niet op vooringenomenheid bij de rechter.
3.6.
De wrakingskamer heeft gelet op het voorgaande geen reden om aan te nemen dat sprake is van partijdigheid of vooringenomenheid bij de rechter. Het wrakingsverzoek zal daarom worden afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
wijst het wrakingsverzoek af;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, aan de betrokken teamvoorzitter van de afdeling Strafrecht waarin de rechter werkzaam is, en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met raadkamernummer 26/004202 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. D. Wachter, voorzitter, en mr. M.F. Janssen-Witteveen en mr. S.M. Schothorst als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. K.F. van Dam, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.
de griffier de voorzitter
de griffier is buiten staat deze beslissing
mede te ondertekenen
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.