Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3581

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
C/16/611825 / KG ZA 26-286
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 557a lid 2 RvArtikel 6.3 lid 1 provinciale omgevingsverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot ontruiming gekraakte woning wegens onvoldoende concrete verbouwingsplannen

In deze zaak vordert de eigenaar van een woning de ontruiming van krakers die zonder recht en titel in zijn pand verblijven. De voorzieningenrechter beoordeelt of ontruiming proportioneel is, waarbij rekening wordt gehouden met het huisrecht van de krakers op grond van artikel 8 EVRM Pro.

De eigenaar heeft gesteld de woning te willen verbouwen en een mantelzorgwoning te plaatsen, maar heeft geen concreet of onderbouwd plan overgelegd. Er is geen ontwerp, geen definitieve keuze voor een prefabwoning en geen vergunningen. De krakers hebben gemotiveerd betwist dat de verbouwing en plaatsing vergunningsvrij zijn, mede vanwege ligging in het Natuurnetwerk Nederland.

De woning verkeert niet in een onveilige staat, en de krakers hebben toegezegd mee te werken aan voorbereidende werkzaamheden en de woning te verlaten binnen een maand na het tonen van benodigde vergunningen. De belangenafweging leidt tot afwijzing van de vordering tot ontruiming en ook de vordering om ontruiming zelf te mogen effectueren wordt afgewezen.

De eigenaar wordt veroordeeld in de proceskosten van de krakers. De voorzieningenrechter wijst erop dat de belangenafweging bij concretere plannen anders kan uitvallen.

Uitkomst: De vordering tot ontruiming van de gekraakte woning wordt afgewezen wegens onvoldoende concrete verbouwingsplannen.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/611825 / KG ZA 26-286
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 10 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.E. Beukers,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

2. De overige krakers/gebruikers van de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] ,

verblijvende te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. M.F. van Hulst.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Utrecht.
De zaak wordt behandeld door mr. M.S.T. Belt, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Braam als griffier.
Aanwezig zijn:
- de heer A.J. [eiser]
- mr. M.E. Beukers, advocaat van [eiser]
- mevrouw [gedaagde sub 1]
- mr. M.F. van Hulst, advocaat van [gedaagden]
De anonieme gedaagden zijn niet op de juiste manier gedagvaard, omdat er geen advertentie is geplaatst. Mr. Van Hulst geeft aan dat er maar één ander persoon de woning gebruikt en deze is vrijwillig verschenen via zijn advocaat.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de voorzieningenrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

1.Waar gaat deze zaak over?

1.1
[eiser] is eigenaar van de woning aan de [adres] te [plaats] . [gedaagden] verblijven daar zonder recht en titel. Ze hebben de woning gekraakt. [eiser] vordert in dit kort geding dat de krakers de woning moeten ontruimen. Die vordering wordt afgewezen, omdat er nog geen voldragen plan is voor de gewenste verbouwing en plaatsing van de mantelzorgwoning. Ontruiming is op dit moment daarom niet proportioneel.

2.De beoordeling

2.1
[eiser] heeft als eigenaar van de woning het recht om te bepalen wie zich daarin mogen bevinden. Maar [gedaagden] hebben op grond van artikel 8 EVRM Pro een huisrecht. Dat betekent dat [eiser] de krakers niet zonder toestemming van de rechter uit de woning mag laten verwijderen. De rechter moet aan de hand van een belangenafweging beoordelen of de ontruiming proportioneel is en daarmee wel of niet toelaatbaar is.
2.2
Het is niet duidelijk genoeg wat [eiser] precies van plan is met de woning, op welke termijn en of daar een vergunning voor nodig is. [eiser] stelt dat hij de huidige woning wenst te verbouwen en elders op het perceel een mantelzorgwoning wenst te realiseren. Er is nog geen ontwerp voor de verbouwing van de woning. Op de zitting heeft de advocaat van [eiser] aangegeven dat inmiddels een offerte is verkregen van een aannemer voor de verbouwing, maar deze offerte is niet in het geding gebracht. Bovendien heeft [eiser] slechts gesteld dat de aannemer “snel” kan starten, maar deze stelling is ook niet onderbouwd met een schriftelijke verklaring van de aannemer. Desgevraagd heeft [eiser] aangegeven dat nog niet concreet is besloten welke prefabwoning hij zou willen aanschaffen als mantelzorgwoning en deze is ook nog niet besteld. Gelet op levertijden kan er niet van worden uitgegaan dat een dergelijke woning op zeer korte termijn kan worden geleverd en geplaatst. Verder is door [gedaagden] gemotiveerd betwist dat zowel de ingrijpende verbouwing van deze oude woning als de plaatsing van de mantelzorgwoning vergunningsvrij is, te meer nu de woning is gelegen in het Natuurnetwerk Nederland. Volgens artikel 6.3 lid 1 van de provinciale omgevingsverordening mag bebouwing in beginsel niet worden uitgebreid. Dit heeft de advocaat van [eiser] niet goed genoeg weersproken. [eiser] heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat er op korte termijn met de plannen zal worden aangevangen. Bovendien hebben [gedaagden] toegezegd dat zij zullen meewerken aan alle tijdig aangekondigde opmetingen, voorbereidende onderzoeken en vergelijkbare werkzaamheden aan het pand. Hun aanwezigheid in het pand is dus geen beletsel voor voorbereidende werkzaamheden. Op de zitting hebben [gedaagden] ook nog toegezegd dat zij de woning binnen een maand zullen verlaten nadat de benodigde vergunningen aan hen zijn getoond, ongeacht de uitkomst van het kort geding.
2.3
De woning verkeert niet in zo’n slechte staat dat het gevaarlijk is dat [gedaagden] daarin verblijven. Volgens [eiser] ontbreekt de vloer en is een deel van het dak ingestort. Op de foto’s die beide partijen hebben ingediend, is echter te zien dat er slechts op één hoek van het dak een aantal pannen ontbreken aan de onderkant. En dat er bij binnenkomst een stukje vloer ontbreekt (luik naar kruipruimte). Het is dus voldoende aannemelijk dat de woning veilig kan worden bewoond.
2.4
Het voorgaande betekent dat de belangenafweging uitvalt in het voordeel van [gedaagden] Zij hoeven de woning niet te ontruimen op dit moment. De vordering tot ontruiming wordt afgewezen (vordering 1). Alleen daarom al wordt ook de vordering om te bepalen dat [eiser] bevoegd is om de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen afgewezen (vordering 2). De voorzieningenrechter wijst erop dat de belangenafweging op een later moment anders kan uitpakken als de plannen van [eiser] concreter zijn.
2.5
Vorderingen 3 en 4 zijn ingetrokken.
2.6
Er zijn door de voorzieningenrechter geen inlichtingen aan de gemeente gevraagd (artikel 557a lid 2 Rv), omdat dit onverenigbaar is met de belangen van [eiser] .
2.7
[eiser] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde sub 1] betalen. Die proceskosten worden begroot op:
- griffierecht
93,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.459,00

3.De beslissing

De voorzieningenrechter
3.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
3.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.459,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. M.S.T. Belt en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter.