ECLI:NL:RBMNE:2026:3572

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
11962973 \ MC EXPL 25-6127
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.S. Koppert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BWArt. 7:267 BWArt. 6:119 BWArt. 556 lid 1 RvArt. 557 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwikkeling van meerdere huurovereenkomsten met toewijzing van huurachterstand, schadevergoeding en ontbinding

Eiser heeft verschillende vorderingen ingesteld tegen gedaagden in verband met meerdere huurovereenkomsten van woningen in [plaats]. De procedure betrof huurachterstanden, gederfde huurinkomsten, schadevergoeding en ontbinding van een lopende huurovereenkomst.

De kantonrechter oordeelt dat de huurachterstand over de woningen aan de [adres 1] en [adres 2] niet is betwist en wijst deze toe met handelsrente. Verrekening met borg wordt afgewezen wegens onduidelijkheid over oplevering en schade. Kosten ter verdediging tegen een dwangsom van de gemeente worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Ten aanzien van de woning aan de [adres 3] wijst de rechter de schadevergoeding wegens gederfde huurinkomsten toe, maar wijst de gevorderde schadevergoeding voor niet nagekomen levering aan de kleindochter af wegens gebrek aan bewijs. Voor de woning aan de [adres 4] wordt schade wegens vernieling van ruiten toegewezen, maar kosten voor afvalverwijdering afgewezen wegens onvoldoende bewijs.

De huurovereenkomst voor de [adres 4] wordt ontbonden en gedaagden worden veroordeeld tot ontruiming. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen omdat de deurwaarder al bevoegd is tot ontruiming. Incassokosten worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van huurachterstand, gederfde huurinkomsten en schade, en de huurovereenkomst wordt ontbonden met ontruiming.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11962973 \ MC EXPL 25-6127
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. W.H.J. Luijer,
tegen

1.de vennootschap onder firma[gedaagde],

kantoorhoudende te Hilversum,
en haar vennoten:

2.[vennoot sub 1],3. [vennoot sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
gemachtigde: [gemachtigde].

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de (herstel)dagvaarding;
- de conclusie van antwoord.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 mei 2026. Namens [eiser] is verschenen mr. W.H.J. Luijer. Namens gedaagden is verschenen [gemachtigde].
Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord.
De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken.
1.3
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiser] heeft verschillende vorderingen ingesteld in verband van een aantal huurovereenkomsten die zij heeft gesloten met [gedaagde]. Het gaat om woningen aan de [adres 1] en [adres 2] te [plaats] en aan de [adres 3] en de [adres 4] te [plaats]. Op dit moment loopt alleen nog een huurovereenkomst voor de [adres 4] tussen [eiser] en [gedaagde]. De kantonrechter wijst de gevorderde huurachterstand, gederfde huurinkomsten en herstelkosten gedeeltelijk toe. Verder zal de gevorderde ontbinding met betrekking tot de huurovereenkomst van de [adres 4] en de ontruiming (ten aanzien van [gedaagde]) worden toegewezen.

3.De beoordeling

3.1
De kantonrechter zal eerst de vorderingen met betrekking tot de [adres 1] en [adres 2] te [plaats] behandelen. Daarna zullen de vorderingen ten aanzien van de [adres 3] te [plaats] en de [adres 4] worden beoordeeld. Tot slot zullen de incassokosten en de proceskosten aan bod komen.
[adres 1] en [adres 2]
Huurachterstand
3.2
[eiser] vordert ten aanzien van de [adres 1] en [adres 2] € 14.400,00 aan huurachterstand (februari 2025 tot en met augustus 2025). Aangezien [gedaagden] deze huurachterstand niet heeft betwist, komt deze vordering voor toewijzing in aanmerking, te vermeerderen met de eveneens onweersproken handelsrente die op artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is gegrond.
3.3
Het beroep van [gedaagden] op verrekening van de huurachterstand met de borg van de [adres 1 en 2] en een andere ruimte aan de [adres 5] moet worden verworpen. De gegrondheid hiervan is namelijk niet op eenvoudige wijze vast te stellen, omdat partijen in geschil zijn over of een correcte oplevering heeft plaatsgevonden en of sprake is schade die voor rekening van [gedaagde] moet komen.
Kosten om verweer te voeren tegen dwangsom
3.4
Verder vordert [eiser] een bedrag van € 800,00 vanwege gemaakte kosten om zich te verweren tegen de vooraankondiging van de gemeente Wijdemeren tot het opleggen van een last onder dwangsom (productie 4 bij dagvaarding). [eiser] stelt namelijk dat hij door de gemeente is aangeschreven omdat [gedaagde] de benedenverdieping ([adres 1]) zonder omgevingsvergunning heeft gesplitst in twee wooneenheden.
3.5
Nog daargelaten dat [eiser] deze kosten niet heeft gespecificeerd en niet heeft onderbouwd met stukken, volgt uit de vooraankondiging van de gemeente dat het niet alleen gaat om de benedenverdieping die was gesplitst (en inmiddels ongedaan is gemaakt). Het gaat namelijk ook om het feit dat de woning zonder toestemming is gesplitst in een boven- en een benedenwoning en om de overschrijding van de maximaal toegestane oppervlakte aan bebouwing. Verder staat in de vooraankondiging onder meer dat de woning “
uitsluitend bedoeld [is] voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden” en dat toen [eiser] de woning in 2015 kocht al bekend was dat de woning zonder vergunning was gesplitst en werd bewoond door meer dan één huishouden. Deze vordering komt dan ook niet voor toewijzing in aanmerking.
[adres 3]
Gederfde huurinkomsten
3.6
[eiser] en [gedaagde] zijn overeengekomen dat de huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan de [adres 3] eindigt per 1 februari 2025. [eiser] stelt namelijk dat hij de woning had verkocht aan zijn kleindochter en de woning per die datum aan haar zou leveren.
3.7
Echter, [gedaagde] had met de heer [A] (hierna: [A]) een “zorghuurovereenkomst” gesloten op grond waarvan de woning werd onderverhuurd voor € 750,00 per maand. In andere procedure is bij vonnis van 21 mei 2025 geoordeeld dat [eiser] deze onderhuurovereenkomst op grond van artikel 7:267 BW Pro moet voortzetten.
3.8
Omdat [eiser] de woning hierdoor niet meer aan zijn kleindochter kon leveren op 1 februari 2025, is [eiser], zo stelt hij, aansprakelijk gesteld door zijn kleindochter. Verder stelt [eiser] dat hij tijdelijke vervangende woonruimte met een huurwaarde van € 2.750,00 per maand, heeft aangeboden aan zijn kleindochter om de schade te beperken.
[eiser] vordert daarom een schadevergoeding van € 20.500,00, berekend van februari 2025 tot en met november 2025, zijnde 10 maanden x (€ 2.750,00 minus € 700,00). [1]
3.9
[eiser] heeft echter geen enkel stuk ter onderbouwing van deze stellingen overgelegd. Zo ontbreken stukken over de koopovereenkomst, de levering, de aansprakelijkstelling en de huur van de vervangende woonruimte. Dit had – zeker gelet op de betwisting door [gedaagden] – wel op zijn weg gelegen. Dit geldt des temeer nu [eiser] op de zitting (eveneens zonder onderbouwing) heeft gesteld dat de woning aan de [adres 3] niet meer wordt verkocht aan zijn kleindochter, omdat de woning aan de [adres 1] inmiddels aan haar is verkocht. Gelet op het voorgaande moet aan deze schadepost, bij gebrek aan onderbouwing, worden voorbijgegaan.
3.1
Door het verschil tussen de huurprijs die hij van [gedaagde] zou ontvangen als de huurovereenkomst zou doorlopen (€ 1.350,00) en de huurprijs die hij nu van [A] ontvangt (€ 750,00), kan [eiser] wel aanspraak maken op vergoeding van de gederfde huurinkomsten. Het gaat dan om een bedrag van € 600,00 per maand. Inmiddels is in een andere procedure bij vonnis van 1 april 2026 bepaald dat de huurovereenkomst met [A] eindigt per 1 oktober 2026 en dat [A] het gehuurde op die datum moet hebben verlaten. [gedaagden] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van 20 maanden (1 februari 2025 tot 1 oktober 2026) x € 600,00 = € 12.000,00. Omdat het gaat om een schadevergoeding zal hierover geen wettelijke handelsrente worden toegewezen, maar de wettelijke rente van artikel 6:119 BW Pro.
[adres 4]
Schade
3.11
[eiser] vordert € 2.090,00 aan schade met betrekking tot de huur van de woning aan de [adres 4]. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat de huurster van [gedaagde] de ruiten van de woning heeft vernield. [eiser] heeft de schade ook onderbouwd met een factuur. Deze vordering is daarom toewijsbaar, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente.
3.12
De door [eiser] gevorderde kosten van € 250,00 voor het verwijderen van huisvuil moet echter worden afgewezen. Zeker gelet op de betwisting van [gedaagde] dat zij hiervoor verantwoordelijk is, had het op de weg van [eiser] gelegen om in dit verband voldoende te onderbouwen. [eiser] heeft dit nagelaten. Uit geen enkel stuk volgt dat [gedaagde] op dit afvalprobleem is gewezen en in de gelegenheid is gesteld om actie te ondernemen. Ook is niet gebleken dat [eiser] deze kosten heeft moeten maken.
Ontbinding en ontruiming
3.13
[eiser] vordert verder ontbinding van de huurovereenkomst tussen hem en [gedaagde] met betrekking tot de [adres 4] en ontruiming van het gehuurde.
3.14
[gedaagde] voert op de mondelinge behandeling geen verweer (meer) hiertegen en heeft ook geen belang meer bij het voortduren van de huurovereenkomst. [gedaagde] heeft namelijk op de mondelinge behandeling aangegeven dat zij geen activiteiten meer voert en feitelijk daarom is opgehouden te bestaan. Daarom betaalt [gedaagde] geen huur meer en heeft zij aan de huurster van de [adres 4] gevraagd om de huur rechtstreeks aan [eiser] te betalen. [eiser] heeft op de mondelinge behandeling bevestigd dat de huur nu direct aan hem wordt betaald.
3.15
Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] en de ontruiming, ten aanzien van [gedaagde], toewijzen. Hiermee wordt geen oordeel gegeven over de rechtspositie van de huurster van de [adres 4] en de mogelijke huurbescherming. Dit kan namelijk, ook omdat zij geen partij is, in deze procedure niet worden vastgesteld.
3.16
De gevorderde dwangsom moet worden afgewezen. De deurwaarder is op grond van de wet bevoegd tot de daadwerkelijke uitvoering van de veroordeling tot ontruiming (zie artikelen 556 lid 1 en 557 in samenhang met artikel 444 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Omdat [eiser] dus al mogelijkheden heeft om de ontruiming af te dwingen, is het niet nodig om daarnaast de gevorderde dwangsom toe te wijzen. Deze zal daarom bij gebrek aan belang worden afgewezen.
Incassokosten
3.17
De door [eiser] gevorderde € 1.155,40 aan buitengerechtelijke kosten, moeten worden afgewezen omdat in dit verband onvoldoende is gesteld, laat staan onderbouwd.
Proceskosten
3.18
[gedaagden] is grotendeels in het ongelijk gesteld en wordt daarom hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser]. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding
151,38
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
144,00
(plus eventuele betekeningskosten zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.181,38

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om te betalen aan [eiser]:
  • € 14.400,00 aan huurachterstand, berekend tot en met augustus 2025, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente hierover vanaf de respectieve verzuimdata van deze huurtermijnen tot de dag van volledige betaling;
  • € 12.000,00 aan gederfde huurinkomsten (berekend vanaf februari 2025 tot 1 oktober 2026) te vermeerderen met de wettelijke rente hierover als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 27 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • € 2.090,00 aan schade aan de [adres 4], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling;
4.2
ontbindt de tussen [eiser] en [gedaagde] bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan de [adres 4] te [plaats] met ingang van vandaag;
4.3
veroordeelt [gedaagden] om
binnen veertien dagenna betekening van dit vonnis het gehuurde aan de [adres 4] te [plaats] te ontruimen, voor zover er spullen of zaken bevinden die van haar zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser];
4.4
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.181,38, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.5
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.
4578

Voetnoten

1.Op de mondelinge behandeling heeft [eiser] verklaard dat hij abusievelijk € 700 heeft afgetrokken i.p.v. (€ 750) opgeteld, maar dat hij afziet van een eisvermeerdering.