ECLI:NL:RBMNE:2026:357

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
C/16/603480 / KL ZA 25-309
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 EVRMArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verbod en rectificatie op uitlatingen over onderzoeksbureau en moskee

In deze kortgedingprocedure vorderen eisers, een onderzoeks- en adviesbureau en haar indirect bestuurder, een verbod op onrechtmatige uitlatingen en rectificatie van eerder gedane uitspraken door de bestuurder van een moskeestichting. De uitlatingen betreffen beschuldigingen van crimineel gedrag, betrokkenheid bij het blokkeren van bankrekeningen, het plaatsen van namen op terreurlijsten en bedreigingen van ondervraagden.

De voorzieningenrechter overweegt dat het recht op vrijheid van meningsuiting van de gedaagde partij, als moskeebestuurder, zwaar weegt en dat de uitlatingen niet onrechtmatig zijn omdat zij deels gebaseerd zijn op vermoedens, anonieme bronnen en bijdragen aan een publiek debat. Het gebruik van het woord 'criminelen' is door de gedaagde inmiddels gestopt, waardoor een verbod daarop niet nodig is.

De rechtbank wijst de vorderingen af en veroordeelt de eisers in de proceskosten. De uitspraak benadrukt de verantwoordelijkheid van personen met een groot bereik op sociale media om zorgvuldig te zijn met hun woorden, maar erkent ook het belang van kritische uitlatingen in een democratische samenleving.

Uitkomst: De vorderingen tot verbod en rectificatie worden afgewezen en eisers worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/603480 / KL ZA 25-309
Vonnis in kort geding van 9 februari 2026
in de zaak van

1.[eisende partij sub 1] B.V.,

te [vestigingsplaats] ,
2.
[eisende partij sub 2],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna afzonderlijk [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] te noemen en gezamenlijk: [eisende partij c.s.] ,
advocaat: mr. D. Becht,
tegen
[gedaagde partij],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
advocaten: mr. P.L. Tjiam en mr. M.A. Theodoridis.

1.De procedure

1.1.
De volgende stukken zitten in het procesdossier:
- de dagvaarding van 13 november 2025 met 16 producties,
- de aanvullende producties 17 t/m 22,
- de conclusie van antwoord met 27 producties,
- de pleitnotities van partijen van de mondelinge behandeling op 25 november 2025,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 25 november 2025, locatie Utrecht,
waarbij vonnis is bepaald op uiterlijk 9 december 2025.
1.2.
Enige tijd na de mondelinge behandeling van 25 november 2025 heeft [gedaagde partij] een verzoek tot wraking ingediend. De behandelend rechter heeft in de wraking berust. De zaak is vervolgens verwezen naar de locatie Lelystad van deze rechtbank voor de verdere behandeling van de zaak.
1.3.
Op 26 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling in Lelystad plaatsgevonden. Beide partijen hebben pleitaantekeningen overgelegd en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. Aan het einde van de zitting is bepaald dat op 9 februari 2026 vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eisende partij sub 1] is een onderzoeks- en adviesbureau dat zich richt op de veiligheidsthema’s gewelddadig extremisme, radicalisering en sociale vraagstukken die samenhangen met polarisatie. [eisende partij sub 2] is indirect bestuurder van [eisende partij sub 1] . In 2018 heeft [eisende partij sub 1] in opdracht van de gemeente Veenendaal (hierna: de Gemeente) onderzoek gedaan naar de islamitische infrastructuur in Veenendaal, waarbij onder meer de moskee van de stichting Taubah in Veenendaal is bezocht. [1] Vervolgens heeft [eisende partij sub 1] een rapport (hierna: het Rapport) opgesteld en dit aan de Gemeente verstrekt.
2.2.
[gedaagde partij] is bestuurder van de stichting Taubah. [gedaagde partij] geeft in diverse (sociale) media kritiek op het door [eisende partij sub 1] verrichte onderzoek naar de lokale moslimgemeenschap in Veenendaal. Dit deed hij ook op 15 augustus 2025 in de podcast van het YouTube kanaal “ [naam] ”, met als titel: “ [titel] ” (hierna: de Podcast).
2.3.
De door [gedaagde partij] in de Podcast gedane uitlating zijn voor [eisende partij c.s.] aanleiding om te vorderen dat [gedaagde partij] wordt verboden van het doen van onrechtmatige uitlatingen over [eisende partij c.s.] . [eisende partij c.s.] vordert verder ook dat de door [gedaagde partij] gedane aantijgingen aan het adres van [eisende partij c.s.] worden gerectificeerd. [gedaagde partij] voert verweer tegen de vorderingen.
2.4.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding het door [eisende partij c.s.] gevorderde verbod te toe wijzen. Hetzelfde geldt voor de gevraagde rectificatie. De vorderingen worden dan ook afgewezen met veroordeling van [eisende partij c.s.] in de proceskosten.

3.De beoordeling

Inleiding
3.1.
Het door [eisende partij sub 1] in 2018 uitgevoerde onderzoek in de Gemeente is op verzoek van de Gemeente (deels) non-informed door middel van participerend onderzoek uitgevoerd, zoals bij bezoeken van medewerkers van [eisende partij sub 1] aan de moskee van de stichting Taubah. Aangenomen mag worden dat het Rapport namen, foto’s en andere persoonlijke informatie bevatten van moskeebesturen en moskeebezoekers.
3.2.
[eisende partij sub 1] heeft het Rapport toegelicht aan de lokale driehoek van de Gemeente, zijnde de burgemeester, de hoofdofficier van justitie en de chef van de politie. De Gemeente heeft het Rapport vervolgens gedeeld met diverse instanties, waaronder de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijder (NCTV), het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK).
3.3.
In het dagblad NRC van […] 2021 is aandacht besteed aan onderzoeken die gemeentes undercover hebben laten uitvoeren naar moskeeën in hun stad. [2] In het NRC artikel, met als titel “ [titel] ”, komt ook het door [eisende partij sub 1] uitgevoerde onderzoek in de Gemeente ter sprake. NRC schrijft dat in het onderzoek gemeld wordt dat de stichting Taubah façadepolitiek zou bedrijven en achter gesloten deuren een radicale boodschap zou verspreiden. In het Rapport wordt ook gesproken over een door de stichting Taubah georganiseerd zomerkamp waar jongeren onder meer gingen boogschieten en paintballen. Volgens NRC schrijven de onderzoekers dat boogschieten binnen de salafistische leer wordt gezien als voorbereiding op de gewelddadige jihadstrijd.
3.4.
Volgens [gedaagde partij] heeft het onderzoek en het Rapport van [eisende partij sub 1] grote negatieve gevolgen gehad voor de (leden van de) stichting Taubah en hemzelf. [gedaagde partij] stelt slachtoffer te zijn geworden van het door [eisende partij sub 1] heimelijk uitgevoerde onderzoek en de in het Rapport verkondigde onwaarheden.
[eisende partij c.s.] heeft een spoedeisend belang
3.5.
In een kortgedingprocedure wordt gevraagd om een spoedmaatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat na de kortgedingprocedure een gewone rechtszaak zal komen, dit heet een ‘bodemprocedure’. Een kortgedingprocedure loopt op een bodemprocedure vooruit. De voorzieningenrechter in kort geding probeert in te schatten of een bodemrechter de vordering waarschijnlijk zal toewijzen. Een kortgeding uitspraak is daarom niet meer dan een voorlopige beslissing waarbij een spoedeisend belang is. Daarom moeten belangrijke feiten duidelijk zijn, want tijd voor bewijslevering is er niet. Daarnaast moet een spoedeisend belang bij de gestelde vordering aanwezig zijn.
3.6.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang van [eisende partij c.s.] in de aard van de zaak besloten ligt. [eisende partij c.s.] stelt dat de door [gedaagde partij] gedane uitlatingen haar ernstig hebben beschadigd en dat wordt gevreesd dat [gedaagde partij] niet van plan is te stoppen met het doen van dergelijke uitlatingen.
Toetsingskader
3.7.
[eisende partij c.s.] vordert - kort gezegd - een rectificatie en een verbod op het doen van uitlatingen waarin [eisende partij sub 1] en/of haar (voormalige) werknemers, functionarissen, bestuursleden of andere betrokkenen verantwoordelijk worden gehouden of in verband worden gebracht met:
het woord ‘criminelen’;
het blokkeren van bankrekeningen van [gedaagde partij] dan wel aan hem gelieerde bankrekeningen of bankrekeningen waar hij toegang toe heeft,
het plaatsen van namen op terreurlijsten/CTER-lijsten;
het bedreigen van ondervraagden in het kader van het door [eisende partij sub 1] voor de gemeente Veenendaal in 2018 uitgevoerde onderzoek.
3.8.
De vordering van [eisende partij c.s.] houdt een beperking in van het in artikel 10 lid 1 EVRM Pro verankerde recht van [gedaagde partij] op vrijheid van meningsuiting. Dit recht kan slechts worden beperkt als dit bij wet is voorzien en dringend noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen, waaronder een bedrijfs- of beroepsmatige reputatie (artikel 10 lid 2 EVRM Pro). Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake als de uitlatingen onrechtmatig zijn (artikel: 6:162 BW). Daarnaast moet de verzochte beperking proportioneel zijn. Bij de beantwoording van de vraag of aan deze voorwaarden is voldaan, moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, zoals bijvoorbeeld:
de inhoud en vorm van de uitlatingen,
de ernst van de gevolgen voor degene op wie de uitlatingen betrekking hebben,
de mate waarin de uitlatingen steun vinden in de beschikbare feiten,
de mate waarin de uitlatingen een bijdrage leveren aan een (publiek) debat van algemeen belang.
3.9.
Welk recht uiteindelijk zwaarder weegt, hangt ervan af aan wiens belang in de gegeven omstandigheden meer gewicht toekomt. Het belang aan de zijde van [eisende partij c.s.] is onder meer dat zij door de uitlatingen van [gedaagde partij] niet wordt blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen, die haar naam en reputatie onnodig schaden. Aan de kant van [gedaagde partij] is het belang om als persoon en moskeebestuurder zich actief en kritisch uit te (blijven) spreken over het door [eisende partij sub 1] verrichte onderzoek.
Geen sprake van onrechtmatige uitlatingen
Het gebruik van het woord crimineel
3.10.
Op 21 mei 2023 heeft [gedaagde partij] (onder de naam [naam] ) [eisende partij sub 2] op Facebook “
een van de grootste criminelen van het land” genoemd. Op 28 juli 2025 heeft [gedaagde partij] over een door stichting Taubah tegen de Gemeente aangespannen procedure op Facebook onder meer het volgende gemeld: “
Morgen is het één van de belangrijkste uitspraak (rechtbank Utrecht) die een moskee in Nederland ooit heeft gehad. Wat de uitkomst ook mag zijn, wij gaan door totdat de criminele bende van [eisende partij sub 1] allemaal voor de rechter staat”. In een ander Facebookbericht van dezelfde datum heeft [gedaagde partij] gemeld: “
(…). Ik weet dat [eisende partij sub 1] en haar criminele partners meelezen (…). Ter info. Het juridische proces stopt niet na 30 juli!”. [gedaagde partij] verwijst daarmee naar de toen verwachte uitspraak in een bij deze rechtbank door de stichting Taubah tegen de Gemeente aangespannen rechtszaak.
3.11.
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde partij] [eisende partij c.s.] heeft weggezet als criminelen en als een criminele bende en een keer [eisende partij sub 1] ervan beticht heeft dat zij criminele partners heeft. Het doen van deze ongefundeerde uitlatingen, want enige onderbouwing daarvan ontbreekt, is zonder meer schadelijk voor [eisende partij c.s.] .
3.12.
In antwoord op de eerste sommatie van de advocaat van [eisende partij c.s.] van 11 september 2025 heeft de mr. Tjiam namens [gedaagde partij] op 29 september 2025 laten weten dat [gedaagde partij] het woord criminelen niet meer zal gebruiken en dat [gedaagde partij] dit woord binnen 48 uur uit zijn sociale media post zal verwijderen. Het woord criminelen is inderdaad uit zijn posts verwijderd en het woord crimineel is niet meer door [gedaagde partij] gebruikt. Op de zitting van 26 januari 2026 heeft [gedaagde partij] opnieuw toegezegd het woord criminelen niet meer in verband met [eisende partij c.s.] te gebruiken, waarbij ook mr. Tjiam heeft benadrukt zijn cliënt ernstig te hebben afgeraden opnieuw het woord criminelen te gebruiken.
3.13.
Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is er geen enkele aanleiding om aan te nemen dat [gedaagde partij] zich niet aan zijn, al voor de dagvaarding gedane, toezegging zal houden om het woord criminelen niet meer in verband met [eisende partij c.s.] te gebruiken. Daarom is er geen reden om het gevorderde verbod op het gebruik van het woord criminelen toe te wijzen.
Het blokkeren van bankrekeningen
3.14.
[eisende partij c.s.] verwijt [gedaagde partij] dat hij in de Podcast ten onrechte verkondigd heeft dat [eisende partij c.s.] verantwoordelijk is voor het blokkeren van zijn bankrekening. [eisende partij c.s.] stelt dat zij in het geheel niets te maken heeft (gehad) met de blokkeringen van de bankrekening van [gedaagde partij] of die van de moskee van de stichting Taubah.
3.15.
[eisende partij c.s.] beroept zich nadrukkelijk op wat [gedaagde partij] aan het einde van minuut 29 in de Podcast meldt: “
Die(de CTER melding, voorzieningenrechter)
heb ik ook achter mijn naam.
En hoogstwaarschijnlijk door [eisende partij sub 1] . Mijn bankrekening hebben ze ook geblokkeerd.”.Deze uitspraak op zichzelf beoordelend zou zo kunnen worden opgevat dat [gedaagde partij] met ‘ze’ [eisende partij sub 1] bedoelt. Die conclusie volgt volgens [eisende partij c.s.] ook uit datgene wat [gedaagde partij] in de Podcast op het tijdstip 47:40 meldt:
“Wij zijn natuurlijk benadeeld als moskee. Eh, heimelijk onderzocht, maar tegelijkertijd hebben ze onze moskee geblokkeerd, de bankrekening hebben ze geblokkeerd, maar daarna zijn ze bij mij gekomen. Die hebben ze ook geblokkeerd.”.Maar [gedaagde partij] stelt dat hij met ‘ze’ de Rabobank bedoelt. Dit laatste is niet alleen aannemelijk omdat [eisende partij c.s.] geen bevoegdheid heeft om bankrekeningen te blokkeren, maar volgt duidelijk ook uit datgene wat [gedaagde partij] in de Podcast op het tijdstip 48.34 meldt. Daar vertelt [gedaagde partij] dat zijn advocaat bij een zitting aan de bank vroeg
“Hoe zijn jullie bij de heer [gedaagde partij] uitgekomen? En de bank zegt: De stichting is in de media verschenen. We hebben onderzoek gedaan naar de stichting. Die hebben we geblokkeerd. We zagen dat [gedaagde partij] daar bestuurder is en hebben we hem ook meegenomen in het onderzoek. En daardoor zijn de rekeningen geblokkeerd. We willen ze blokkeren. En de rechter heeft ook gezegd: de Rabobank heeft gelijk”.
3.16.
Uit het laatste fragment blijkt duidelijk dat [gedaagde partij] met ‘ze’ de Rabobank bedoelt en niet [eisende partij c.s.] . [gedaagde partij] wordt door [eisende partij c.s.] dan ook iets verweten wat hij niet zo gezegd heeft. [eisende partij c.s.] stelt nog dat de door [gedaagde partij] aan het einde van minuut 29 gedane uitlating in de Podcast niet in de context van de gehele Podcast moet worden beoordeeld, maar daar is geen enkele aanleiding toe. Bovendien verwijst [eisende partij c.s.] zelf ook naar datgene wat [gedaagde partij] in minuut 47:40 in de Podcast meldt. [3] Opmerkelijk daarbij is dat [eisende partij c.s.] de door [gedaagde partij] vrijwel direct daaropopvolgend gedane uitspraken in de Podcast, waarin duidelijk wordt verwezen naar de Rabobank, onbesproken laat. Daarmee schetst [eisende partij c.s.] een onvolledig beeld van wat [gedaagde partij] over het blokkeren van bankrekeningen gemeld heeft. En wanneer een luisteraar naar de uitlatingen van [gedaagde partij] in minuut 29 luistert en vervolgens de Podcast uitzet en mogelijk inderdaad een verkeerde conclusie trekt, betekent dit nog niet dat de vordering op dit punt toewijsbaar is. Want niet alles wat onjuist is, is ook onrechtmatig. Omstandigheden die maken dat er wel sprake is van een onrechtmatige uitlating ontbreken.
Het plaatsen van namen op de terreurlijsten/CTER-lijsten
3.17.
[eisende partij c.s.] verwijt [gedaagde partij] dat hij in de Podcast herhaaldelijk stelt dat [eisende partij c.s.] meerdere namen, waaronder die van hemzelf, op de terreurlijsten (zogenaamde CTER-lijsten) zou hebben geplaatst. [4] Volgens [eisende partij c.s.] is zo’n opmerking per definitie onjuist, omdat [eisende partij sub 1] helemaal niet bevoegd is om personen op een CTER-lijst te plaatsen.
3.18.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde partij] zich (ook hier) genuanceerder heeft uitgelaten dan dat [eisende partij c.s.] stelt. Zo vertelt [gedaagde partij] in de Podcast op het tijdstip 29:50 namelijk dat hij een CTER-melding achter zijn naam heeft
“en hoogstwaarschijnlijk door het [eisende partij sub 1]”. [gedaagde partij] spreekt met gebruik van het woord ‘hoogstwaarschijnlijk’ niet meer dan een vermoeden uit van betrokkenheid van [eisende partij sub 1] bij plaatsing van zijn naam op de CTER-lijst.
3.19.
Volgens [gedaagde partij] is er naar alle waarschijnlijkheid wel causaal verband tussen het handelen van [eisende partij sub 1] en de plaatsing van onder meer zijn naam op de CTER-lijst. [gedaagde partij] acht dit namelijk een direct gevolg van (i) de inhoud van het Rapport, dat volgens [gedaagde partij] opzettelijk een extremistisch en terroristisch beeld heeft willen neerzetten van de stichting Taubah en daarmee ook van het bestuur waar [gedaagde partij] onderdeel van is, (ii) het feit dat [eisende partij sub 1] het Rapport heeft toegelicht in de lokale driehoek van de Gemeente en (iii) het verstrekken van het Rapport door de Gemeente aan onder meer de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijder (NCTV). Dit komt ook aan de orde in de Podcast.
3.20.
De uitspraken van [gedaagde partij] in de Podcast dat “
iemand”verantwoordelijk is voor het doorgeven van de namen die gezinnen kapot hebben gemaakt en levens hebben verwoest (fragmenten vanaf de tijdstippen 20:58 en 57:47) moeten in de onder 3.19 genoemde context worden beschouwd. Dit geldt ook voor de onder 3.18 genoemde uitspraak (fragment vanaf tijdstip 29:50). [gedaagde partij] houdt [eisende partij c.s.] in dat kader (mede) verantwoordelijk voor de plaatsing van namen op de CTER-lijst, maar stelt in de drie fragmenten niet dat het [eisende partij sub 1] zelf is die namen op terreurlijsten/CTER-lijsten heeft geplaatst. [gedaagde partij] betwist ook niet dat [eisende partij sub 1] niet zelfstandig namen op de CTER-lijst kan zetten.
3.21.
Op grond van vorenstaande is er geen grond [gedaagde partij] te verbieden om op welke wijze dan ook in de toekomst informatie te verspreiden dat [eisende partij c.s.] , haar (voormalige) werknemers, functionarissen, bestuursleden of andere betrokkenen, verantwoordelijk zouden zijn voor of in verband worden gebracht met het plaatsen van namen op terreurlijsten/CTER-lijsten. De voorzieningenrechter wijst partijen alvast op dat wat hieronder ten overvloede wordt overwogen (3.29 e.v.).
Het bedreigen van ondervraagden
3.22.
[eisende partij c.s.] vindt de wijze waarop [gedaagde partij] in de Podcast vertelt over een voorbeeld over de werkwijze van een medewerker van [eisende partij sub 1] bij de uitvoering van een in opdracht van een gemeente uitgevoerd onderzoek onrechtmatig. Volgens [eisende partij sub 1] hebben haar medewerkers zich nooit op de door [gedaagde partij] beschreven verwerpelijke manier gehandeld. De door [gedaagde partij] als feiten gepresenteerde insinuaties zijn volgens [eisende partij c.s.] nodeloos diffamerend. Verder stelt [eisende partij c.s.] dat het onrechtmatig is om dergelijke ernstige beschuldigingen te uiten op grond van één anonieme bron.
3.23.
In het bewuste fragment in de Podcast (37:28-38:10) vertelt [gedaagde partij] het volgende:

Toen dat was gelekt over [eisende partij sub 1] , hebben we heel veel telefoontjes binnengekregen en berichten. Een voorbeeld: Een zuster heeft haar kind op een openbare school. Ze woont niet in een grote stad waar een islamitische school is. Ze gaat met haar ghimaar, brengt ze haar kind naar school. Vervolgens komt een [eisende partij sub 1] -medewerker bij haar thuis, aankloppen. We willen met jou in gesprek. ‘Ja, wie bent u dan?’ ‘Ja, de gemeente heeft mij ingehuurd, we willen graag met jou in gesprek.’ ‘Dan zeg je ja maar ik niet.’ ‘Nee, je moet meewerken en meteen hè, je moet meewerken anders kan het zo zijn dat jouw kind in gevaar is. Met andere woorden dat we de Raad van Kinderbescherming gaan benaderen, dat ze jouw kind meenemen.’ Dan zegt zij nog: ‘Ja, oké, maar ik ben hier alleen, ik wil mijn mahram erbij.’ Dat was gewoon één van de medewerkers van [eisende partij sub 1] .”
3.24.
In de conclusie van antwoord heeft [gedaagde partij] negen screenshots van Facebook-berichten opgenomen waarop hij zijn uitlatingen in de Podcast gebaseerd heeft. [5] Uit de eerste zes screenshots blijkt dat een dag na de publicatie van het NRC artikel op […] 2021 een vrouw via Facebook contact met [gedaagde partij] heeft opgenomen. Verder blijkt uit de screenshots dat wat [gedaagde partij] in de Podcast meldt overeenkomt met wat de vrouw in haar Facebook-berichten meldt over een medewerker van [eisende partij sub 1] .
3.25.
[gedaagde partij] brengt in de Podcast het verhaal van de vrouw niet als vaststaand feit, maar [gedaagde partij] doet verslag van de inhoud van een van de berichten die hem is toegezonden. Het is dus niet [gedaagde partij] zelf die in de Podcast medewerkers van [eisende partij sub 1] beschuldigt van het dreigen met de kinderbescherming wanneer mensen niet willen meewerken aan een onderzoek.
3.26.
Verder geldt dat het gebruik van anonieme bronnen niet per definitie onrechtmatig is. Dat het gebruik van een anonieme bron hier wel onrechtmatig is, is niet aannemelijk geworden. [gedaagde partij] heeft op de zitting namelijk gemotiveerd gesteld dat hij na de publicatie van het NRC artikel op […] 2021 veel telefoontjes en berichten heeft ontvangen van mensen die “slachtoffer” zijn van [eisende partij sub 1] , waaronder het Facebook-bericht waarop de mededeling van [gedaagde partij] in de Podcast is gebaseerd.
3.27.
[eisende partij c.s.] stelt nog dat de (in de Facebook-berichten met naam genoemde) [eisende partij sub 1] -medewerker niet meer bij haar werkzaam is en dat hij daarom niet over het verhaal van de vrouw kan verklaren. De rechtbank kan deze redenering niet volgen. Oud-werknemers kunnen wel degelijk verklaringen afleggen. Bovendien gaan de laatste drie screenshots van de Facebook-berichten ook over het contact van de vrouw met een andere (met naam genoemde) medewerker van [eisende partij sub 1] . De vrouw is over deze medewerker van [eisende partij sub 1] veel positiever en uit de laatste drie Facebook-berichten volgt dat dit de medewerker is met wie de vrouw, in bijzijn van haar advocaat, gesproken heeft over datgene waar zij de oud-medewerker van [eisende partij sub 1] van beschuldigt. [eisende partij c.s.] heeft geen reden gegeven waarom deze [eisende partij sub 1] -medewerker geen verklaring heeft kunnen afgeven.
3.28.
Op grond van vorenstaande is er geen grond de gevraagde voorziening om te voorkomen dat er uitlatingen worden gedaan over - kort gezegd - het door medewerkers van [eisende partij sub 1] bedreigen van ondervraagden toe te wijzen. Verder wordt ook hier verwezen naar wat hieronder ten overvloede wordt overwogen.
Ten overvloede
3.29.
[eisende partij c.s.] heeft een aantal voorbeelden van Facebook-berichten van [gedaagde partij] over [eisende partij c.s.] in de periode oktober 2021 tot en met september 2023 overgelegd. [6] Deze berichten gaan onder meer over het “
verraad” van de islamitische gemeenschap door “
moslimbroeder” [eisende partij sub 2] en dat hij aangepakt moet worden. Onder de berichten worden door lezers van de berichten soms heftige reacties geplaatst. Deze uitlatingen zijn echter niet aan de vordering ten grondslag gelegd en spelen in de beoordeling daarom geen rol. Toch wil de voorzieningenrechter daar het volgende over opmerken.
3.30.
De voorzieningenrechter kan zich voorstellen dat [eisende partij c.s.] bovenstaande berichtgeving als bedreigend ervaart. In een door de operationeel directeur van [eisende partij sub 1] overgelegde schriftelijke verklaring van 20 november 2025 worden ook vele voorbeelden gegeven van (dreiging van) geweld tegen [eisende partij sub 1] en haar medewerkers en het ontvangen van intimidatie en haatdragende berichten aan het adres van [eisende partij sub 1] en haar medewerkers sinds de publicatie van het NRC artikel van […] 2021. [7]
3.31.
[gedaagde partij] heeft een behoorlijk groot bereik op social media en hij moet zich er daarom bewust van zijn dat zijn woorden verstrekkende gevolgen kunnen hebben. Zijn woorden kunnen door zijn volgers namelijk heel letterlijk genomen worden en zij kunnen zich door zijn woorden gesterkt voelen om gewelddadig op te treden richting [eisende partij sub 1] , haar medewerkers en [eisende partij sub 2] . Met een groot bereik op social media komt ook een grotere verantwoordelijkheid. Dat betekent dat [gedaagde partij] goed moet opletten welke woorden hij op social media gebruikt en dat hij daarbij moet afwegen of die woorden door zijn volgers eventueel opgevat kunnen worden als een oproep tot of vrijbrief voor gewelddadige acties. Het (inmiddels verwijderde) gebruik van het woord ‘criminelen’ en het op 6 juli 2023 geplaatste filmpje waarin [gedaagde partij] op een boksbal slaat met de tekstuele toevoeging dat “
Deze is voor alle [eisende partij sub 1] medewerkers en soortgelijk.” helpt daar in ieder geval niet bij. [8]
Conclusie
3.32.
De door [eisende partij c.s.] ingestelde vorderingen zijn niet toewijsbaar.
De proceskosten komen voor rekening van [eisende partij c.s.]
3.33.
[eisende partij c.s.] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.697,00
3.34.
De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij c.s.] af,
4.2.
veroordeelt [eisende partij c.s.] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.697,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij c.s.] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.J. Schoenaker en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026.
4428

Voetnoten

1.De naam van de moskee is inmiddels gewijzigd in Al Andalous
2.Het NRC artikel is onderdeel van productie 2 van [gedaagde partij]
3.Zie randnummer 2.15 van de dagvaarding
4.CTER staat voor Contraterrorisme, Extremisme en Radicalisering
5.Pagina 25 t/m 27 van de Conclusie van Antwoord, waarbij de naam van vrouw niet zichtbaar is.
6.Productie 3 van [eisende partij c.s.]
7.Productie 18 van [eisende partij c.s.]
8.Een afbeelding van het filmpje is door [eisende partij c.s.] als onderdeel van productie 3 overgelegd (blz. 12)