Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3567

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
12081065 \ MC EXPL 26-570
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:280 BWArt. 6:82 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke ontbinding en ontruiming bedrijfsruimte wegens huurachterstand

In deze zaak vordert eiseres de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van een bedrijfsruimte wegens een substantiële huurachterstand van circa tien maanden, oplopend tot € 11.657,30. De gedaagde erkent de achterstand en geeft aan binnen twee weken te kunnen betalen.

De kantonrechter stelt vast dat een huurachterstand van drie maanden al ontbinding rechtvaardigt en maakt gebruik van de wettelijke mogelijkheid om een termijn (terme de grâce) van twee weken toe te staan voor betaling. Indien gedaagde binnen deze termijn betaalt, blijft de huurovereenkomst van kracht en hoeft zij niet te ontruimen.

Indien niet betaald wordt, eindigt de huurovereenkomst en moet gedaagde ontruimen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis. Daarnaast veroordeelt de rechter gedaagde tot betaling van de huurachterstand, wettelijke rente, incassokosten, contractuele boetes, een voorschot op schadevergoeding en proceskosten.

De uitspraak bevat een uitgebreide motivering over de hoogte van de huurachterstand, de toepasselijkheid van de boetes en de schadevergoeding, waarbij rekening wordt gehouden met mogelijke wederverhuur door eiseres. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt voorwaardelijk ontbonden en ontruiming bevolen bij niet-betaling binnen twee weken, met veroordeling tot betaling van huurachterstand, boetes, incassokosten, schadevergoeding en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12081065 \ MC EXPL 26-570
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. J.J.L. Boudewijn en mr. R.G. Matti (Van der Hoeden | Mulder gerechtsdeurwaarders en juristen),
tegen
[gedaagde] ,handelend onder de naam
[handelsnaam],
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 januari 2026;
- de conclusie van antwoord.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 mei 2026. Namens
[eiseres] is verschenen mr. R.G. Matti. [gedaagde] is in persoon verschenen.
Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord.
De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken.
1.3
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1
[gedaagde] huurt van [eiseres] de bedrijfsruimte aan de [adres] , unit [unit] , te [plaats 2] (hierna: het gehuurde). [gedaagde] heeft een huurachterstand, die een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. De kantonrechter ziet echter aanleiding om een
terme de graçete verlenen: als [gedaagde] de onder de beslissing genoemde bedragen binnen twee weken volledig betaald, zal de huurovereenkomst in stand blijven en hoeft zij het gehuurde niet te ontruimen.

3.De beoordeling

Huurachterstand
3.1
Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een substantiële huurachterstand. Ten tijde van de dagvaarding bedroeg de huurachterstand € 6.920,50 (berekend tot en met januari 2026). Dit is een huurachterstand van circa zes maanden (gelet op de huurprijs van € 1.840,20 per maand).
3.2
Op de mondelinge behandeling heeft [eiseres] een nadere specificatie overgelegd. Hieruit blijkt dat de huurachterstand alleen maar verder is opgelopen tot maar liefst tien maanden (€ 11.657,30 berekend tot en met 1 mei 2026). Aangezien
[gedaagde] dit niet heeft betwist, is de gevorderde huurachterstand toewijsbaar.
Ook de wettelijke rente, die alleen is gevorderd over de huurachterstand tot en met januari 2026 vanaf datum dagvaarding, is toewijsbaar.
Ontbinding en ontruiming
3.3
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] ernstig is tekortgeschoten in de nakoming van haar (betalings)verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst. Een huurachterstand van drie maanden rechtvaardigt in beginsel namelijk al de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] aangegeven dat zij “
100% zeker weten” over twee weken de huurachterstand met boete, rente en kosten kan betalen. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om gebruik te maken van de wettelijke bevoegdheid om [gedaagde] nog een termijn toe te staan om deze bedragen aan [eiseres] te voldoen (een zogenoemde
terme de grâceals bedoeld in artikel 7:280 BW Pro). Deze termijn zal worden bepaald op twee weken na dit vonnis. Dat betekent dat de ontbinding en de ontruiming worden uitgesproken onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen voornoemde termijn de bedragen zoals onder de beslissing genoemd heeft betaald. Als zij wel op tijd en volledig betaalt, dan sorteren de ontbinding en de veroordeling tot ontruiming geen effect.
3.4
Als [gedaagde] de genoemde bedragen niet betaald binnen de gestelde termijn, zal de huurovereenkomst eindigen. In dat geval moet zij vanaf dat moment geen huur maar een gebruiksvergoeding van € 1.184,20 per maand betalen tot en met de dag waarop zij het gehuurde daadwerkelijk heeft verlaten. [gedaagde] moet het gehuurde dan ook ontruimen. [gedaagde] krijgt hiervoor dan 14 dagen de tijd. Deze termijn gaat in vanaf het moment dat dit vonnis aan haar door de deurwaarder is bezorgd (en de genoemde termijn van twee weken is verstreken).
Schadevergoeding
3.5
[eiseres] vordert verder een voorschot op de schadevergoeding gelijk aan drie huurtermijnen, zijnde € 3.522,60.
3.6
Ingeval van ontbinding kan [eiseres] in beginsel aanspraak maken op een bedrag gelijk aan de huurprijs over de periode vanaf de datum ontbinding van de huurovereenkomst tot en met de datum waarop de huurovereenkomst normaal gesproken zou zijn geëindigd. Als de huurovereenkomst had voortgeduurd, had [eiseres] in deze periode namelijk huurinkomsten ontvangen van [gedaagde] . [eiseres] is wel verplicht om haar schade te beperken en dus waar mogelijk het gehuurde te verhuren aan een ander. Op dit moment is het nog onzeker of de voorwaardelijke ontbinding effect sorteert en is het onduidelijk of [eiseres] dan haar schade kan beperken door verhuur aan een ander.
3.7
De kantonrechter schat in dat de kans klein is dat [eiseres] in staat zal zijn om binnen drie maanden na de daadwerkelijke ontruiming inkomsten te verkrijgen door verhuur aan een ander. Daarom zal het gevorderde bedrag aan voorschot op de schadevergoeding worden toegewezen. Voor het geval [eiseres] het gehuurde binnen die drie maanden tegen betaling toch kan verhuren aan een ander bepaalt de kantonrechter dat de inkomsten die [eiseres] hierdoor verkrijgt, van de toe te wijzen schadevergoeding moeten worden afgetrokken.
Incassokosten en boete
3.8
[eiseres] vordert verder een bedrag van € 706,52 aan buitengerechtelijke incassokosten die zowel op grond van de toepasselijke Algemene Bepalingen (AB) als op grond van de wet voor vergoeding in aanmerking komen. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is lager dan het in het Besluit bepaalde tarief en is daarom toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding.
3.9
Daarnaast vordert [eiseres] verbeurde contractuele boetes op grond van artikel 14.2 AB. Daarin is bepaald dat, als niet prompt op de vervaldag de huur is betaald, de huurder aan de verhuurder een direct opeisbare boete van 2% van het verschuldigde per kalendermaand verschuldigd is met een minimum van 250 gulden (omgerekend € 113,45 per maand). [eiseres] heeft onweersproken gesteld dat [gedaagde] in gebreke is gebleven met betaling van zes huurtermijnen en daarom 6 x € 113,45 = € 680,70 verschuldigd is. De boetes zijn dan ook toewijsbaar. De gevorderde wettelijke rente hierover wordt echter afgewezen omdat die pas na schriftelijke aanmaning op de voet van 6:82 BW is verschuldigd.
Proceskosten
3.1
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- dagvaarding
155,67
- griffierecht
559,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.578,67

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan [eiseres] :
  • € 11.657,30 aan huurachterstand, berekend tot en met 1 mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 6.920,50 vanaf de dag van dagvaarding (29 januari 2026) tot de dag van volledige betaling;
  • € 706,52 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2026 tot de dag van betaling;
  • € 680,70 aan contractuele boetes;
en bovendien, maar alléén voor het geval [gedaagde] de hierboven genoemde bedragen niet binnen twee weken na vandaag aan [eiseres] heeft betaald:
4.2
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres] unit [unit] te [plaats 2] met ingang van de dag na afloop van hiervoor genoemde termijn van twee weken;
4.3
veroordeelt [gedaagde] om
binnen veertien dagenna betekening van dit vonnis (en de hiervoor genoemde termijn van twee weken is verstreken) het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiseres] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiseres] ;
4.4
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van:
  • € 1.184,20 aan huur voor de maand juni 2026 ingeval die nog niet is betaald;
  • € 1.184,20 voor iedere maand vanaf juli 2026 tot de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden;
4.5
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 3.552,60 aan voorschot op de schadevergoeding gelijk aan de huur van drie kalendermaanden na de daadwerkelijke ontruiming, met dien verstande dat ingeval van voortijdige wederverhuur de ontvangen huurpenningen door [eiseres] in mindering moeten worden gebracht op deze schadevergoeding;
en voorts in beide gevallen:
4.6
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.578,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.7
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.8
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.
4578