Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.Inleiding
2.De beoordeling
- dat zij binnen afzienbare termijn de woning leeg kunnen verkopen om daarmee tot een definitieve afwikkeling van de nalatenschap te komen;
- dat inmiddels bijna elf maanden zijn verstreken sinds het overlijden van [erflater] ;
- dat in die periode de hypoheekrente niet is betaald en de schuld aan de bank dus is opgelopen en nog steeds oploopt;
- dat de hypotheekverstrekker op 19 mei 2026 heeft aangegeven dat als de betalingsachterstand niet wordt voldaan en de woning evenmin onderhands (leeg) wordt verkocht, zij overweegt om de woning executoriaal te laten verkopen;
- dat de erfbelasting inmiddels rentedragend is.
- dat zij de afgelopen dertien jaar met [erflater] in de woning heeft gewoond;
- dat hij plotseling op jonge leeftijd is overleden en zij daardoor plotseling werd geconfronteerd met een situatie dat ze geen recht of titel meer had om in de woning te verblijven;
- dat [gedaagde] daarom – ook vanuit menselijk oogpunt – tijd moet worden gegund om een nieuwe woning te vinden;
- dat [gedaagde] zich de afgelopen tijd heeft ingespannen om andere woonruimte te vinden, maar daarin niet is geslaagd; en
- dat er sinds vorige week concretere zicht is op andere woonruimte, omdat duidelijk is geworden dat de gemeente (na bezwaar toch) een urgentieverklaring aan haar verstrekt.
3.De beslissing
- zorgt dat binnen een week na vandaag de maandtermijn van de hypotheek over juni 2026 wordt betaald aan de hypotheekhouder;
- zorgt dat ook de maandtermijnen over juli 2026, augustus 2026 en september 2026 tijdig aan de hypotheekhouder worden betaald; en
- alle medewerking verleent die de door vereffenaar in te schakelen makelaar redelijkerwijs nodig acht om de woning te verkopen (zoals: op verzoek van de makelaar toegang verschaffen tot de woning voor het maken van foto’s en bezichtigingen en dergelijke, en te zorgen dat de woning dan toonbaar is),