ECLI:NL:RBMNE:2026:3548

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
20 juni 2026
Zaaknummer
12207989 \ MV EXPL 26-60 BW 31650 DEFI
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verstekvonnis loonvordering wegens niet-betaling na beëindiging arbeidsovereenkomst

Eiser was werkzaam bij gedaagde op basis van een arbeidsovereenkomst van juni 2025 tot februari 2026. De arbeidsovereenkomst werd met wederzijds goedvinden beëindigd, waarbij betaling van loon en eindafrekening uiterlijk 20 maart 2026 was afgesproken. Gedaagde is niet tot betaling overgegaan, waarop eiser loonvordering instelde.

Gedaagde verscheen niet op de mondelinge behandeling, waardoor verstek werd verleend. De kantonrechter oordeelde dat het spoedeisend belang aanwezig was vanwege de achterstallige loonbetaling. De vorderingen van eiser, waaronder loon over februari 2026, een correctie van loon over november 2025 tot januari 2026 wegens te weinig gewerkte uren en te laag loon, vakantietoeslag, eindejaarsuitkering, wettelijke verhoging en rente, werden gegrond bevonden.

Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van de gevorderde bedragen, het verstrekken van een deugdelijke specificatie van de bedragen, onder dreiging van een gematigde dwangsom, en tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt bij verstek veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, vakantietoeslag, eindejaarsuitkering, wettelijke verhoging, rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12207989 \ MV EXPL 26-60 BW 31650
Kort geding verstekvonnis van 9 juni 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend op basis van een toevoeging: nr. 4RF3164
gemachtigde: mr. W. Searle,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1
De kantonrechter beschikt over de betekende dagvaarding van 1 mei 2026 met
6 producties van [eiser] .
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 mei 2026 op de zittingslocatie van deze rechtbank in Almere. [eiser] is verschenen, bijgestaan door
mr. Searle. Namens [gedaagde] is niemand verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken tijdens de zitting.
1.3
Tijdens de mondelinge behandeling is bepaald dat uiterlijk op 12 juni 2026 uitspraak zal worden gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiser] is vanaf 7 juni 2025 tot en met 23 februari 2026 werkzaam geweest bij [gedaagde] als [functie] op basis van een arbeidsovereenkomst. [eiser] werkte 28 uur per week, tegen een loon van € 17,03 bruto, exclusief vakantietoeslag per uur, met verloning per vier weken. Per 1 januari 2026 is het uurloon geïndexeerd naar € 17,75 bruto.
Partijen hebben met wederzijds goedvinden de arbeidsovereenkomst beëindigd per 23 februari 2026. In de beëindigingsovereenkomst is afgesproken dat het loon over februari 2026 en de eindafrekening uiterlijk op 20 maart 2026 plaatsvinden. [gedaagde] is niet tot betaling overgegaan.
[eiser] vordert in deze procedure daarom betaling van loon en de eindafrekening. De kantonrechter zal [gedaagde] bij verstek veroordelen om tot betaling aan [eiser] over te gaan van alles wat hij heeft gevorderd in deze procedure.

3.De beoordeling

Aan [gedaagde] wordt verstek verleend
3.1
[gedaagde] is niet op de mondelinge behandeling verschenen. Uit de door [eiser] overgelegde originele dagvaarding is gebleken dat [gedaagde] correct voor de zitting is opgeroepen. Ook de overige bij wet voorgeschreven formaliteiten zijn in acht genomen. Daarom wordt tegen [gedaagde] verstek verleend.
Spoedeisend belang
3.2
Omdat [eiser] achterstallig loon vordert, is daarmee het spoedeisend belang gegeven. Als de hoofdvordering voldoende spoedeisend is om in kort geding te worden beoordeeld, kan ook worden beslist over de daarmee nauw verwante (minder spoedeisende) nevenvorderingen [1] . Ook voor de overige vorderingen van [eiser] zal daarom het spoedeisend belang worden aangenomen.
De vorderingen van [eiser] worden toegewezen
3.3
Omdat aan [gedaagde] verstek is verleend, worden de vorderingen van [eiser] toegewezen, tenzij de kantonrechter de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
De vorderingen van [eiser] tot betaling van loon over februari 2026 en betaling van de eindafrekening van het dienstverband vloeien voort uit de tussen partijen gesloten beëindigingsovereenkomst. Die vorderingen zullen worden toegewezen.
3.4
[eiser] vordert ook loon over de periode van november 2025 tot en met januari 2026, omdat door [gedaagde] in die periode maar 24 uur per week is betaald in plaats van de gewerkte 28 uur per week en tegen een te laag uurloon. Dat werkt ook door in de opgebouwde vakantietoeslag en eindejaarsuitkering, die ook onderdeel uitmaakt van de vorderingen van [eiser] . Al deze vorderingen komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen worden toegewezen.
Ook de wettelijke verhoging over de looncomponenten en de wettelijke rente zijn als op de wet gegrond toewijsbaar en zullen overeenkomstig het gevorderde worden toegewezen.
3.5
[gedaagde] moet ook een deugdelijke specificatie verstrekken van de bedragen die zij op grond van dit vonnis moet betalen. De gevorderde dwangsommen voor als [gedaagde] daar niet toe overgaat zal de kantonrechter matigen tot € 25,00 per dag en tot een maximum van € 1.000,00.
[gedaagde] moet ook de proceskosten betalen
3.6
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
93,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
Totaal
814,00

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen:
a. het netto equivalent van € 2.507,20 bruto, aan achterstallig loon;
b. het netto equivalent van € 413,75 bruto aan opgebouwde maar niet genoten vakantie-uren;
c. het netto equivalent van € 1.556,19 bruto aan vakantietoeslag;
d. de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW Pro, over de bedragen genoemd onder a tot en met c van € 2.238,57;
e. het netto equivalent van € 439,51 bruto aan eindejaarsuitkering;
f. de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening over de bedragen genoemd onder a tot en met d;
4.2
veroordeelt [gedaagde] tot het overleggen van deugdelijke loonspecificaties over de bedragen genoemd onder b tot en met e, op straffe van een dwangsom van € 25,00 per dag, met een maximum van € 1.000,00, voor elke dag dat B.O.S.S., na 5 dagen na betekening van dit vonnis, daaraan niet voldoet;
4.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 814,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.4
wijst het meer of anders gevorderde af,
4.5
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.G.F. van der Kraats en in het openbaar uitgesproken op
9 juni 2026

Voetnoten

1.Hoge Raad 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1522.