ECLI:NL:RBMNE:2026:3532

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
UTR 2570 en UTR 25/1253
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens niet-ontvankelijkheid bezwaar

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen besluiten van de Sociale Verzekeringsbank betreffende dubbele kinderbijslag. De bezwaarschriften tegen deze besluiten werden niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding en het bezwaar tegen een nadere uitlegbrief werd eveneens niet-ontvankelijk verklaard omdat deze brief geen besluit in de zin van de Awb was.

Verzoekster trok beide beroepen in en verzocht om proceskostenvergoeding. De rechtbank overweegt dat een proceskostenveroordeling alleen kan worden toegekend indien de intrekking van het beroep het gevolg is van een gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming door verweerder.

Hoewel verweerder later dubbele kinderbijslag toekende over het eerste kwartaal van 2024, oordeelt de rechtbank dat dit niet neerkomt op tegemoetkoming aan de bezwaren van verzoekster, aangezien het bezwaar niet-ontvankelijk was. Daarom is geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af en verklaart de verzoeken kennelijk ongegrond. De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka en griffier S.N. Lekatompessij op 9 juni 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af omdat geen sprake is van een tegemoetkoming die de intrekking van het beroep rechtvaardigt.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/70 en UTR 25/1253

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaken tussen

[verzoekster] , te [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. G.J.A.M. Gloudi)
en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over de verzoeken van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Bestreden besluit 1 (UTR 25/70)
Verweerder heeft op 12 december 2024 een besluit op bezwaar genomen. Het bezwaarschrift, gericht tegen het besluit van 20 augustus 2024 dat verzoekster vanaf het tweede kwartaal van 2024 recht heeft op dubbele kinderbijslag, is niet-ontvankelijk verklaard en wordt dus niet inhoudelijk behandeld. Verzoekster is op 7 januari 2025 hiertegen in beroep gegaan. Op 16 juni 2025 heeft verweerder alsnog dubbele kinderbijslag over het eerste kwartaal van 2024 aan verzoekster toegekend.
Bestreden besluit 2 (UTR 25/1253)
Verweerder heeft in de brief van 22 november 2024 nadere uitleg gegeven over het besluit van 20 augustus 2024. Verzoekster heeft bezwaar ingediend tegen de brief van 22 november 2024. Het bezwaar van verzoekster is op 10 februari 2025 niet-ontvankelijk verklaard en wordt dus niet inhoudelijk behandeld. Verzoekster is op 17 februari 2025 hiertegen in beroep gegaan.
Verzoekster heeft beide beroepen ingetrokken met het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Bestreden besluit 1
3. Gelet op het hiervoor weergegeven wettelijk kader is voor een proceskostenveroordeling in beroep vereist dat de intrekking van het beroep het gevolg is van een gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming door verweerder aan verzoekster.
Het besluit van 16 juni 2025 heeft weliswaar feitelijk tot gevolg dat verzoekster alsnog dubbele kinderbijslag over het eerste kwartaal van 2024 krijgt, echter, gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is de rechtbank van oordeel dat daarmee niet is tegemoetgekomen aan verzoeksters bezwaren tegen het bestreden besluit. Dat bezwaar is immers niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift van 2 december 2024 niet binnen de termijn van zes weken is ingediend zoals vermeld in het besluit van 20 augustus 2024 en er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met het beroep heeft moeten maken. Het verzoek komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking.
Bestreden besluit 2
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Daartoe overweegt de rechtbank dat verzoekster bezwaar heeft gemaakt tegen een brief met nadere uitleg van verweerder. Dit is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, zodat het bezwaar om die reden niet-ontvankelijk was. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met het beroep heeft moeten maken. Het verzoek komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking.
5. De rechtbank wijst de verzoeken als kennelijk ongegrond af.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding met betrekking tot
bestreden besluit 1en
bestreden besluit 2af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier
.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.