3.3.2.Bewijsoverwegingen
Inleiding
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast.
Politieagenten reden op 22 juli 2025 omstreeks 19.50 uur in hun dienstauto de parkeerplaats Galecop in Nieuwegein op. Op de parkeerplaats stonden drie voertuigen bij elkaar: een bakwagen en twee personenauto’s, waaronder een zwarte Volkswagen Golf (hierna: de Volkswagen). Rondom deze voertuigen stond een aantal personen. Toen de politieagenten hun kant op reden, reed de Volkswagen weg. De politieagenten reden achter de Volkswagen aan en gaven de bestuurder een stopteken. De Volkswagen begon daarop harder te rijden en negeerde kort daarna ook de sirene en zwaailichten die inmiddels waren aangezet. De Volkswagen reed slingerend, met veel te hoge snelheid en door een rood verkeerslicht vanaf de parkeerplaats naar de snelweg, de A12. Eenmaal op de A12 begon de Volkswagen tegen het verkeer in te rijden, om vervolgens via de eerstvolgende oprit naar de A12 (nog steeds tegen het verkeer in) de parallelweg van de Europalaan in Utrecht op te rijden. De Volkswagen reed vervolgens een fietspad op (parallel aan de Beneluxlaan) en raakte even uit zicht. Kort daarna troffen politieagenten de Volkswagen op het fietspad aan. Er zat niemand meer in.
Tijdens de achtervolging van de Volkswagen is een politiehelikopter ingezet. Een politieagent zag vanuit die helikopter een persoon heel hard rennen in de buurt van de zojuist (achtergelaten) Volkswagen. Deze persoon bleek de verdachte te zijn. Hij werd door de politie gevolgd en aangehouden.
In de (achtergelaten) Volkswagen werden acht volle jerrycans, explosieve constructies, een moker en breekijzers, lege weekendtassen en andere goederen aangetroffen die gebruikt worden bij het plegen van plofkraken. Op de parkeerplaats Galecop in Nieuwegein bleken, in en om de witte bakwagen, ook nog twee jerrycans te zijn achtergebleven.
Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft de explosieve constructies nader onderzocht. Uit dit onderzoek volgt dat de in de Volkswagen aangetroffen explosieve constructies (1) geschikt waren voor het teweegbrengen van een ontploffing waardoor (op zijn minst) gemeen gevaar voor goederen te duchten is en (2) doorgaans worden gebruikt bij het plegen van plofkraken.
Bruikbaarheid audio-opname voor het bewijs
Een aantal weken na zijn aanhouding is een gesprek van de verdachte met zijn bezoekers in de PI (heimelijk) opgenomen. De audio-opname van dit gesprek is door een politieagent beluisterd en uitgewerkt in een proces-verbaal. De advocaat van de verdachte heeft betoogd dat dit proces-verbaal niet voor het bewijs mag worden gebruikt, omdat de transcriptie van de verbalisant niet betrouwbaar is. De audio-opname is van slechte kwaliteit en dergelijke audio-opnames moeten volgens de advocaat door onafhankelijk deskundigen (van het NFI) worden getranscribeerd.
De rechtbank gebruikt het proces-verbaal van de politieagent niet voor het bewijs, zodat zij in zoverre niet op het verweer van de advocaat hoeft in te gaan. De rechtbank gebruikt echter wel haar eigen waarneming van de audio-opname als bewijsmiddel. Voor zover de advocaat meent dat (ook) de rechtbank enkel gebruik had mogen maken van transcripties van een onafhankelijk deskundige, vindt dat standpunt geen steun in het recht. De rechtbank heeft bovendien behoedzaamheid betracht bij het beluisteren van de audio-opname.
Betrokkenheid van de verdachte
De verdachte heeft zich tijdens alle verhoren beroepen op zijn zwijgrecht. Hij heeft tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak voor het eerst een verklaring afgelegd, die erop neerkomt dat hij niets te maken heeft met de feiten waarvan hij wordt beschuldigd.
Hij verklaarde dat hij op 22 juli 2025 – toevallig in de buurt van de achtergelaten Volkswagen – op een vriend stond te wachten. De rechtbank begrijpt dat de kruising van de Aziëlaan met de Livingstonelaan, waar de verdachte zich bevond, dichtbij de achtergelaten Volkswagen is. Toen hij de helikopter en sirenes hoorde, is hij gaan rennen, omdat hij ‘er niets mee te maken wilde hebben’. De verdachte wilde niet vertellen met wie en waarom hij op die plek had afgesproken.
De rechtbank gelooft de verdachte niet en wijst daartoe op het volgende.
De verdachte heeft ongeveer vijf uur voor zijn aanhouding goederen gekocht (bruine en blauwe stroomkabels en opvallend groengeel gestreept tape) die overeenkomen met goederen die op of in de explosieve constructies in de Volkswagen zijn aangetroffen. Ook stonden in zijn telefoon afbeeldingen van een groen met zwarte moker die overeenkomt met de moker die in de Volkswagen is aangetroffen. Deze afbeeldingen zijn in de vroege ochtend van 22 juli 2025 gemaakt. Verder heeft de verdachte op 22 juli 2025 verschillende marktplaats-advertenties bezocht waarin jerrycans werden aangeboden en op internet gezocht op de woorden ‘geldautomat gesprengt’ (Duits voor ‘geldautomaat opgeblazen’). Uit onderzoek naar de zoekgeschiedenis op de telefoon van de verdachte volgt ook dat hij al vanaf 2023 veelvuldig heeft gezocht op plofkraken of plofkraakgerelateerde termen.
Hier komt nog bij dat de rechtbank op de eerder in dit vonnis al genoemde audio-opname van het gesprek van de verdachte met zijn bezoekers in de PI (duidelijk) hoort dat één van de gesprekspartners zegt dat hij heeft gereden, om vervolgens de route die hij heeft gereden te omschrijven. Deze route komt grotendeels overeen met de vluchtroute van de Volkswagen op 22 juli 2025. Zo wordt onder meer opgemerkt: ‘ik ga snelweg op, ik ga gelijk links tegen het verkeer in’.
Beoordeling van de feiten 1 en 2
De rechtbank concludeert op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen – en de samenhang tussen de feiten die daaruit volgen – dat de verdachte degene is die zijn bezoekers in de PI vertelde dat hij heeft gereden en dat hij de Volkswagen op 22 juli 2025 heeft bestuurd.
Gelet op wat er in de Volkswagen én op de telefoon van de verdachte is aangetroffen, komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte wist welke goederen er in de Volkswagen lagen en over die goederen, waaronder de explosieve constructies, kon beschikken. Hij had deze goederen (ook juridisch gezien) dus voorhanden ter voorbereiding van een plofkraak. De rechtbank acht de feiten 1 en 2 dan ook wettig en overtuigend bewezen. Dat de verdachte deze feiten samen met één of meer anderen heeft gepleegd, volgt uit de aard van de feiten en de bewijsmiddelen. De rechtbank leidt daaruit af dat de verdachte met anderen op de parkeerplaats in Nieuwegein heeft afgesproken om (onder meer) de jerrycans vanuit de bakwagen in de Volkswagen te zetten. Ook blijkt uit de verklaring van getuige [getuige] dat er naast de verdachte een bijrijder in de Volkswagen zat.
De verdediging heeft nog naar voren gebracht dat de waarneming van deze getuige niet betrouwbaar is. De rechtbank volgt de verdediging daarin niet. Deze getuige verklaart immers over een auto die werd gevolgd door een politievoertuig met sirene, zodat duidelijk is dat het gaat om de Volkswagen die de getuige heeft waargenomen. De verklaring van deze getuige over het aantal inzittenden van deze Volkswagen wordt daarnaast ook ondersteund door het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] . Hij heeft gezien dat zowel de deur aan de bestuurderskant als die aan de bijrijderskant open stond. Dat wijst erop dat er ook een bijrijder in de Volkswagen zat.
Beoordeling van feit 3
De verdachte wordt onder feit 3 beschuldigd van overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). De rechtbank moet daarom beoordelen of de verdachte als bestuurder van de Volkswagen tijdens de achtervolging (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
a. De verkeersregels
In artikel 5a WVW zijn twaalf gedragingen uitdrukkelijk, maar niet limitatief, benoemd als voorbeeld van het schenden van de verkeersregels. Het overschrijden van de maximumsnelheid, door rood licht rijden en tegen de verkeersrichting inrijden worden uitdrukkelijk in het eerste lid van het artikel genoemd. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte deze (en meer) verkeersregels op 22 juli 2025 heeft overtreden. Hij probeerde aan de politie te ontkomen en reed slingerend, te hard, door rood en (op de snelweg) tegen de verkeersrichting in. Daarnaast heeft hij met de Volkswagen op een fietspad gereden.
b. In ernstige mate
Artikel 5a WVW heeft alleen betrekking op ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. De verdachte heeft gedurende de achtervolging door de politie zeer belangrijke verkeersregels geschonden. Gelet op de aaneenschakeling van gevaarlijke verkeersovertredingen is naar het oordeel van de rechtbank zonder meer sprake van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.
c. Opzettelijk
Volgens de wetgever moet het opzet van de verdachte zowel zijn gericht op het schenden van de verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regels. Niet vereist is dat het opzet van de verdachte was gericht op het gevolg, namelijk dat door het in ernstige mate schenden van de verkeersregels levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Bij de beantwoording van de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. In deze zaak bestond het samenstel van gedragingen van de verdachte er onder meer uit dat hij de maximum toegestane snelheid heeft overschreden, slingerend heeft gereden, door rood licht heeft gereden en op de snelweg tegen het verkeer in heeft gereden. De verdachte beging deze verkeersovertredingen omdat hij aan de politie wilde ontkomen. Hieruit kan worden afgeleid dat de verdachte opzet had op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.
d. Gevaar te duchten
Om vast te stellen dat gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was, moet het gevaar ten tijde van het handelen van de verdachte naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest. Het is is naar het oordeel van de rechtbank evident dat als gevolg van de hiervoor al omschreven gedragingen van de verdachte, die overdag werden verricht, in het algemeen sprake kan zijn van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen. Dat van dit gevaar ook daadwerkelijk sprake was blijkt (onder meer) uit de omstandigheid dat meerdere voertuigen voor de verdachte hebben moeten uitwijken om een ongeval te voorkomen. De rechtbank acht dan ook bewezen dat er – als gevolg van de verkeersgedragingen van de verdachte – gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was.
Conclusie
Gelet op al het voorgaande vindt de rechtbank feit 3 ook wettig en overtuigend bewezen.