Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3495

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
C/16/604763 / FO RK 25-1636
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 8 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Grootmoeder niet-ontvankelijk in verzoek omgangsregeling met kleinkinderen wegens ontbreken nauwe persoonlijke betrekking

De grootmoeder verzocht de rechtbank om een omgangsregeling vast te stellen waarbij haar kleinkinderen om de week van vrijdagavond tot zondagavond bij haar zouden verblijven. De moeder van de kinderen was het hier niet mee eens. De rechtbank heeft de procedure behandeld op 27 maart 2026, waarbij ook de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig was.

De rechtbank beoordeelde of de grootmoeder in een nauwe persoonlijke betrekking tot de kinderen staat, zoals vereist op grond van artikel 1:377a BW en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De enkele bloedverwantschap is onvoldoende; er moet sprake zijn van een hechte familieband met frequent en wederzijds plezierig contact.

Uit de stukken en de zitting bleek dat de grootmoeder onvoldoende concrete omstandigheden had gesteld die een nauwe persoonlijke betrekking aantonen. De moeder betwistte het contact en stelde dat de vader het contact tussen grootmoeder en gezin actief beperkte. De rechtbank nam het standpunt van de moeder over, mede omdat de grootmoeder slechts enkele foto’s overlegde die geen hechte band aantonen. Ook was de relatie tussen partijen ernstig verstoord, met zorgelijke uitlatingen van de grootmoeder richting de moeder.

Daarom verklaarde de rechtbank de grootmoeder niet-ontvankelijk in haar verzoek en behandelde het verzoek niet inhoudelijk. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening gelaten. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De grootmoeder wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot omgangsregeling wegens ontbreken van een nauwe persoonlijke betrekking met de kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/604763 / FO RK 25-1636
Omgangsregeling grootouder
Beschikking van 17 april 2026
in de zaak van:
[de grootmoeder],
die woont in [plaats 1] ,
hierna te noemen: de grootmoeder,
advocaat mr. H.K. Jap A Joe,
tegen
[de moeder],
die woont in [plaats 2] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. D. Simo.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
- het verzoekschrift van de grootmoeder met bijlagen 1 tot en met 4, binnengekomen op 29 december 2025;
- de brief van de moeder van 23 maart 2026 met bijlagen 1 tot en met 3.
1.2.
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 27 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: de grootmoeder en de moeder met hun advocaten, en mevrouw [A.] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.3.
De rechtbank heeft de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , de dochters van de moeder, niet gevraagd wat zij van het verzoek vinden. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
De moeder heeft een relatie gehad met de heer [de vader] (hierna: de vader), de zoon van de grootmoeder. De vader is op [datum overlijden] 2025 overleden.
2.2.
De moeder en de vader hebben samen twee kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2021 in [geboorteplaats 1] ; en
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023 in [geboorteplaats 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn voorafgaand aan hun geboorte door de vader erkend. Zij wonen bij de moeder. Tot aan het overlijden van de vader woonden de ouders samen.
2.3.
De moeder heeft alleen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dat betekent dat de moeder zelfstandig de belangrijke beslissingen over de kinderen kan nemen.
2.4.
De grootmoeder wil dat de rechtbank een omgangsregeling vaststelt die inhoudt dat de kinderen om de week van vrijdagavond 19.00 uur tot zondagavond 19.00 uur bij haar verblijven. De moeder is het niet eens met dit verzoek.

3.De beoordeling

3.1.
De rechtbank zal de grootmoeder niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek. Dat betekent dat de rechtbank haar verzoek niet inhoudelijk zal behandelen en dus geen omgangsregeling zal vaststellen. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
Niet-ontvankelijk
3.2.
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. [1] Alleen deze personen kunnen de rechtbank vragen om een omgangsregeling vast te stellen. De vraag die de rechtbank daarom eerst moet beantwoorden, is of de grootmoeder in een nauwe persoonlijke betrekking tot de kinderen staat. De enkele omstandigheid dat de grootmoeder en de kinderen bloedverwanten zijn, is onvoldoende om die band aan te nemen. De grootmoeder moet voldoende concrete omstandigheden stellen voor het bestaan tussen haar en de kinderen van familieleven (‘
family life’) in de zin van artikel 8 lid 1 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. [2] Daarvoor moeten de familiebanden voldoende hecht zijn (‘
sufficiently close family ties’), wat het geval is als er sprake is van geregeld en wederzijds als plezierig ervaren contact, zoals frequente bezoekjes, logeerpartijen en gezamenlijke uitstapjes. [3]
3.3.
In dit geval is niet gebleken dat de grootmoeder in een nauwe persoonlijke betrekking tot de kinderen staat. De grootmoeder heeft gesteld dat haar zoon, toen hij nog in leven was, elk weekend met de kinderen bij haar kwam. Zij zou de moeder op enig moment hebben verboden om mee te komen. Sindsdien zou de zoon alleen met de kinderen wekelijks een of twee uren bij haar zijn geweest, zonder dat de moeder daarvan wist. Ook zou sprake zijn geweest van contact tijdens vakanties in Turkije. De moeder betwist dit. Zij voert aan dat de band tussen de grootmoeder en de vader slecht was en dat de vader het contact tussen de grootmoeder en zijn gezin actief beperkte. Bovendien deed het gezin elk weekend een activiteit met de kinderen, zodat het niet mogelijk is dat de vader heimelijk met de kinderen naar de grootmoeder ging, gelet ook op de reistijd naar haar. Het enige verblijf in Turkije waarbij de kinderen de grootmoeder hebben gezien, was in verband met het overlijden van de vader.
3.4.
De grootmoeder heeft haar standpunt onvoldoende onderbouwd. Zij heeft alleen foto’s overgelegd. Uit die foto’s blijkt de hechte familieband niet. Het is een beperkt aantal foto’s van met name de eerste verjaardag van [minderjarige 2] , een bezoek in Turkije na de begrafenis van de vader en enkele ontmoetingen met overige familieleden van de vader. Bovendien heeft de grootmoeder op de zitting bevestigd dat zij geen verjaardagsfeestjes van de kinderen heeft meegemaakt, behalve de eerste verjaardag van [minderjarige 2] . Ook kwam zij voor het overlijden van haar zoon al lange tijd niet meer bij het gezin thuis op bezoek. Sinds de begrafenis van de vader heeft de grootmoeder de kinderen - die nog heel jong zijn - helemaal niet meer gezien.
3.5.
Omdat de rechtbank niet aanneemt dat er een nauwe familieband tussen de grootmoeder en de kinderen bestaat, wordt het verzoek van de grootmoeder tot omgang met de kinderen niet inhoudelijk beoordeeld. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat duidelijk is geworden dat de relatie tussen partijen ernstig verstoord is en dat de grootmoeder kwaadspreekt over de moeder. Tijdens de zitting heeft de grootmoeder, zonder onderbouwing, ernstige beschuldigingen geuit richting de moeder (“zij heeft dagelijks met een mes achter mijn zoon gelopen” en “alle kleren heeft zij gesneden”) en geroepen dat de moeder “ziek van geest” is. Die uitlatingen zijn zorgelijk en staan onbelaste omgang tussen de grootmoeder en de kinderen in de weg, zoals de Raad ook op de zitting heeft geadviseerd.
De kosten van deze procedure
3.6.
De rechtbank zal beslissen dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt, omdat zij geen reden ziet om één van de partijen in de proceskosten te veroordelen.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verklaart de grootmoeder niet-ontvankelijk in haar verzoek;
4.2.
bepaalt dat de partijen hun eigen proceskosten betalen.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. I.M.A Lintel, (kinder)rechter in samenwerking met mr. I.C. van Schip, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1:377a lid 1 Burgerlijk Wetboek.
2.HR 15 mei 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC4158 en HR 25 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1023.
3.EHRM 25 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1125DEC001014013 (