Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3494

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
UTR 26/2469
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op Woo-verzoek met oplegging dwangsom

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn Woo-verzoek, nadat eerdere uitspraken van de rechtbank verweerder hadden opgedragen binnen een gestelde termijn te beslissen. Ondanks deze opdrachten heeft verweerder nog steeds geen besluit genomen.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de beslistermijn heeft overschreden en wijst erop dat eiser eerst een ingebrekestelling heeft gestuurd, zoals vereist volgens de Awb. Verweerder voert aan dat de complexiteit van de zaak, achterstanden en een ICT-inbreuk de vertraging verklaren, maar de rechtbank acht dit onvoldoende reden voor verdere uitstel.

De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog moet beslissen en legt een dwangsom van €250 per dag op, met een maximum van €37.500, om verweerder te stimuleren tot spoedige besluitvorming. Tevens worden proceskosten en griffierecht aan eiser toegekend. Het beroep wordt kennelijk gegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het niet tijdig nemen van een besluit en legt een dwangsom op om binnen twee weken alsnog te beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2469

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.M.C.J. Versteeg)
en

de Minister van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep niet tijdig beslissen dat eiser heeft ingediend na de uitspraken van de rechtbank van 20 september 2024 (UTR 24/5166) en 9 september 2025 (UTR 25/2835). In de uitspraak van 9 september 2025 is verweerder opgedragen binnen twee weken na de dag van verzending van die uitspraak, dus uiterlijk 23 september 2025, alsnog een besluit op het Woo-verzoek bekend te maken. Eiser stelt nu beroep in omdat verweerder dat tot heden niet heeft gedaan.
Op 10 april 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet binnen de door de rechtbank genoemde termijn een volledig besluit op het Woo-verzoek heeft genomen. Eiser heeft opnieuw een beroep niet tijdig beslissen ingesteld op 27 maart 2026.
4. Omdat verweerder nog geen volledig besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De standaardtermijn waarbinnen verweerder alsnog op het verzoek moet beslissen bedraagt in beginsel twee weken na deze uitspraak (artikel 8:55d, eerste lid, Awb). Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb).
5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift van 10 april 2026 aan dat de overschrijding van de beslistermijn is gelegen in de complexiteit en omvang van de zaak. Daarnaast kampt verweerder met grote achterstanden in de werkvoorraad en heeft hij te maken gehad met een inbreuk op de ICT, waardoor de systemen voor langere tijd niet beschikbaar waren. Verweerder verwacht binnen zes weken een besluit te kunnen nemen op het Woo-verzoek van eiser.
6. Op het moment dat de rechtbank deze uitspraak doet, is de verzochte beslistermijn verstreken. De rechtbank ziet geen aanleiding om een langere termijn te bepalen, mede omdat de rechtbank al eerdere termijnen heeft gesteld die inmiddels ruimschoots zijn overschreden. De rechtbank stelt de beslistermijn daarom vast op de standaardtermijn van twee weken na verzending van deze uitspraak.
7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 37.500,-. De rechtbank kiest in deze zaak voor de hogere dwangsom, omdat verweerder na twee eerdere beroepen niet tijdig beslissen nog steeds niet op het Woo-verzoek heeft beslist. De rechtbank acht een sterkere prikkel aangewezen om verweerder aan te zetten tot beslissen op het Woo-verzoek van eiser.
8. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van Pro de Awb).
9. Dat betekent ook dat eiser een vergoeding krijgt voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,-
10. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht van € 200,- aan eiser betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 200,-, dat eiser heeft betaald, moet betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid
te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.