Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3472

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/6912
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 7:10 AwbArt. 7:13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke uitspraak over niet tijdig beslissen op Woo-bezwaar

Eiseres diende op 30 juni 2025 een bezwaarschrift in tegen een besluit van 19 mei 2025 in het kader van de Wet open overheid (Woo). Verweerder, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist, heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist. De wettelijke beslistermijn, inclusief een verlenging van zes weken, liep uiterlijk af op 3 november 2025. Verweerder stelde de termijn echter niet tijdig vast en werd op 18 november 2025 in gebreke gesteld.

De rechtbank oordeelt dat verweerder alsnog binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een beslissing moet nemen. Verweerder gaf aan dat de vertraging werd veroorzaakt door ziekte van een behandelend ambtenaar en de complexiteit van meerdere Woo-verzoeken. De rechtbank legt een dwangsom van € 100,- per dag op, met een maximum van € 15.000,-, voor elke dag dat de beslissing uitblijft.

Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht van € 385,- en een proceskostenvergoeding van € 467,- aan eiseres, omdat zij een professionele gemachtigde inschakelde. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het niet tijdig genomen besluit, waarmee verweerder wordt opgedragen alsnog binnen de gestelde termijn te beslissen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond wegens overschrijding beslistermijn en draagt verweerder op binnen twee weken alsnog te beslissen, met oplegging van een dwangsom en vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6912

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. D.J. van Boxtel),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 30 juni 2025 tegen het besluit van 19 mei 2025 in het kader van de Wet open overheid (Woo).
Op 17 februari 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiseres heeft haar bezwaarschrift ingediend op 30 juni 2025. Verweerder moet beslissen binnen zes weken of – als (zoals in dit geval) een bezwaaradviescommissie is ingesteld- binnen twaalf weken, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn is verstreken
.Dat staat in artikel 7:10 en Pro 7:13 van de Awb. Verweerder heeft de beslistermijn verdaagd met zes weken. Verweerder had dus moeten beslissen binnen (12 + 6 =) 18 weken na 30 juni 2025, dat wil zeggen dat verweerder uiterlijk op 3 november 2025 had moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden en dat verweerder op 18 november 2025 in gebreke is gesteld.
4. Omdat verweerder nog geen beslissing op bezwaar heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De standaardtermijn waarbinnen verweerder alsnog op het verzoek moet beslissen bedraagt in beginsel twee weken na deze uitspraak (artikel 8:55d, eerste lid, Awb). Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb).
5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift van 17 februari 2026 aan dat het bezwaar later is opgepakt vanwege ziekte van de behandelende collega. Daarnaast kampt verweerder met een groot aantal ingewikkelde Woo-verzoeken waarbij veel documenten zijn betrokken. Verweerder geeft aan dat er op dit moment met meerdere collega’s tegelijk aan het bezwaar wordt gewerkt. Verweerder verwacht een aantal derde-belanghebbenden in deze procedure die mogelijk een zienswijze zullen indienen en streeft ernaar om uiterlijk op 17 april 2026 een beslissing op bezwaar te kunnen nemen.
6. Op het moment dat de rechtbank deze uitspraak doet, is de verzochte beslistermijn verstreken. De rechtbank stelt de beslistermijn daarom vast op de standaardtermijn van twee weken na verzending van deze uitspraak.
7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
8. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van Pro de Awb).
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding krijgt voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.
10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder ook het griffierecht van € 385,- aan eiseres betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 385,- aan eiseres moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.
de griffier is verhinderd deze uitspaak
te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.