Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3448

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
C/16/609606 / JL RK 26-231 en C/16/609627 / JL RK 26-234
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810a RvArt. 198 RvArt. 1:260 BWArt. 1:265c BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing met benoeming contra-expert

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 20 mei 2026 de verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, geboren in 2022 en 2024, die in een pleeggezin verblijven. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging van beide maatregelen voor respectievelijk een jaar en zes maanden. De moeder stemde in met de verlenging van de ondertoezichtstelling, maar verzette zich tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en verzocht om een contra-expertise door een onafhankelijke deskundige.

De rechtbank oordeelde dat de verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is vanwege de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen en de noodzaak van continuïteit in de hulpverlening. De machtiging tot uithuisplaatsing werd verlengd voor zes maanden, mede omdat het onafhankelijke deskundigenonderzoek nog moet plaatsvinden. De benoeming van een deskundige door het NIFP werd toegewezen op grond van artikel 810a lid 2 Rv, omdat het onderzoek mede zal leiden tot een beslissing over de toekomst van de machtiging en het belang van de kinderen zich niet verzet tegen het onderzoek.

De rechtbank formuleerde een uitgebreide lijst onderzoeksvragen voor de deskundige, gericht op het functioneren van de moeder, de ontwikkeling van de kinderen, de pedagogische vaardigheden van de moeder en de haalbaarheid van terugplaatsing. De kosten van het onderzoek worden ten laste van de Rijkskas gebracht. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en partijen kunnen binnen drie maanden hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing, wijst het verzoek tot benoeming van een contra-expert toe en houdt het overige verzoek aan.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Almere
Zaaknummer: C/16/609606 / JL RK 26-231 (
ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing [minderjarige 1])
C/16/609627 / JL RK 26-234 (
ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing [minderjarige 2])
Datum uitspraak: 20 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. P.A.J. van Putten,
[pleegouder 1]en
[pleegouder 2],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader, [1]
zonder bekende woon- of verblijfplaats.

1.Het verloop van de procedure

In de zaak met zaaknummer C/16/609606 / JL RK 26-231 (ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing [minderjarige 1] )
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 april 2026;
  • het verweerschrift met zelfstandig verzoek van de moeder van 13 mei 2026.
In de zaak met zaaknummer C/16/609627 / JL RK 26-234 (ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing [minderjarige 2] )
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 april 2026;
  • het bericht van de GI met bijlagen, ontvangen op 16 april 2026;
  • het verweerschrift met zelfstandig verzoek van de moeder van 13 mei 2026.
In beide zaken
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
 de moeder met haar advocaat;
 [A.] en [B.] namens de GI;
 de pleegmoeder.
De vader en de pleegvader zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen. Omdat van de vader geen woonplaats bekend is, is hij opgeroepen via de Staatscourant van 15 april 2026, nr. 14556.
1.4.
De kinderrechter heeft niet direct na de zitting uitspraak gedaan. De partijen konden op 20 mei 2026 tussen 14:00 en 17:00 uur bellen naar de griffie van de rechtbank voor het dictum. Deze beslissing is de schriftelijke uitwerking van de uitspraak.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
.
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 6 mei 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de machtiging hen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 21 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De advocaat heeft namens moeder verweer gevoerd tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Daarnaast is namens de moeder een zelfstandig verzoek gedaan om een contra-expertise door een onafhankelijk deskundige te laten uitvoeren op grond van artikel 810a, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Zij stelt voor om via het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna: NIFP) een deskundige te benoemen en heeft ook suggesties gedaan voor de te beantwoorden onderzoeksvragen.

4.De standpunten

De GI
4.1.
De GI heeft haar verzoek ter zitting gehandhaafd. Het gaat naar omstandigheden goed met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het pleeggezin. De kinderen zijn vrolijk, maken goede stappen in hun ontwikkeling en gaan naar school en de peuterspeelzaal. Daarnaast bevinden zij zich in een belangrijke fase van de gehechtheidsontwikkeling en hebben zij volgens de GI een verhoogde behoefte aan stabiliteit, voorspelbaarheid en emotioneel beschikbare opvoeders. Met name [minderjarige 1] heeft ondersteuning nodig bij emotieregulatie. Hij heeft vermoedelijke trauma’s en een verstoorde gehechtheidsontwikkeling. Eens per twee weken heeft [minderjarige 1] omgang met de moeder onder begeleiding van [naam] . Dit contact verloopt wisselend. Hoeveel contact [minderjarige 1] met de moeder zoekt, hangt af van de sfeer tijdens het omgangsmoment. Het lukt de moeder niet altijd om haar eigen emoties te reguleren en de behoeftes van de kinderen voorop te zetten en hiernaar te handelen. Bovendien heeft [minderjarige 1] grote behoefte aan nabijheid van de pleegmoeder en raakt hij gespannen en ontregeld wanneer zij niet in de buurt is. Zij is daarom tot nu toe nog altijd bij de omgangsmomenten aanwezig. [minderjarige 2] heeft wekelijks omgang met haar moeder. Dit contact verliep lange tijd goed en [minderjarige 2] genoot zichtbaar van de aandacht die zij van haar moeder kreeg. In de afgelopen periode zijn de omgangsmomenten rommeliger verlopen en zijn ze meerdere keren afgezegd door de moeder, terwijl dit eerder zelden voorkwam. De GI is voornemens om Video Interactie Begeleiding gericht op Gehechtheid (VIB-G) in te zetten om het contact en de hechting tussen de moeder en de kinderen te verbeteren.
4.2.
Over het zelfstandig verzoek van de moeder heeft de GI tijdens de zitting verteld dat het perspectiefbesluit is genomen na een hoger beroep van moeder, en na onderzoek door Triade Vitree. Triade Vitree is een onafhankelijke partij. De GI ziet niet in wat een nieuw onderzoek zou toevoegen, en verwacht geen andere uitkomst. Als de moeder diagnostisch onderzoek had willen laten doen, had zij dat kunnen aangeven. De GI heeft eerder wel genoemd dat dit nuttig zou kunnen zijn, maar kon de moeder niet dwingen mee te werken, aldus de GI. Een nieuw onderzoek zou voor de kinderen bovendien spanningen mee kunnen brengen en daar hebben zij last van.
De moeder
4.3.
Door en namens de moeder is ter zitting naar voren gebracht dat zij het eens is met de verlenging van de ondertoezichtstelling. Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing verzoekt de moeder primair het verzoek af te wijzen. Subsidiair verzoekt zij de duur van de machtiging te beperken tot zes maanden en het meer of anders gevraagde aan te houden. De moeder is van mening dat de grootste zorg, de onveiligheid waarvoor de machtiging tot uithuisplaatsing in de eerste plaats is verleend, is verdwenen. Die zorg had namelijk te maken met de vader, en de relatie tussen de vader en de moeder is al sinds begin 2025 definitief beëindigd. Het contact tussen de ouders is sindsdien geheel verbroken en de vader speelt nu geen enkele rol in het leven van de kinderen. Bovendien toont de moeder veel inzet om de band met haar kinderen te verbeteren, verleent zij haar medewerking aan de hulpverlening en doet zij haar best om de samenwerking tussen haar en de GI goed te laten verlopen. De omgang met haar kinderen vindt zij echter te beperkt. Zij zou graag willen dat de omgang met hen wordt uitgebreid en de pleegmoeder niet meer tijdens de omgangsmomenten aanwezig is. De moeder heeft het gevoel dat zij aan alle kanten wordt tegengewerkt en niet de kans krijgt een band met haar kinderen op te bouwen.
4.4.
Het zelfstandig verzoek van de moeder om een contra-expertise te gelasten heeft zij gedaan omdat zij het niet eens is met het perspectiefbesluit van de GI. Het besluit is grotendeels gebaseerd op het gezinsonderzoek dat is uitgevoerd door Triade Vitree. Volgens de moeder is dit onderzoek onvoldoende diepgaand. Zo is er geen diagnostisch onderzoek naar de moeder uitgevoerd en is er onvoldoende gekeken naar haar opvoedvaardigheden. Op diagnostisch onderzoek had de GI wel degelijk meer kunnen aandringen vóór het perspectiefbesluit zou worden genomen. Het onderzoek is volgens haar te beperkt om tot het ingrijpende oordeel te komen dat het perspectief van de kinderen niet (meer) bij haar ligt. Dat maakt het voor de moeder ook zeer moeilijk te accepteren. De moeite die de moeder heeft met het perspectiefbesluit is ook de verklaring voor het wat rommeliger verlopen van de omgang de laatste tijd: de moeder is heel verdrietig daarover en voelt zich machteloos. De moeder begrijpt dat duidelijkheid over het opvoedperspectief belangrijk is voor de kinderen, maar vindt, mede omdat de kinderen nog zo jong zijn, dat een contra-expertise wel kan worden afgewacht. De moeder vindt dat zij de kans moet krijgen om een deugdelijk en onafhankelijk onderzoek te laten doen, waarin zij kan laten zien dat zij voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kan zorgen. De belasting voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is naar verwachting beperkt, omdat het de contra-expertise, net als het onderzoek dat Triade Vitree heeft gedaan, kan plaatsvinden door de omgang te monitoren. Het is, gelet op hun leeftijd, onwaarschijnlijk dat de deskundige de kinderen zelf zal willen spreken.

5.De beoordeling

De beslissingen
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan en verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar. [2] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [3] De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van zes maanden, te weten tot 21 november 2026. Het meer of anders verzochte wordt aangehouden. De kinderrechter wijst het verzoek van de moeder om een deskundige te benoemen om onderzoek te doen, toe. De kinderrechter legt hieronder uit waarom zij deze beslissingen neemt.
De verlenging van de ondertoezichtstelling
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig wordt bedreigd. De kinderrechter constateert dat alle betrokkenen het eens zijn over de noodzaak van de verlenging van de ondertoezichtstelling. Hoewel [minderjarige 1] en [minderjarige 2] positieve stappen maken, zijn de zorgen die voortkomen uit de omgang met de moeder, de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen en hun opvoedperspectief nog steeds aanwezig. Het is belangrijk dat de GI de regie blijft houden, zodat de kinderen de hulp krijgen die ze nodig hebben en het contact met hun moeder goed wordt gemonitord.
De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing
5.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben vanwege hun belaste verleden en persoonlijke problematiek een verzwaarde opvoedvraag en daardoor meer dan gemiddeld behoefte aan structuur, continuïteit en emotionele beschikbaarheid van de opvoeders. Het pleeggezin waar de kinderen op dit moment verblijven, is in staat om hen dit te bieden. Volgens de GI is dit ook de plek waar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het beste op kunnen groeien – dat is de reden voor het perspectiefbesluit.
5.4.
De kinderrechter zal, zoals hierna wordt uitgelegd, het verzoek van de moeder om een contra-expertise te laten uitvoeren, toewijzen. Dat betekent dat, kortgezegd, nog eens wordt onderzocht waar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het beste kunnen opgroeien. De uitkomst van dat onderzoek zal invloed hebben op de vraag of, en hoe lang, de machtiging uithuisplaatsing nodig is en wat de inzet is van de hulpverlening (uiteindelijke terugplaatsing of niet). Het is belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het pleeggezin kunnen blijven wonen tot het onafhankelijke deskundigenonderzoek is afgerond, zodat er niet nu ineens al van alles voor hen verandert zonder dat duidelijk is wat de uiteindelijke situatie wordt. Daarom is het wel noodzakelijk om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van zes maanden. Het overige deel van het verzoek wordt aangehouden in afwachting van het schriftelijk rapport van de deskundige en de reactie daarop van de betrokken partijen.
De benoeming van een deskundige
5.5.
Zoals hiervoor is genoemd, zal de kinderrechter het tegenverzoek van de moeder toewijzen en één of meerdere door het NIFP aan te wijzen onderzoekers tot deskundige benoemen. Dit legt de kinderrechter hierna uit, waarbij eerst wordt ingegaan op het juridisch kader dat hier geldt.
5.6.
Op grond van artikel 810a, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de rechtbank in zaken waarin het gaat over de ondertoezichtstelling van een kind of over beëindiging van het ouderlijk gezag of voogdij, op verzoek van een ouder een deskundige benoemen. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat dit artikel ook van toepassing is in zaken die gaan over een machtiging tot uithuisplaatsing. [4] Voor toewijzing van een verzoek op grond van dit artikel is nodig (i) dat de benoeming van de deskundige mede kan leiden tot de beslissing in deze zaak, en (ii) dat het belang van het kind zich hiertegen niet verzet. Het doel van deze bepaling is het bieden van rechtsbescherming aan ouders, door te zorgen dat zij een standpunt van de GI over een ingrijpende kinderbeschermingsmaatregel, die diep ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer, kunnen weerspreken als zij dat willen.
5.7.
In deze zaak is het de moeder uiteindelijk te doen om het besluit van de GI dat het opgroeiperspectief van de kinderen niet bij haar, maar bij het pleeggezin is; dit wordt het ‘perspectiefbesluit’ genoemd. Dit perspectiefbesluit heeft geen wettelijke grondslag en er is dus ook geen specifieke rechtsgang om dit besluit te laten toetsen door de kinderrechter. Wel heeft het perspectiefbesluit vaak ingrijpende gevolgen, omdat het ook met zich brengt dat binnen de ondertoezichtstelling niet meer aan een thuisplaatsing wordt gewerkt.
5.8.
De bedoeling van de wetgever is dat, als een perspectiefbesluit is genomen, de GI overweegt om een verzoek tot gezagsbeëindiging in te dienen. In die procedure kan er dan een inhoudelijke discussie over het perspectiefbesluit (dat immers de basis zal vormen voor het verzoek tot gezagsbeëindiging) plaatsvinden. In de praktijk komt het echter voor dat niet (of nog niet) om beëindiging van het gezag wordt verzocht, maar het perspectiefbesluit al wel gevolgen heeft, bijvoorbeeld voor de doelen binnen de ondertoezichtstelling. Dat speelt in ook in deze zaak. Er is (nog) geen sprake van een verzoek om het gezag van de moeder te beëindigen en het is ook niet duidelijk of dit verzoek zal worden gedaan.
5.9.
Aan de beide onder 5.6 genoemde vereisten voor toewijzing van een verzoek op grond van art. 810a lid 2 Rv is in deze zaak voldaan:

De benoeming van de deskundige leidt mede tot een beslissing in deze zaak
Een deskundigenrapport kan in deze zaak mede tot de beslissing van de kinderrechter leiden. Het onderzoek naar hun opgroeiperspectief bepaalt immers mede of de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ook na 21 november 2026 zal moeten worden verlengd. De uitkomst van het deskundigenonderzoek zal dus mede van belang zijn voor de beslissing van de kinderrechter op het aangehouden deel van het huidige verzoek. De kinderrechter benoemt tot deskundige één of meerdere door het NIFP aan te wijzen onderzoekers. Omdat het nog onduidelijk is hoelang de uitvoering van het onderzoek precies zal gaan duren, bestaat de kans dat het NIFP-onderzoek nog niet is afgerond als de machtiging tot uithuisplaatsing afloopt. Dit zou betekenen dat de benoeming van de deskundige daardoor strikt genomen niet mede kan leiden tot een beslissing in déze zaak. De kinderrechter is daarentegen van oordeel dat dat zij toch een deskundige kan benoemen, omdat het onderzoek uiteindelijk wel relevant is voor het toe-of afwijzen van eventuele volgende verlengingen van de machtiging uithuisplaatsing.

De belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verzetten zich niet tegen de benoeming van een deskundige
De kinderrechter is van oordeel dat het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich niet verzet tegen de benoeming van een deskundige. Weliswaar heeft de GI verteld dat de kinderen last hebben van spanningen, maar dat geldt meer in algemene zin. De moeder is het niet eens met het perspectiefbesluit en die spanning is voor de kinderen voelbaar, bijvoorbeeld omdat de omgangsmomenten rommeliger verlopen. Het gaat dan dus niet zozeer om spanning als gevolg van een deskundigenonderzoek. Net als de GI is de kinderrechter van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt over hun perspectief. Aan de andere kant vindt de kinderrechter het, gelet op de ingrijpende gevolgen van het perspectiefbesluit, ook in het belang van de kinderen dat er gedegen onderzoek wordt gedaan. Als het aanvullend onderzoek niet plaatsvindt, zal de spanning bij moeder hierover aanhouden, en juist daar hebben de kinderen last van. Hier komt bij dat het, gelet op de jonge leeftijd van de kinderen, hun actieve medewerking aan het onderzoek naar verwachting maar beperkt nodig zal zijn.
5.10.
De kinderrechter merkt hierbij op dat uit het perspectiefbesluit van de GI volgt dat dit in belangrijke mate steunt op het onderzoek van Triade Vitree, zoals de GI zelf ook heeft bevestigd. De GI schrijft in het perspectiefbesluit: “
[minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben grote behoefte aan stabiliteit, duidelijkheid en voorspelbaarheid. [minderjarige 1] heeft bovendien ondersteuning nodig bij emotieregulatie, vermoedelijke trauma’s en bij een verstoorde gehechtheidsontwikkeling. Dit kunt u hen op dit moment niet bieden. De indruk bestaat dat u uw handen nog vol hebt aan uzelf, zonder werk of de kinderen. Mogelijk ligt uw eigen problematiek hieraan ten grondslag en is het geen onwil, maar onmacht.”
5.11.
Deze overweging, die de GI de conclusie doet trekken dat het opvoedperspectief niet bij de moeder ligt, is ontleend aan het onderzoek van Triade Vitree. In het onderzoeksrapport over [minderjarige 1] staat:

al met al zien we bij moeder een patroon van goede intentie en haar gedachtes over opvoeding en verzorging. We merken echter dat het moeder niet lukt om haar eigen emoties en behoeftes dusdanig te reguleren dat ze de behoeftes en emoties van haar kinderen voorop kan zetten en hier ook naar kan handelen. Dit wordt helder in de gesprekken en in de omgangsmomenten, ook al zien de gezinsonderzoekers hierin kleine positieve stapjes tijdens het nabespreken van de opnames. Gezien de ‘vermoeidheid’ die moeder aan het einde van het gezinsonderzoek toont, vragen de onderzoekers zich af of moeder deze kleine stapjes kan vasthouden en of zij voldoende inzicht heeft in dat de belaste voorgeschiedenis van [minderjarige 1] vandaag de dag nog invloed heeft op zijn ontwikkeling. En of moeder zich beseft dat [minderjarige 1] veel stabiliteit, duidelijkheid, regulatie en voorspelbaarheid nodig heeft van zijn opvoeders. Daarnaast heeft hij behandeling nodig voor zijn mogelijke trauma’s en verstoorde gehechtheidsontwikkeling. Dit is niet wat moeder hem kan bieden. De indruk bestaat dat moeder haar handen nog vol heeft aan zichzelf, zonder werk of de kinderen. Mogelijk ligt hier eigen problematiek (verstandelijke beperking, -trauma) aan ten grondslag en is het geen onwil maar onmacht. De onderzoekers adviseren [minderjarige 1] te laten opgroeien in het pleeggezin, met zoveel als passend en mogelijk is, contact met zijn moeder.
In een eerder Raadsrapport is gesproken over de mogelijkheid dat moeder verstandelijk beperkt is. De gezinsonderzoekers vinden het wenselijk dat moeder hier onderzoek naar laat doen. Dit geeft meer inzicht in wat zij nodig heeft en geeft de mogelijkheid tot gerichte ondersteuning van moeder.”
5.12.
In het onderzoeksrapport over [minderjarige 2] staat:

[minderjarige 2] heeft stabiliteit, duidelijkheid en voorspelbaarheid nodig van haar opvoeders. De indruk bestaat dat moeder haar handen nog vol heeft aan zichzelf, zonder werk of de kinderen. Zij heeft veel moeite met het reguleren van haar eigen emoties en kan dit niet weghouden van de kinderen. Daarnaast is het onduidelijk of moeder op de lange duur in staat is om de veiligheid van de kinderen te garanderen. Zij heeft een geschiedenis van veelvuldig huiselijk geweld en agressieve relaties. Met de vader van [minderjarige 2] heeft zij op dit moment weinig tot geen contact. Maar haar actuele posts [op social media, toevoeging kinderrechter
] met de oproep om zwanger gemaakt te worden door een onbekende man, laten zien dat de moeder niet lijkt te beseffen dat zij hiermee opnieuw risico’s creëert voor zichzelf en haar kinderen. Kijkend naar [minderjarige 2] zijn de gezinsonderzoekers van mening dat thuisplaatsing van [minderjarige 2] niet aan de orde is. De gezinsonderzoekers adviseren [minderjarige 2] samen met haar broer te laten opgroeien in het pleeggezin, met zoveel als passend en mogelijk is, contact met haar moeder.”
5.13.
Triade Vitree citeert daarnaast uit een – niet in deze zaak aan de rechtbank overgelegd - Raadsrapport van 8 mei 2024, waarin, zo volgt uit het citaat, staat:
“De RvdK heeft al meerdere malen zorgen geuit over moeders gedrag en haar persoonlijke problematiek. Moeder is bekend met een verstandelijke beperking (Noot RvdK: datum en instelling van diagnostiek zijn onbekend bij de RvdK). Er is eerder al geadviseerd om hier (diagnostisch) onderzoek naar te laten doen, zodat er meer zicht komt op de (on)mogelijkheden van moeder. Bij een duidelijker beeld, is het ook concreet wat voor passende hulpverlening betrokken van worden, zodat dit moeder kan helpen is haar rol als ouder. Er is onduidelijkheid over het niveau van moeders functioneren”.
5.14.
Op basis van de hiervoor aangehaalde stukken constateert de kinderrechter dat er geen duidelijkheid is over het functioneren van de moeder. Dit wordt door de Raad voor de Kinderbescherming, Triade Vitree en de GI benoemd. Omdat dit niet duidelijk is, blijkt naar het oordeel van de kinderrechter evenmin duidelijk waar het gedrag van moeder door wordt veroorzaakt en ook niet of het kan veranderen. Triade Vitree benoemt wel ‘kleine positieve stapjes’, wat suggereert dat sprake is van lerend vermogen. Ook wordt genoemd dat moeder ‘de handen
nogvol heeft aan zichzelf’, waarmee eveneens lijkt te worden gesuggereerd dat dit kan veranderen. Gelet op de zeer ingrijpende gevolgen die het perspectiefbesluit voor de moeder en de kinderen heeft, vindt de kinderrechter het begrijpelijk dat de moeder wil dat (onder meer) dit aspect nader wordt uitgezocht. De kinderrechter weegt hierbij mee dat uit rechtspraak van het EHRM volgt dat het opgeven van het doel van een thuisplaatsing zonder zorgvuldig onderzoek naar de pedagogische vaardigheden van de moeder een schending van artikel 8 van Pro het EVRM (dat het gezinsleven beschermt) oplevert. [5] Dat de moeder zelf eerder op een diagnostisch onderzoek had kunnen aandringen, zoals de GI heeft gesteld, maakt niet dat de moeder haar recht op een contra-expertise in de zin van art. 810a lid 2 Rv zou zijn verloren.
Het onderzoek door het NIFP
5.15.
De opdracht aan de door het NIFP aan te wijzen deskundige is onafhankelijk onderzoek te verrichten en vervolgens over de bevindingen van het onderzoek te rapporteren. Namens de moeder zijn vragen voorgesteld. De kinderrechter ziet echter aanleiding om zelf vragen te formuleren, omdat niet alle vragen naar haar oordeel relevant zijn voor de beslissing in deze zaak en er daarentegen aanvullende vragen nodig zijn. Het doel is om een zo volledig mogelijk onderzoek te laten doen. De moeder en de GI zullen in de gelegenheid worden gesteld om
binnen een maand na de datum van de beschikking, dus uiterlijk op 20 juni 2026schriftelijk een reactie te geven op het voornemen van de rechtbank en op de hieronder weer te geven voorgestelde vragen. Voorts dienen zij aan te geven of zij – zonder voorbehoud – bereid zijn om:
  • in te stemmen met de door het NIFP voor te dragen deskundige(n) (behoudens gerede twijfel aan diens deskundigheid, voorafgaand aan het onderzoek schriftelijk en met redenen omkleed aan de rechtbank kenbaar te maken);
  • aan het onderzoek door de deskundige(n) mee te werken;
  • ermee in te stemmen dat de onderzoeksresultaten door de deskundige(n) aan de rechtbank worden overgelegd en gebruikt worden voor de verdere beslissing in deze zaak.
5.16.
De kinderrechter is voornemens de volgende vragen aan de deskundige voor te leggen:
 Hoe is de persoonlijkheid en het functioneren van de moeder te beschrijven?
- op basis van klinische impressie,
- op basis van psychologisch testonderzoek,
Waarbij ook aandacht moet zijn voor de vraag of dat invloed heeft op de emotionele en fysieke beschikbaarheid van moeder als opvoeder van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
 Zijn er aanwijzingen voor een psychiatrische stoornis bij moeder? Zo ja, hoe is deze te beschrijven, en maakt deze psychiatrische stoornis een onderzoek door een psychiater noodzakelijk om de verdere vraagstelling te kunnen beantwoorden?
 Hoe is de ontwikkeling en het functioneren van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te beschrijven aan de hand van in ieder geval de volgende gebieden: cognitieve ontwikkeling, sociaal-emotionele ontwikkeling en gehechtheidsontwikkeling?
 Wat zijn de pedagogische en affectieve vaardigheden van de moeder in relatie tot de opvoedingsbehoeften van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ? Indien nodig, zijn er mogelijkheden op het gebied van hulpverlening en behandeling om deze te verbeteren?
 In hoeverre is (terug)plaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (samen of afzonderlijk, op korte of lange termijn) bij de moeder in het belang van [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] ? Daarbij dient rekening gehouden te worden met de hechtingsrelatie met de pleegouders. Welke schade lopen [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] op als een eventuele terugplaatsing bij de moeder alsnog mislukt? Wat zijn daarvan de consequenties voor hun verdere ontwikkeling?
 Zijn er (contra-)indicaties voor een terugplaatsing van [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] bij de moeder? Zo ja, welke zijn dat?
 Zijn er (contra-)indicaties voor een continuering van het verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de pleegouders? Zo ja, welke zijn dat?
 Indien tot (terug)plaatsing bij moeder wordt overgegaan, van een of beide kinderen, op korte of lange termijn, is hulpverlening dan aangewezen? Zo ja, voor wie, in welke vorm en waar dient deze op gericht te zijn?
  • Indien niet wordt overgegaan tot (terug)plaatsing bij de moeder, hoe kan het contact tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dan het best worden vormgegeven, en welke rol kunnen de pleegouders daarin spelen?
  • In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren, die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar die wel van belang zijn met betrekking tot de opvoeding en ontwikkeling van [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] ?
Toestemming voor deelname aan het onderzoek is van belang
5.17.
De kinderrechter benadrukt dat het van belang is dat alle betrokkenen hun toestemming verlenen voor deelname aan het onderzoek. De deskundige(n) zal (zullen) aan betrokkenen medewerking vragen en uitleg geven en naar aanleiding van het onderzoek rapport en advies aan de rechtbank uitbrengen. Op grond van artikel 198, derde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn de partijen verplicht mee te werken aan een onderzoek door deskundigen.
De kosten van het onderzoek
5.18.
De kosten van het onderzoek zullen te zijner tijd ten laste van ’s Rijkskas worden gebracht op grond van artikel 810a, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.19.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing heeft genomen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
Ten aanzien van de verzoeken van de GI
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 21 mei 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 21 november 2026;
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan in afwachting van het schriftelijk rapport van de deskundige en de schriftelijke reactie daarop van partijen tot een nader te bepalen zitting,
gelegen voor 21 november 2026, tegen welke zitting de GI, de moeder, de vader en de pleegouders dienen te worden opgeroepen;
Ten aanzien van het verzoek van de moeder voor de benoeming van een deskundige
6.4.
maakt het voornemen kenbaar om een opdracht te geven tot het benoemen van een door het NIFP voor te dragen deskundigen ter beantwoording van de vragen genoemd onder 5.16 van deze beschikking;
6.5.
bepaalt dat de GI en de moeder tot uiterlijk
20 juni 2026de gelegenheid hebben voor een schriftelijke reactie zoals omschreven onder 5.15 van deze beschikking;
Ten aanzien van de kosten van de deskundige:
6.6.
bepaalt dat de griffier contact zal opnemen met het NIFP in verband met de begroting van de kosten van het onderzoek zoals hierboven vermeld;
6.7.
bepaalt dat de kosten van dit onderzoek ten laste van ’s Rijkskas zullen worden gebracht;
Ten aanzien van alle verzoeken
6.8.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door
mr. J.M. Atema, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.De vader is, zo begrijpt de kinderrechter, de biologische vader van beide kinderen. Hij heeft alleen [minderjarige 1] erkend en is daarom alleen de juridische vader van [minderjarige 1] .
2.Artikel 1:260 BW Pro.
3.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
4.HR 12 april 2019,
5.EHRM 15-04-2025,