De rechtbank Midden-Nederland behandelde een geschil tussen ouders over de schoolkeuze en buitenschoolse opvang van hun twee bijna vierjarige kinderen. De ouders oefenden gezamenlijk gezag uit, maar waren het niet eens over de inschrijving op basisschool en opvang. De vader verzocht om vervangende toestemming voor inschrijving op een christelijke basisschool met een openbare insteek in zijn woonplaats, terwijl de moeder koos voor een christelijk-reformatorische school in haar woonplaats.
De rechtbank overwoog dat het belang van de kinderen leidend is en dat het belangrijk is dat zij op korte termijn kunnen starten met school. De identiteit van de school is doorslaggevend, waarbij de rechtbank oordeelde dat de school van de vader beter aansluit bij de leefwereld van de kinderen, die geen christelijke opvoeding krijgen. De rechtbank vond dat de fundamentele verschillen in geloofsovertuiging en de bezwaren van de vader tegen de reformatorische school niet in het belang van de kinderen zijn.
De rechtbank wees de verzoeken van de moeder af en verleende de vader vervangende toestemming voor inschrijving op de school en de bijbehorende voorschoolse en buitenschoolse opvang. Tevens werd de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard en werd iedere ouder veroordeeld tot het dragen van eigen proceskosten. De rechtbank sprak de hoop uit dat de ouders onder begeleiding van hulpverlening hun gezamenlijke ouderschap verbeteren.