Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:344

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
8 februari 2026
Zaaknummer
UTR 25/3724
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Willemse
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek herbeoordeling loonaanvullingsuitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Het UWV kende op 25 november 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering toe aan een ex-werkneemster, die op 23 maart 2016 werd omgezet in een loonaanvullingsuitkering. Eiseres diende op 11 januari 2022 een verzoek in tot herbeoordeling van deze uitkering met terugwerkende kracht tot 16 juni 2016. Het UWV weigerde terug te komen op het eerdere besluit omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd.

Eiseres maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank toetste of het UWV terecht artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toepaste en oordeelde dat het ontbreken van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek geen nieuw feit is, aangezien dit al bekend was bij het eerdere besluit. Eiseres had destijds bezwaar kunnen maken, maar deed dit niet.

De rechtbank concludeerde dat het UWV zorgvuldig en gemotiveerd heeft gehandeld en dat het bestreden besluit niet evident onredelijk is. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiseres het griffierecht niet terugkrijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van het UWV om niet terug te komen op de loonaanvullingsuitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3724

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 januari 2026 in de zaak tussen

Stichting HilverZorg, uit Hilversum, eiseres

(gemachtigde: C. Holmes - Groenleer),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv)
(gemachtigde: mr. C.W.P. van den Berg).

Inleiding

1. Het Uwv heeft per besluit van 25 november 2015 met ingang van 16 april 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan ex-werkneemster toegekend. Met besluit van 23 maart 2016 heeft het Uwv de WGA-uitkering per 16 juni 2016 omgezet naar een loonaanvullingsuitkering.
1.1.
Eiseres heeft op 11 januari 2022 een aanvraag om herbeoordeling van de uitkering van ex-werkneemster ingediend. Eiseres heeft het Uwv verzocht om voor de uitkomst van de herbeoordeling als ingangsdatum 16 juni 2016 te hanteren.
1.2.
Het Uwv heeft het verzoek van eiseres beschouwd als een verzoek om terug te komen op het besluit van 23 maart 2016. Het Uwv heeft zich in het besluit van 16 april 2025 (het primaire besluit) op het standpunt gesteld dat eiseres geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, zodat het Uwv bij het besluit van 23 maart 2016 blijft.
1.3.
Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. In het besluit op bezwaar van 28 mei 2025 (het bestreden besluit) is het Uwv bij zijn standpunt gebleven. Omdat eiseres in bezwaar ook heeft verzocht om de actuele belastbaarheid van ex-werkneemster vast te stellen, heeft het Uwv in het bestreden besluit vermeld dat dit verzoek in behandeling wordt genomen.
1.4.
Eiseres is het niet eens met het besluit van het Uwv om niet terug te komen op het besluit van 23 maart 2016 en heeft tegen het bestreden besluit beroep bij de rechtbank ingesteld. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en van het Uwv deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiseres heeft op 11 januari 2022 een verzoek ingediend tot herbeoordeling van de belastbaarheid van ex-werkneemster per datum van 16 juni 2016. Tegen het besluit van 23 maart 2016, waarin ex-werkneemster een loonaanvullingsuitkering is toegekend, zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit in rechte is komen vast te staan. Gelet daarop heeft het Uwv het verzoek van eiseres naar het oordeel van de rechtbank terecht opgevat als een verzoek om terug te komen op het besluit van 23 maart 2016. Omdat eiseres in bezwaar ook heeft verzocht om de actuele belastbaarheid van ex-werkneemster vast te stellen, heeft het Uwv in het bestreden besluit vermeld dat dit verzoek in behandeling wordt genomen. Dat tweede verzoek valt dus buiten de omvang van het geschil. De vraag die dus bij de rechtbank voorligt, is of het Uwv terecht met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft geweigerd om terug te komen op het besluit van 23 maart 2016 wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
3. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat de
bestuursrechter in een geval als dit, waarin het bestuursorgaan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb toepast, aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het Uwv zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden zijn feiten of omstandigheden die zich ná het eerdere besluit hebben voorgedaan. Het kan ook gaan om feiten of omstandigheden die zich wel vóór het eerdere besluit hebben voorgedaan, maar die niet vóór dat besluit naar voren konden worden gebracht.
4. De rechtbank oordeelt dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Eiseres wijst in haar verzoek op het ontbreken van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek bij het besluit van 23 maart 2016. Dit is een feit dat ten tijde van dat besluit al bekend was, van een nieuw feit is in dit geval dus geen sprake. Als eiseres het niet eens was met het ontbreken van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek, dan had het op haar weg gelegen om bezwaar tegen het besluit van 23 maart 2016 te maken. Dat heeft eiseres echter niet gedaan. Eiseres heeft ook niet gesteld dat het van het Uwv evident onredelijk was om niet terug te komen op het besluit van 25 september 2018. De rechtbank is daarvan ook niet gebleken. Ook tegen die achtergrond heeft het Uwv het bestreden besluit kunnen nemen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Willemse, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2026.
De griffier is verhinderd de uitspraak
mede te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.