5.3Oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
[verdachte] heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een juwelier in Almere. Deze overval vond plaats op klaarlichte dag, terwijl de winkel geopend was. Terwijl de medeverdachte van [verdachte] twee medewerkers van de winkel met een pistool bedreigde, heeft [verdachte] met fors geweld met een hamer vitrines stuk geslagen en uit deze vitrines een groot aantal (dummy)sieraden weggenomen. [verdachte] en zijn mededader zijn er vervolgens met de buit vandoor gegaan en hebben deze kort daarna overgedragen aan anderen, die de buit veilig moesten stellen. Naast het plegen van deze overval heeft [verdachte] zich ook (mede) schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van het pistool.
Deze overval, met het daarbij toegepaste geweld en de bedreiging met geweld, is voor de beide medewerkers van de winkel een uiterst angstige en traumatische ervaring geweest. De rechtbank vindt het bij de overval toegepaste geweld schokkend. Het getuigt van een volstrekte onverschilligheid ten opzichte van de belangen en gevoelens van de slachtoffers en het eigendom van anderen. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke gebeurtenissen een grote impact hebben op slachtoffers en kunnen leiden tot traumatische ervaringen met langdurige psychische gevolgen. Dat is ook precies wat namens een van de slachtoffers op zitting naar voren is gebracht. Dit slachtoffer ondervindt nog dagelijks de gevolgen van de overval. Zij kan nog altijd niet werken, is bang om naar buiten te gaan, heeft een posttraumatische stress-stoornis, lijdt aan herbelevingen en mist haar leven van voor de overval. Daarnaast veroorzaakt een dergelijke overval ook in het algemeen sterke gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Uit getuigenverklaringen in het dossier blijkt ook dat winkelende omstanders doodsbang zijn weggevlucht. Het ongecontroleerde bezit van een pistool brengt bovendien een onaanvaardbaar risico met zich mee voor de veiligheid van personen en ook dit versterkt in de samenleving bestaande gevoelens van angst en onveiligheid. De rechtbank vindt ook schokkend dat [verdachte] , ten tijde van de overval nog maar net 18 jaar oud, in samenwerking met een groepje voor hem volslagen onbekende mededaders, alleen uit eigen gewin, om snel en makkelijk aan geld te komen, deze gewapende overval heeft gepleegd. Dat [verdachte] op dat moment nauwelijks heeft nagedacht over de gevolgen van dit ernstige strafbare feit rekent de rechtbank [verdachte] aan.
Persoonlijke omstandigheden van [verdachte]
De rechtbank houdt ten aanzien van de persoon van [verdachte] rekening met:
- een uittreksel Justitiële Documentatie (‘
- de hiervoor onder 4.3 genoemde Pro Justitia rapporten betreffende een psychiatrisch en psychologisch onderzoek naar de persoon van [verdachte] , beide van 9 september 2025;
- een reclasseringsrapport (advies) van Reclassering Nederland van 21 mei 2026;
- een evaluatierapport van SAVE Jeugdbescherming ten behoeve van de strafzitting (strafadvies) van 22 mei 2026;
- hetgeen door de jeugdreclasseerder van SAVE op zitting naar voren is gebracht;
- de proceshouding van [verdachte] .
Uit het strafblad van [verdachte] blijkt dat hij weliswaar eerder is veroordeeld en strafbeschikkingen heeft ontvangen, maar niet voor soortgelijke feiten als waarvoor hij in dit vonnis wordt veroordeeld.
Uit de Pro Justitia rapporten van 9 september 2025 volgt dat bij [verdachte] sprake is van stoornissen zoals omschreven in paragraaf 4.3. Zoals in die paragraaf is gemotiveerd, neemt de rechtbank de conclusies van de psychiater en de psycholoog betreffende de verminderde toerekenbaarheid van de feiten aan [verdachte] over en de rechtbank houdt daarmee ook rekening bij het bepalen van de straf en de strafmaat.
De psychiater schat de kans op recidive bij gelijkblijvende omstandigheden en zonder interventies in als matig. De voornaamste zorgpunten zijn het zeer beperkte netwerk van [verdachte] , de vermijdende coping in combinatie met emotieregulatieproblemen, het ontbreken van toekomstperspectief en het ontbreken van gedragsverandering en aangaan van behandeling. Er is te beperkt zicht op de interne belevingswereld van [verdachte] en is er geen affectieve ondersteuning. [verdachte] heeft behoudens zijn werk en sporten niets. Er moet meer aandacht zijn voor de ontwikkeling van [verdachte] , maar ook zal hij begeleid moeten worden in het zoeken van een balans in zijn leven. Verder is belangrijk dat [verdachte] forensische psychologische behandeling krijgt, gericht op het doorbreken van de scheefgroei van zijn persoonlijkheidsontwikkeling, het behandelen van zijn trauma’s en het verbeteren van zijn emotieregulatieproblemen. Geadviseerd wordt om dit, met toepassing van het strafrecht voor volwassenen, vorm te geven binnen een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.
De psycholoog vindt de kans op recidive moeilijk in te schatten. Er zijn diverse factoren waar onvoldoende zicht op is, terwijl de zorgen over de persoonlijkheidsontwikkeling en de psychische gesteldheid van [verdachte] onverminderd groot zijn. [verdachte] is een getraumatiseerde adolescent met een beperkte emotieregulatie in combinatie met een zeer geïsoleerd leven waarin hij afstand heeft genomen van zijn familie en waarbij hij zich heeft ontwikkeld als een wantrouwig en getraumatiseerd persoon bij wie het ontbreekt aan copingvaardigheden om met stress, emoties en spanningen om te gaan. Bovendien heeft hij geen steunend netwerk en beschikt hij over een beperkt inzicht en een beperkt mentaliserend vermogen.
Toepassing van het meerderjarigenstrafrecht is het meest passend. Geadviseerd worden een traumagerelateerde therapie en een aanvullende therapie waarbij [verdachte] zijn emoties leert te reguleren (adequatere coping) en zijn gedachten- en (rigide) denkpatronen kan leren omzetten in meer opbouwende gedachten met als doel om een positiever en reëler zelfbeeld en houding naar zichzelf en zijn omgeving aan te nemen. Het advies is om behandeling op te leggen in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke detentie.
Reclassering Nederland schat het risico op recidive in als gemiddeld. In het rapport van 21 mei 2026 wordt gesignaleerd dat sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis van [verdachte] de jeugdreclassering en [instelling] tevreden zijn over zijn inzet. [verdachte] laat positieve stappen zien en op sociaal-maatschappelijk gebied en lijkt zijn leven goed in te vullen. De reclassering is van mening dat dit bekrachtigd moet worden. Geadviseerd wordt, met toepassing van het volwassenenstrafrecht, een deels voorwaardelijke straf op te leggen, met bijzondere voorwaarden om [verdachte] de kans te bieden de huidig ingezette koers met begeleiding en ambulante behandeling te continueren.
Uit het rapport van SAVE van 22 mei 2026 en de door de jeugdreclasseerder op zitting gegeven toelichting blijkt onder meer het volgende. [verdachte] woont in een begeleid woonproject van [instelling] in Hilversum en werkt zes dagen per week bij een broodjeszaak. Hij sport en heeft een serieuze relatie met zijn vriendin. [verdachte] heeft zich tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis netjes gehouden aan alle voorwaarden en afspraken met de jeugdreclassering en aan de regels van de woongroep. Het advies is om een deels voorwaardelijke straf op te leggen met een aantal bijzondere voorwaarden. De jeugdreclassering volgt het advies van het NIFP betreffende toezicht door de volwassenreclassering (Reclassering Nederland). Wat betreft het toepassen van het
volwassenenstrafrecht neemt SAVE geen standpunt in. Belangrijk is dat een deels voorwaardelijke straf met voorwaarden wordt opgelegd en dat [verdachte] niet opnieuw de gevangenis in hoeft; welk strafrecht daarbij wordt toegepast is minder van belang.
[verdachte] heeft op zitting spijt betuigd van hetgeen hij heeft gedaan en hij heeft verklaard te begrijpen wat hij de slachtoffers heeft aangedaan. Hij heeft hiervoor aan de slachtoffers excuses willen aanbieden, maar de mediation waaraan hij wilde deelnemen heeft geen doorgang kunnen vinden omdat de slachtoffers dit niet wilden. De rechtbank waardeert de houding van [verdachte] in positieve zin en houdt hiermee rekening in zijn voordeel.
Toepassing jeugdstrafrecht
In voornoemde rapporten is door de verschillende deskundigen ingegaan op de vraag of toepassing zou moeten worden gegeven aan het jeugdstrafrecht of aan het volwassenenstrafrecht. De psychiater, de psycholoog en Reclassering Nederland adviseren toepassing van het volwassenenstrafrecht en alleen SAVE heeft ten aanzien van dit punt geen standpunt ingenomen. De rechtbank overweegt over deze vraag het volgende.
[verdachte] komt volwassen over, heeft een verantwoordelijke baan en werkt hard, beheert zijn eigen financiën en er is sprake van voldoende zelfzorg en planningsvaardigheden. Dit schetst een beeld van een jongvolwassene die zijn leven op orde heeft en alles zelf regelt.
Er bestaan echter twijfels over de leeftijd van [verdachte] . Volgens zijn in Nederland geregistreerde leeftijd was [verdachte] ten tijde van het plegen van de overval nét (twee weken) 18 jaar, maar mogelijk was hij op dat moment nog 17 jaar oud. Uit de rapporten van de psychiater en de psycholoog blijkt dat bij [verdachte] sprake is van laagbegaafdheid en van een sociaal emotionele achterstand, dat twijfels bestaan over de mate waarin hij zijn handelen daadwerkelijk kan overzien en begrijpen en bovendien dat een neiging tot overvraging bestaat bij [verdachte] . Hiermee komt een beeld naar voren van een zwakbegaafde adolescent met een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling.
Met name gelet op laatstgenoemde overwegingen acht de rechtbank toepassing van het jeugdstrafrecht passend en geboden. De rechtbank oordeelt daarom anders dan voornoemde deskundigen en zal [verdachte] berechten overeenkomstig de bepalingen van het jeugdstrafrecht.
Op te leggen straf
Bij het bepalen van de op te leggen straf en de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn gepleegd en de persoon van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden, zoals ter terechtzitting is gebleken en hiervoor is omschreven. De rechtbank heeft ook gelet op wat door rechters in min of meer vergelijkbare strafzaken is opgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de bewezen feiten, in beginsel oplegging van een (forse) onvoorwaardelijke jeugddetentie op zijn plaats is. De rechtbank ziet echter aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken en aan [verdachte] geen straf op te leggen die zou betekenen dat hij opnieuw naar de (jeugd)gevangenis moet gaan. Uit de rapporten van Reclassering Nederland en SAVE blijkt dat de huidige begeleiding en toezicht door de jeugdreclassering van SAVE goed verloopt, dat [verdachte] zich netjes houdt aan alle voorwaarden en afspraken en ook dat het verblijf bij [instelling] in [woonplaats] goed gaat. De psychiater en de psycholoog hebben gerapporteerd dat, om de kans op recidive te verlagen en de ontwikkeling van [verdachte] positief te beïnvloeden, behandeling (in een ambulant kader) in de vorm van therapie(ën) dringend gewenst zijn.
De rechtbank vindt het belangrijk dat de huidige positieve ontwikkeling wordt voortgezet en dat (daarom) de begeleiding en het toezicht door de jeugdreclassering van SAVE - die goed verlopen - en het verblijf van [verdachte] bij [instelling] in [woonplaats] worden gecontinueerd. Daarnaast vindt de rechtbank het belangrijk dat (ambulante) behandeling van [verdachte] zal plaatsvinden, met name gericht op zijn delictgedrag, traumagerelateerde klachten en emotieregulatieproblematiek.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank aan [verdachte] een jeugddetentie opleggen van 180 dagen, waarvan 159 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal op de op te leggen jeugddetentie in mindering worden gebracht. Het voorwaardelijke strafdeel geldt als stok achter de deur om [verdachte] ervan te weerhouden opnieuw een (soortgelijk) strafbaar feit te plegen. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank de (bijzondere) voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door Reclassering Nederland en SAVE.
De rechtbank is van oordeel dat voornoemde straf nog onvoldoende recht doet aan het strafdoel ‘vergelding’ voor het plegen van de bewezen feiten. Deze feiten zijn daarvoor te ernstig. Daarom zal aan [verdachte] ook een taakstraf worden opgelegd in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uur. Indien [verdachte] deze werkstraf niet of niet naar behoren verricht, zal deze worden vervangen door een jeugddetentie van 60 dagen. De rechtbank gaat er echter van uit dat [verdachte] de werkstraf goed en volledig zal uitvoeren.