ECLI:NL:RBMNE:2026:3423
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken lopende beroepsprocedure
Verzoekster heeft een beroep ingediend tegen het niet tijdig beslissen van de minister van Infrastructuur en Waterstaat op haar Woo-verzoek. Gelijktijdig diende zij een verzoek om voorlopige voorziening in. De voorzieningenrechter beoordeelt dit verzoek zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb.
Volgens artikel 8:81 Awb Pro kan een voorlopige voorziening alleen worden getroffen indien er een bestreden besluit is en een lopende bezwaar- of beroepsprocedure, het zogenaamde connexiteitsvereiste. De rechtbank heeft echter bij een andere uitspraak (zaaknummer UTR 26/3335) al uitspraak gedaan op het beroep wegens niet tijdig beslissen, waardoor er geen lopende procedure meer is.
Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening niet meer connex aan een beroepsprocedure en wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter I. Helmich op 16 juni 2026.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een lopende beroepsprocedure.