ECLI:NL:RBMNE:2026:3423

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
UTR 26/3333
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken lopende beroepsprocedure

Verzoekster heeft een beroep ingediend tegen het niet tijdig beslissen van de minister van Infrastructuur en Waterstaat op haar Woo-verzoek. Gelijktijdig diende zij een verzoek om voorlopige voorziening in. De voorzieningenrechter beoordeelt dit verzoek zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb.

Volgens artikel 8:81 Awb Pro kan een voorlopige voorziening alleen worden getroffen indien er een bestreden besluit is en een lopende bezwaar- of beroepsprocedure, het zogenaamde connexiteitsvereiste. De rechtbank heeft echter bij een andere uitspraak (zaaknummer UTR 26/3335) al uitspraak gedaan op het beroep wegens niet tijdig beslissen, waardoor er geen lopende procedure meer is.

Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening niet meer connex aan een beroepsprocedure en wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter I. Helmich op 16 juni 2026.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een lopende beroepsprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/3333

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. M.W. Verhoeven),
en

minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder

(gemachtigde: mr. O.K.N. Kumar).

Waar gaat deze zaak over?

Verzoekster heeft een beroep ingediend omdat verweerder niet tijd heeft beslist op haar verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). Verzoekster heeft gelijktijdig een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen inzake een bestreden besluit indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Gelet op bovengenoemd artikel moet er sprake zijn van een besluit en een bezwaar of een beroep tegen (het niet tijdig beslissen op) een besluit, voordat een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening inhoudelijk kan worden behandeld. Dit is het zogenaamde connexiteitsvereiste.
3. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer UTR 26/3335, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep wegens niet tijdig beslissen. Dit betekent dat het verzoek niet meer connex is aan een beroepsprocedure zodat het verzoek niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Het verzoek zal daarom niet inhoudelijk worden behandeld.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.