Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3417

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
C/16/611414 / JL RK 26-312
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van vier minderjarige kinderen wegens huiselijk geweld

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van vier minderjarige kinderen, vanwege huiselijk geweld en een onveilige thuissituatie. De vader mishandelde twee van de kinderen met een houten snijplank, waarbij de moeder niet ingreep. De kinderen zijn verspreid geplaatst in gezinshuizen en pleegzorg.

Tijdens de zitting erkenden de ouders de ernst van de situatie en stemden in met de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. De moeder en vader willen therapie volgen en werken aan hun opvoedvaardigheden. De kinderrechter oordeelde dat de ondertoezichtstelling voor een jaar noodzakelijk is en machtigde de uithuisplaatsing van de oudste twee kinderen voor een jaar en de jongste twee voor zes maanden.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en bevat een opdracht aan de gecertificeerde instelling om een terugplaatsingsplan op te stellen bij eventuele verlenging. De rechter benadrukte het belang van een veilige, geweldloze omgeving en het herstellen van contact met de biologische vader voor de oudste kinderen.

Uitkomst: De kinderrechter stelt vier minderjarige kinderen onder toezicht en machtigt hun uithuisplaatsing voor termijnen van zes maanden tot een jaar wegens huiselijk geweld en bedreigde ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Almere
Zaaknummer: C/16/611414 / JL RK 26-312
Datum uitspraak: 19 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
locatie Utrecht,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2013 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3],
geboren op [geboortedatum 3] 2016 in [geboorteplaats 3] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] ,
[minderjarige 4],
geboren op [geboortedatum 4] 2019 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 4] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. A.S. Bissumbhar,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. R.W.A. Offermans,
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd in Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 mei 2026;
  • het bericht met bijlage van de Raad, ontvangen op 12 mei 2026;
  • het bericht met bijlage van de Raad, ontvangen op 13 mei 2026;
  • het plan van aanpak van de GI, ingediend door de moeder op 18 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader met zijn advocaat;
- [A.] namens de Raad;
  • [B.] namens de GI;
  • [C.] , betrokken vanuit het Ondersteuningsteam Uithuisplaatsingen Toeslagenaffaire.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [minderjarige 3] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om haar mening te geven.

2.De feiten

2.1.
De vader is niet de biologische vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , maar hij heeft hen op 24 juni 2022 erkend. Dat betekent dat hij dus wel de juridische vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over de kinderen nemen.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 10 maart 2026 [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] voorlopig onder toezicht gesteld tot 26 mei 2026. Ook heeft de kinderrechter bij diezelfde beschikking een machtiging verleend [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 26 mei 2026.
2.4.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen nu samen in een gezinshuis in [plaats 1] , [minderjarige 3] woont in een gezinshuis in [plaats 2] en [minderjarige 4] woont in een pleeggezin.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar.
3.2.
De Raad verzoekt ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening, voorziening voor pleegzorg of een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.3.
De Raad verzoekt daarnaast een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] in een gezinsgerichte voorziening of een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van zes maanden.
3.4.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

De Raad
De Raad heeft de verzoeken op de zitting gehandhaafd. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] zijn opgegroeid in een systeem met spanningen en geweld. Dit geweld heeft zich voornamelijk gericht op [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ; op 26 februari 2026 heeft de vader de jongens mishandeld met een houten snijplank. De moeder was hierbij aanwezig en heeft niet ingegrepen. [minderjarige 3] en [minderjarige 4] zijn hier getuige van geweest. De vader heeft daarna ook in voorlopige hechtenis gezeten. Naast het geweldig is de onderlinge band tussen de kinderen een grote zorg. Omdat de kinderen een norm lijken te hebben meegekregen waarin geweld en pesten geaccepteerd zijn, vindt dit ook plaats in de relatie tussen de broers en de zus. Bovenop dit alles komt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een andere biologische vader hebben. Het contactherstel met hem komt niet van de grond. De jongens hebben bovendien het gevoel dat zij door de ouders anders behandeld worden dan [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . De ouders worstelen met het gedrag van de jongens en hun opvoedvaardigheden zijn op dit moment niet voldoende ontwikkeld om daar op een goede manier mee om te kunnen gaan.Volgens de Raad is een uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar en een uithuisplaatsing van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] voor de duur van zes maanden noodzakelijk. Binnen die periode kan hulpverlening, waaronder video interactie begeleiding (hierna: VIB) en relatietherapie, worden ingezet en kunnen de ouders aan hun opvoedingsvaardigheden werken.
De GI
4.1.
De GI heeft naar voren gebracht dat de kinderen op dit moment op de plekken kunnen blijven wonen waar ze nu wonen. Wel overweegt de GI [minderjarige 1] op een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te laten wonen, dus ergens anders dan [minderjarige 2] , vanwege de invloed van de oudste twee jongens op elkaar. Hiervoor zal een zorgvuldige afweging moeten worden gemaakt, waarbij nog niet bekend is op welke termijn dit zal plaatsvinden. Voordat - in ieder geval - [minderjarige 3] en [minderjarige 4] weer thuis kunnen wonen is het noodzakelijk om in kaart te brengen of en wanneer er sprake is van ‘goed genoeg opvoederschap’ en wat de kinderen daarbij nodig hebben. Zo is het de bedoeling om VIB in te zetten tijdens de omgang. Gezien de wachtlijsten, de observatieperiode en de inzet van de VIB is het volgens de GI nodig de machtigingen tot uithuisplaatsing voor de volledige verzochte termijn te verlenen.
De moeder
4.2.
De moeder stemt in met het onder toezicht stellen van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] en met het verlenen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar. Wel verzoekt de moeder de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] te verlenen voor de duur van drie maanden en het overige deel van het verzoek aan te houden. In het plan van aanpak van de GI is namelijk niet opgenomen wat er concreet moet gebeuren voordat de kinderen weer terug bij de ouders kunnen wonen. Met een tussentijdse evaluatie zal de GI aan de rechtbank moeten rapporteren over de stand van zaken en waar de ouders aan moeten voldoen voor een terugplaatsing. Ook zal er door de kortere termijn adequate druk blijven bestaan op de inzet van de hulpverlening. Het is voor de kinderen namelijk belangrijk (om te weten) dat ze zo snel mogelijk weer naar huis gaan.
De vader
4.3.
De vader stemt ook in met de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . Ook begrijpt hij het als een machtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt verleend. Wat betreft de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] staat de vader achter het verweer van de moeder om de machtiging te verlenen voor de duur van drie maanden en het overige deel aan te houden. De vader erkent dat hij moet leren om zijn emoties te beheersen. Dit is ook een aandachtspunt binnen zijn schorsingsvoorwaarden; hij kan hier op korte termijn voor terecht bij [locatie] . Daarnaast willen de ouders hun relatie voortzetten, waarbij zij ook relatietherapie zal plaatsvinden om de spanning in de relatie weg te nemen. De hulpverlening lijkt dus op korte termijn te gaan starten, waarbij het mogelijk is dat er binnen drie maanden al minder spanning in de thuissituatie is en er meer rust is voor de kinderen om weer thuis te wonen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht voor de duur van een jaar. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een gezinshuis voor de duur van een jaar, om [minderjarige 3] uit huis te plaatsen in een gezinshuis voor de duur van zes maanden en om [minderjarige 4] uit huis te plaatsen in een pleeggezin voor de duur van zes maanden. Hierna legt de kinderrechter uit waarom zij deze beslissing neemt.
De ondertoezichtstelling
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom dat zo is.
5.3.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] zijn op 26 februari 2026 met spoed uit huis geplaatst nadat de vader [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft geslagen met een houten snijplank. De moeder had niet ingegrepen. Uit het Raadsonderzoek is naar voren gekomen dat dit geen eenmalige gebeurtenis lijkt te zijn geweest, maar dat de kinderen opgroeien in een systeem waarin geweld genormaliseerd is. Daarom zijn er inmiddels ook grote zorgen over de onderlinge relatie van de kinderen. Hierin is er volgens de Raad ook al sprake van pestgedrag naar elkaar. Deze spanningen maken dat fysieke veiligheid van de kinderen wordt aangetast, zowel door de ouders als door hun broers en zus, waardoor hun ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast is het zorgelijk dat de ouders door wisselende verhalen en wisselende medewerking aan de hulpverlening in het verleden (hun aandeel in) de zorgen niet altijd hebben erkend. De kinderrechter realiseert zich dat het voor de ouders, als slachtoffers van de toeslagenaffaire, wellicht moeilijker is zich open te stellen naar overheidsinstanties als de Raad, of naar hulpverlening. Het is voor de verwerking van de kinderen echter wel zeer belangrijk dat zij erkenning én hulp krijgen voor wat ze hebben meegemaakt. Openheid van de ouders is daarvoor een belangrijke stap. Tot slot is het voor de identiteitsvorming van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] belangrijk dat zij contact krijgen met hun biologische vader, nu zij al acht jaar geen contact meer met hem hebben. Zij hebben zelf aangegeven wel contact te willen hebben met hun biologische vader en zijn familie, maar de moeder en de vader geven hier tot nu toe kennelijk onvoldoende ruimte voor. Op basis van deze zorgen is er sprake van ernstige bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .
5.4.
Zowel de vader als de moeder hebben op de zitting verteld de ernst van de situatie in te zien. De vader heeft daaraan toegevoegd dat hij op korte termijn zal starten met therapie voor emotieregulatie bij [locatie] . Daarnaast hebben de ouders besloten bij elkaar te blijven en daarvoor ook relatietherapie te gaan volgen. Dit erkennen van de zorgen is een belangrijke eerste stap. Hierna is het van belang dat de ouders – onder regie van de GI –meewerken aan de hulpverlening om de ernstige ontwikkelingsbedreigingen voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] weg te nemen. Een voorbeeld hiervan is de video interactie begeleiding, waarbij de ouders – kort gezegd – gaan reflecteren op hun omgang met de kinderen. Alleen op die manier kan er weer een thuissituatie ontstaan waarin de kinderen veilig kunnen opgroeien en geweld geen plaats heeft. Naast deze hulp voor de ouders, moet er ook hulp voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] komen. Zij moeten namelijk hun verleden gaan verwerken en daarbij ook leren dat het niet de norm is om met geweld en pestgedrag met elkaar en een ander om te gaan. Tot slot zal (de opbouw van) het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met hun biologische vader en zijn familie moeten worden vormgegeven.
Concreet betekent dit dat er tijdens de ondertoezichtstelling moet worden gewerkt aan de volgende doelen:
  • [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] groeien op in een veilige, gestructureerde leefomgeving waar zij de duidelijkheid en grenzen geboden krijgen passend bij hun ontwikkeling om zich op positieve wijze te kunnen ontwikkelen
  • [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] groeien op in een omgeving waarin geen verbaal en/of fysiek geweld wordt gebruikt, en gebruiken ook zelf geen geweld;
  • het perspectief van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] is duidelijk; [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] weten waar zij gaan opgroeien en zij weten wanneer zij contact hebben met voor hen belangrijke personen;
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben positief en onbelast contact met hun biologische vader (en zijn familie);
  • [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] verwerken – zodra zij hieraan toe zijn en indien nodig- ingrijpende gebeurtenissen, zoals het huiselijk geweld dat heeft plaatsgevonden en de daaropvolgende uithuisplaatsing;
  • de draagkracht en draaglast van de ouders is in balans. De ouders verwerken hun eigen verleden en zijn in staat geweldloos op te voeden.
De machtiging tot uithuisplaatsing
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding. [2] Hieronder wordt uitgelegd waarom dat zo is.
5.6.
Zoals onder 5.3. is overwogen, zijn de kinderen opgegroeid in een heftige thuissituatie. Hierdoor is het voor de veiligheid van de kinderen nog niet mogelijk om op dit moment weer thuis te wonen. Het is belangrijk dat de kinderen nu eerst tot rust komen. De ouders erkennen dit ook. Vanuit de rust die ontstaat door de uithuisplaatsing, zal er weer moeten worden toegewerkt naar een thuisplaatsing. Dat is namelijk het uitgangspunt van de wet: alleen als het niet anders kan, wordt een kind uithuisgeplaatst. Op dit moment kan het nog niet anders, omdat de hulpverlening nog moet worden ingezet en daarvoor rust in een neutrale omgeving nodig is.
5.7.
Het huiselijk geweld heeft zich voornamelijk gericht op [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ook hebben zij zelf aan de kinderrechter verteld op dit moment geen contact met de vader en de moeder te willen hebben en niet thuis te willen wonen. De kinderrechter vindt het daarom noodzakelijk de machtiging tot uithuisplaatsing van deze jongens in een gezinshuis te verlenen voor de duur van een jaar. Gelet op hun leeftijd is dit een aanvaardbare termijn. Wanneer de GI alsnog besluit om [minderjarige 1] over te plaatsen naar een accommodatie voor een jeugdhulpaanbieder, zal zij een nieuw verzoek moeten indienen. Dan zal de kinderrechter op dat moment toetsen wat in zijn belang is.
5.8.
De vader en de moeder hebben verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] te verlenen voor de duur van drie maanden, onder aanhouding van het overige. De kinderrechter vindt dit een te korte termijn. Hoewel het geweld zich voornamelijk heeft voorgedaan richting [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , hebben ook [minderjarige 3] en [minderjarige 4] de gevolgen ervan van meegekregen. Beide kinderen willen namelijk niet naar huis uit angst voor straf en met name [minderjarige 3] , maar ook [minderjarige 4] , heeft zorgelijke uitspraken gedaan. De kinderrechter kan niet vaststellen of wat de kinderen hebben gezegd, echt is gebeurd. Echter, het feit dat zij deze heftige uitspraken over hun thuissituatie doen, is op zichzelf al reden voor zorg en hulp – ook als ze niet waar zijn. Naast dit alles is het positief dat de hulpverlening op korte termijn lijkt te kunnen starten, maar er zal tijd nodig zijn voordat het voor [minderjarige 3] en [minderjarige 4] weer veilig genoeg is om thuis te kunnen wonen. De kinderrechter is, net als de Raad en de GI, van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden hiervoor noodzakelijk is. Een kortere termijn is niet realistisch gelet op wat er moet gebeuren en zou de ouders valse hoop geven.
5.9.
Tot slot overweegt de kinderrechter ten overvloede, dat wanneer de GI over zes maanden mocht besluiten een verzoek in te dienen voor het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , de GI daarbij een thuisplaatsingsplan moet overleggen. In dit plan moet worden opgenomen aan welke concrete voorwaarden de ouders moeten voldoen voordat de kinderen weer thuis kunnen wonen.
Gezagsregister
5.10.
De beslissing tot het onder toezicht stellen van wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
Uitvoerbaarheid bij voorraad
5.11.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 19 mei 2026 tot 19 mei 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 19 mei 2026 tot 19 mei 2027;
6.3.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 19 mei 2026 tot 19 november 2026;
6.4.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 4] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 19 mei 2026 tot 19 november 2026;
6.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. J.M. Atema, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J. Mather als griffier, en op schrift gesteld op 1 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.