Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3408

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
UTR 26/1941
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Verzoekster heeft op 4 maart 2026 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen een besluit van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 17 februari 2026. De voorzieningenrechter heeft partijen niet uitgenodigd voor een zitting omdat dit niet noodzakelijk was volgens artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Volgens artikel 8:82, eerste lid, Awb moet bij een verzoek om voorlopige voorziening griffierecht worden betaald. In deze zaak bedroeg het griffierecht € 397,-. Verzoekster heeft dit griffierecht niet betaald, ondanks een aangetekende brief van de rechtbank van 12 maart 2026 waarin zij werd gewezen op de betalingstermijn en de gevolgen van niet-betaling.

De rechtbank heeft het griffierecht niet ontvangen en verzoekster heeft geen geldige reden opgegeven voor het niet betalen. Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening niet inhoudelijk behandeld en als kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen proceskostenvergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1941

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , gevestigd te [vestigingsplaats] , verzoekster,

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om een voorlopige voorziening van
4 maart 2026 tegen het besluit van verweerder van 17 februari 2026.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Verzoekster heeft namelijk het griffierecht niet betaald, waardoor de voorzieningenrechter de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de voorzieningenrechter dat verder uit.
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:82, eerste lid, van de Awb. In dit geval is het griffierecht € 397,-.
3. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald is de hoofdregel dat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar verzoekster niets aan kan doen.
4. De rechtbank heeft verzoekster op 12 maart 2026 een aangetekende brief gestuurd, waarin staat dat verzoekster het griffierecht uiterlijk binnen twee weken, of als de zitting eerder is, uiterlijk voorafgaande aan de zitting moet betalen aan de rechtbank. Ook staat in deze brief dat de rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk kan verklaren als verzoekster het griffierecht niet of niet op tijd betaald. Deze brief is volgens de track and trace bezorgd waarbij voor ontvangst is getekend op 14 maart 2026.
5. De rechtbank heeft het bedrag niet ontvangen. Verzoekster heeft daar geen reden voor gegeven.
6. De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening niet inhoudelijk behandelen. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk.
7. Van een proceskostenvergoeding is geen sprake.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van
J.B. Overtoom, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.
De griffier is verhinderd
te ondertekenen
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.