Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3403

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
16.329597.25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling met mes in rug ondanks beroep op noodweer

Op 2 december 2025 stak de verdachte de aangever met een mes in de rug in IJsselstein. De rechtbank verklaarde bewezen dat sprake was van poging zware mishandeling, maar sprak verdachte vrij van poging doodslag vanwege onvoldoende bewijs voor opzet op overlijden.

De verdachte voerde een beroep op noodweer, noodweerexces en psychische overmacht aan, stellende dat hij handelde uit vrees voor een aanval van de aangever. De rechtbank verwierp deze verweren omdat de feiten en camerabeelden geen dreigende situatie toonden en de verklaringen van verdachte wisselend waren.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 180 dagen op, waarvan 79 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, inclusief bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en een contactverbod met de aangever.

De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van €2.906,95, waarvan de rechtbank €1.906,95 toewijst voor materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. De schadevergoedingsmaatregel werd opgelegd zodat de Staat de betaling kan incasseren.

De rechtbank hechtte zwaar aan de ernst van het feit, de aanwezigheid van het kind van verdachte tijdens het incident en het recidiverisico, en oordeelde dat de straf lager kon zijn dan de eis omdat het slechts bij een poging bleef.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 180 dagen gevangenisstraf, waarvan 79 dagen voorwaardelijk, voor poging zware mishandeling met mes in rug; beroep op noodweer verworpen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16.329597.25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 15 juni 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] ,
adres: [adres] , [postcode] in [plaats] ,
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 1 juni 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. S.K. Lanning-Stein;
  • de advocaat van de verdachte: mr. A.E.M.C. Koudijs (hierna: de advocaat);
  • de benadeelde partij: [slachtoffer] ;
  • de advocaat van de benadeelde partij: mr. H. Tack.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan - na wijziging van de tenlastelegging - dat hij, samengevat:
op 2 december 2025 in IJsselstein geprobeerd heeft om [slachtoffer] van het leven te beroven door met een mes in zijn rug te steken.
Als de rechtbank dat niet bewezen verklaard, is de beschuldiging dat hij met diezelfde gedraging heeft geprobeerd om hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
Als de rechtbank ook dat niet bewezen verklaard, is de beschuldiging dat hij [slachtoffer] met diezelfde gedraging heeft mishandeld.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte geprobeerd heeft om [slachtoffer] van het leven te beroven (poging doodslag).
3.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat stelt zich op het standpunt dat bewezen verklaard kan worden dat de verdachte zich schuldig gemaakt heeft aan mishandeling van [slachtoffer] , maar dat de verdachte een beroep toekomt op noodweer(exces) dan wel op psychische overmacht, zodat de verdachte om die reden vrijgesproken moet worden dan wel ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging.
Op wat de advocaat aangevoerd heeft, zal hierna bij het oordeel van de rechtbank – voor zover nodig – nader op worden ingegaan.
3.3
Oordeel van de rechtbank
Conclusie
De rechtbank vindt op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig gemaakt heeft aan een poging zware mishandeling van [slachtoffer] (hierna te noemen: aangever). De rechtbank zal dat hierna toelichten.
Bewijsmiddelen [1]
De verklaring van de verdachte ter op de zitting van 1 juni 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik op 2 december 2025 in IJsselstein [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ) met een mes gestoken heb.
Een proces-verbaal van aangifte van aangever, voor zover inhoudende:
Op 2 december 2025 bevond ik mij in winkelcentrum [locatie] in IJsselstein. Ik zag daar [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] met een winkelwagen liep. [2] Toen we buiten waren, liepen we richting het fietspad welke loopt langs flatgebouw [naam] .
Ik draaide mij vervolgens om toen we op het fietspad stonden. Ik voelde een scherpe pijn in mijn rug. Ik voelde een warm penetrerend gevoel. Ik keek naar achter en zag dat [verdachte] een mes in zijn rechterhand vast hield. [3]
Een forensisch medische letselrapportage van T. Gelderman, forensisch arts en G. Reijnen, forensisch arts, van 27 juni 2026, voor zover inhoudende:
Betrokkene: [slachtoffer] [4]
6. Medische informatie
Bij lichamelijk onderzoek op de spoedeisende hulp werd een wond gezien van 3 cm breed. [5]
10. Beantwoording van de vraagstelling
- Wilt u het letsel zo volledig mogelijk beschrijven? Denk hierbij aan: locatie, diepte, richting, aantallen, e.d.
- Typeer met onderbouwing het beschreven letsel.
- Geef aan wat het ontstaansmechanisme van het aangetroffen letsel is.
Het letsel betreft een huiddoorklieving van 3cm op de linkerzijde van de rug met een ontstane bloeduitstorting. Een huiddoorklieving ontstaat door een scherprandig voorwerp. De bloeduitstorting wordt geduid als behorend bij de huiddoorklieving door schade aan het onderliggend weefsel. [6]
Bewijsoverweging
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte aangever eenmaal met een mes in de rug gestoken heeft. Dit heeft bij aangever geleid tot een steekwond van 3 cm lang aan de linkerzijde van de rug. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verdachte met zijn gedraging zich schuldig gemaakt heeft aan een poging doodslag, een poging zware mishandeling dan wel mishandeling van aangever.
Vrijspraak voor poging doodslag
Om tot een bewezenverklaring van poging doodslag te komen, moet de rechtbank vaststellen dat het opzet van de verdachte op de dood van aangever was gericht, waarbij voorwaardelijk opzet voldoende is. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg (in dit geval de dood van aangever) is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. De enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, betekent niet zonder meer dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. In dat verband kunnen de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang zijn. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het –behalve als sprake is van contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat de verdachte aangever in zijn rug gestoken heeft met de bedoeling om aangever te doden.
De rechtbank kan niet vaststellen met welke kracht de verdachte aangever gestoken heeft, nu informatie over de diepte van de steekwond ontbreekt. Ook heeft de rechtbank onvoldoende informatie over de lengte van het lemmet van het mes waarmee de verdachte gestoken heeft. Daarnaast blijkt uit de medische letselrapportage dat geen sprake was van inwendig letsel, een slagaderlijke bloeding of hevig bloedverlies bij aangever, zodat de deskundigen de kans op overlijden met dit letsel inschatten op nihil In de medische letselrapportage wordt in algemene bewoordingen nog wel gesproken over een vrijwel zeker kans op overlijden bij een klaplong of raken van de grote borstslagader bij een messteek in het bovenlichaam, maar de rechtbank kan niet vaststellen hoe nabij die twee lagen van de huidige messteek en hoe groot de kans was dat die zouden zijn geraakt. Daarbij speelt opnieuw dat het dossier geen informatie biedt over de diepte van de wond en de precieze omstandigheden waaronder is gestoken onduidelijk zijn gebleven. Daarom is niet komen vast te staan dat de verdachte de aanmerkelijke kans in het leven geroepen heeft dat aangever daardoor zou kunnen komen te overlijden.
De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van de primair aan hem ten laste gelegde poging doodslag.
Bewezenverklaring poging zware mishandeling
De rechtbank vindt op grond van de bewijsmiddelen wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig gemaakt heeft aan een poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel door aangever eenmaal met een mes in de rug te steken.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte met het eenmaal steken in de rug van aangever bewust de aanmerkelijke kans aanvaard heeft dat aangever als gevolg hiervan zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenlichaam diverse kwetsbare organen bevinden en dat deze met een meststeek in de rug geraakt kunnen worden. Zonder medisch handelen, kan dat leiden tot zeer ernstig letsel. Hieruit blijkt dat er dus een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij aangever aanwezig was. De rechtbank is ook van oordeel dat de verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Dat de verwonding slechts tot licht letsel heeft geleid (aldus de deskundige van het LOEF), is niet alleen het gevolg van het handelen van de verdachte. Goed mogelijk is dat aangever een wegdraaiende (zoals de verdachte verklaarde) of zelfs al weglopende (zoals aangever verklaarde) beweging maakte toen hij in zijn rug werd geraakt en het letsel daarom relatief beperkt is gebleven. Het had anders kunnen uitpakken, en de verdachte moet zich daar ook bewust van zijn geweest. Het met een mes steken in de rug (of andere plek in het bovenlichaam) moet naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar letsel dat het niet anders kan dan dat de verdachte de kans daarop ook bewust heeft aanvaard.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever, zodat de rechtbank het subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen vindt.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 2 december 2025 te IJsselstein, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes in de rug van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

5.Kwalificatie en strafbaarheid

5.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
- poging tot zware mishandeling.
5.2.
Strafbaarheid feit en verdachte
5.2.1.
Noodweer, noodweerexces en psychische overmacht
De verdachte stelt dat in oktober 2025 zich een incident tussen hem en aangever voorgedaan heeft, waarbij aangever een vuurwapen heeft gebruikt, waardoor de verdachte vreesde voor een actie van de kant van aangever. Daarom droeg aangever op 2 december 2025 een mes bij zich. Hij werd door aangever opgewacht. Hij had op dat moment met zijn zoontje boodschappen gedaan en wilde met zijn zoontje in de maxicosi op het winkelwagentje terug naar huis lopen. De verdachte heeft toen meerdere keren tegen aangever gezegd dat hij niet met hem wilde spreken, omdat zijn zoontje erbij was. Aangever bleef met hem meelopen en aangever bedreigde hem meermaals met de dood. Op enig moment is hij door aangever geslagen en zag hij dat aangever met de andere hand iets uit zijn zak haalde wat leek op een kolf van een wapen. De verdachte heeft aangever toen gestoken met een mes. Doordat aangever zich omdraaide, kwam het mes in de rug van aangever terecht. De verdachte zag op dat moment geen andere manier om te handelen. De verdachte had de redelijke vrees dat hem of zijn zoontje iets door aangever zou worden aangedaan. Door wat er tussen de verdachte en aangever in het verleden was gebeurd, was bij de verdachte sprake van een hevige gemoedbeweging waarin hij gehandeld heeft. Tot slot stond de verdachte onder extreme geestelijke druk; hij had zijn zoontje van twee bij zich, het gebeurde op straat. De verdachte heeft op dat moment gehandeld en hij kon op dat moment ook niet anders.
5.2.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt dat het beroep van verdachte op noodweer, noodweerexces of psychische overmacht niet slaagt.
5.2.3.
Oordeel van de rechtbank
Noodweer
De rechtbank vindt de feiten en omstandigheden die de verdachte aan zijn beroep op noodweer ten grondslag heeft gelegd niet aannemelijk geworden.
Uit het dossier blijkt van een (lopend) conflict tussen de verdachte en aangever en op camerabeelden is te zien dat aangever bij het winkelcentrum op de verdachte aan het wachten is. Maar op die camerabeelden is ook zichtbaar dat vanaf het moment dat de verdachte het winkelcentrum met een winkelwagen uitgelopen komt, aangever op enige afstand van de verdachte blijft meelopen. Op de beelden is niet te zien dat aangever dreigende bewegingen maakt in de richting van de verdachte. Verder is te zien dat op het moment dat de verdachte en aangever uit beeld lopen, aangever ongeveer een halve meter schuin voor de winkelwagen van de verdachte loopt en dat de verdachte al die tijd zijn rechterhand in zijn rechterjaszak houdt, zoals aangever in zijn aangifte verklaart. Er zijn ook geen getuigen die hebben gehoord dat aangever dreigende woorden heeft gezegd of die hebben gezien dat aangever dreigende bewegingen maakte en heeft geslagen. Nadat aangever was gestoken en al zijn kleding in beslag was genomen, is duidelijk geworden dat hij geen (vuur)wapen op zak had.
Daarnaast heeft de verdachte wisselend verklaard over wat aangever gedaan zou hebben kort voordat de verdachte hem met het mes stak.
Bij zijn aanhouding verklaart de verdachte tegenover verbalisanten:
“op een gegeven moment wilde die [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: aangever) uithalen naar mij. Ik heb toen mijn mes uit mijn rechterjaszak getrokken en hem geprikt. Ergens bij zijn schouder ofzo”.De verdachte verklaart tijdens zijn politieverhoor:
“hij bedreigde mij en wilde mij slaan en toen heb ik hem eenmaal uit paniek gestoken uit zelfverdediging”en
“hij wilde mij slaan en miste mij net.
Op hetzelfde moment stak ik hem en ik raakte hem op zijn rug”.Later bij de rechter-commissaris verklaart de verdachte
“hij sloeg mij ook”en
“diezelfde jongen komt naar mij toe en bedreigt mij met de dood en wil mij slaan, dan moet ik aan de veiligheid van mijn kind denken”.Tot slot heeft de verdachte in zijn schriftelijke verklaring van 2 december 2025 aan de rechtbank geschreven:
“hij begon mij gelijk weer met de dood te bedreigen en hield zijn handen in zijn zakken totdat hij mij met zijn rechterhand op mijn longen sloeg en hij met zijn linkerhand iets uit zijn zak wilde halen. Ik dacht een handgreep van een vuurwapen te zien”.
De rechtbank stelt vast dat waar de verdachte het eerst heeft over aangever die hem wilde slaan dit gaandeweg wijzigt in de situatie dat de verdachte daadwerkelijk door aangever geslagen is en tot slot dat aangever ook iets uit zijn jaszak zou hebben gehaald wat op de kolf van een vuurwapen leek. Al met al vindt de rechtbank niet aannemelijk geworden dat sprake geweest is van een (dreigende) noodweersituatie waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. De rechtbank zal het beroep op noodweer dan ook verwerpen.
Noodweerexces
Nu geen sprake geweest is van een dreigende ogenblikkelijk wederrechtelijke aanranding kan ook het beroep op noodweerexces niet slagen.
Psychische overmacht
Het beroep op psychische overmacht wordt eveneens verworpen, omdat naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. De enkele stelling dat de verdachte heeft gehandeld als gevolg van wat zich voorafgaand aan 2 december 2025 tussen hem en aangever zou hebben voorgedaan, is daarvoor onvoldoende.
Het feit en de verdachte zijn strafbaar. Er is ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit.

6.Straf

6.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een gevangenisstraf van 28 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht en ambulante behandeling zoals door de reclassering en een contactverbod met aangever.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat stelt dat alleen tot een bewezenverklaring van mishandeling gekomen kan worden en dat in dat geval een straf passend is gelijk aan het aantal dagen dat de verdachte in voorarrest gezeten heeft. Eventueel kan daaraan een voorwaardelijk deel van drie maanden gevangenisstraf gekoppeld worden, met daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst en omstandigheden van het gepleegde feit, het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft op straat, in de buurt van een winkelcentrum, op klaarlichte dag, in het zicht van meerdere kinderen en in het bijzijn van zijn eigen kind van 2 jaar oud, aangever met een mes in de rug gestoken. De verdachte heeft zich met zijn handelen schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling.
Hoewel het fysieke letsel van aangever beperkt gebleven is, had dit ook heel anders kunnen aflopen. Daarnaast ondervindt aangever nog steeds de psychische gevolgen van het feit dat hij vanachter met een mes in de rug gestoken is. De rechtbank vindt het verontrustend dat de verdachte op klaarlichte dag met een mes op zak boodschappen gaat doen en dat zelfs de aanwezigheid van zijn eigen zoontje hem er niet van weerhoudt om iemand (met wie hij kennelijk een conflict heeft) op straat met een mes in de rug te steken. Het zijn dit soort feiten die bijdragen aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een uittreksel van het strafblad van de verdachte van 16 maart 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte op 11 november 2024 veroordeeld is voor mishandeling. De rechtbank weegt dit in het nadeel van de verdachte mee.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van een reclasseringsadvies van 21 mei 2026. Daarin schrijft de reclassering, voor zover van belang, het volgende. Uit onderzoek komen de leefgebieden psychosociaal functioneren, sociaal netwerk en houding naar voren als mogelijke risicofactoren. Er worden risico’s gezien in de oplossingsvaardigheden van de verdachte en zijn bagatelliserende houding. De reclassering heeft geen goed zicht op de motieven van de verdachte, doordat er nooit psychologisch onderzoek is uitgevoerd. Het ontbreekt de verdachte aan dagbesteding door fysieke beperkingen en er is sprake van een laag besteedbaar inkomen. Ondanks de bekennende verklaring van de verdachte is voor de reclassering veel onduidelijk gebleven. De gemengde signalen vanuit de referenteninformatie en zijn kijk op het delict dragen bij aan het ontbreken van een eenduidig beeld bij de reclassering. Reclasseringsbemoeienis wordt geïndiceerd geacht om gedragsverandering te bewerkstelligen en het recidive risico te verlagen. Vanuit het professionele oordeel worden het algemene risico als het risico op letsel ingeschat als gemiddeld tot hoog. De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met (1) een meldplicht bij de reclassering en (2) diagnostiek en ambulante behandeling. De reclassering ziet geen zwaarwegende redenen tegen het opleggen van een gevangenisstraf, wel enige bezwaren tegen het opleggen van een taakstraf vanwege de fysieke beperkingen van de verdachte en ook enige bezwaren tegen een financiële sanctie.
Straf
Gelet op wat de rechtbank hiervoor overwogen heeft, en dan met name gelet op de aard en de ernst van het strafbare feit, is de rechtbank van oordeel dat alleen kan worden volstaan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft gekeken naar straffen die in vergelijkbare strafzaken worden opgelegd en naar de oriëntatiepunten van de rechtspraak. Die indiceren een gevangenisstraf van zeven maanden voor het toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen. In dit geval is het echter bij een poging gebleven. De verdachte heeft inmiddels 101 dagen in voorlopige hechtenis gezeten. De verdachte staat open voor reclasseringsbegeleiding en behandeling. Met het oog op de voorkoming van recidive, zal de rechtbank daarom beslissen dat de verdachte niet terug moet naar de gevangenis, maar een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd maar daaraan de geadviseerde bijzondere voorwaarden en een contactverbod met aangever gekoppeld.
De rechtbank vindt het van belang dat de verdachte hulp en begeleiding gaat krijgen vanuit de reclassering en ook dat onderzoek gedaan gaat worden naar de psyché van de verdachte. Alles overwegende, legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf op van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 79 dagen voorwaardelijk. De proeftijd wordt op twee jaar gesteld.
Deze straf is lager dan de eis van de officier van justitie, nu de officier van justitie bij haar eis uitgegaan is van een bewezenverklaring voor poging doodslag. De rechtbank komt echter tot een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling.
Bevel voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

7.In beslag genomen voorwerpen

7.1.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de onder de verdachte inbeslaggenomen twee mobiele telefoons.

8.Vordering benadeelde partij

8.1.
Vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 2.906,95-, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 406,95 voor vergoeding van materiële schade en € 2.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen: € 368,95 kapotte kleding (€ 120,- jas, € 99,95 trui en € 149,- schoenen) en € 38,- ziekenhuisdaggeldvergoeding voor 1 nacht. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
8.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering geheel toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat stelt primair dat bij een ontslag van alle rechtsvervolging de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in zijn vordering. Subsidiair stelt de advocaat dat bij een bewezenverklaring de vordering tot vergoeding van de immateriële schade als onvoldoende onderbouwd afgewezen moet worden. Bij een bewezenverklaring van een mishandeling is de daggeldvergoeding van € 38,- en daarnaast maximaal een bedrag van € 500,- aan immateriële schade toewijsbaar. De vordering tot vergoeding van materiele schade is voor het overige onvoldoende onderbouwd dan wel toewijsbaar tot een bedrag van maximaal € 250,-.
8.4.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting vast dat de schade tot vergoeding van de ziekenhuisdaggeldvergoeding en kapotte kleding in rechtstreeks verband staan met het bewezen verklaarde feit. Dit deel van de vordering is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd en onvoldoende gemotiveerd door de verdachte betwist. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe, te weten € 406,95,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 december 2025.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW Pro onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank gebruikt de Rotterdamse schaal uitsluitend als hulpmiddel voor de vaststelling van de immateriële schade. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.
In de onderhavige zaak valt het letsel van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie 13 (licht letsel) van de Rotterdamse schaal. De rechtbank neemt de in die schaal genoemde bandbreedte van € 725,- tot € 2.175,- tot uitgangspunt. Hoewel het herstel van benadeelde partij sneller oogt te zijn gegaan dan de daar genoemde twee tot vier maanden, vindt de rechtbank deze schaal passend mede vanwege de psychische gevolgen die een ingrijpende gebeurtenis als een opzettelijk toegebrachte steekwond voor de aangever gehad heeft. De rechtbank vindt een vergoeding van € 1.500,- billijk, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 december 2025. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van zijn vordering niet-ontvankelijk.
De rechtbank wijst in totaal toe een bedrag van € 1.906,95, vermeerderd met de wettelijke rente.
proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval hebben zowel de verdachte als de benadeelde partij op punten ongelijk gekregen. Omdat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van
€ 1.906,95 aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 december 2025 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 19 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

9.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
14a, 14b, 14c, 36f, 45, 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart het primair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bewezenverklaring
  • verklaart het subsidiair ten laste gelegde feit bewezen, zoals hierboven in paragraaf 4 is omschreven;
  • verklaart het overige niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 5.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van
180 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van
79 dagen,niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van
2(twee)
jarenvast;
- als algemene voorwaarde geldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:
* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , zolang het openbaar ministerie dit noodzakelijk acht;
* zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij reclassering Utrecht op het adres Zwarte Woud 2;
* zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start indien hier vanuit de afgenomen diagnostiek aanknopingspunten voor worden
gezien. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en cognitieve vaardigheden.
- geeft Reclassering Nederland opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden, met uitzondering van het contactverbod, en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

beslag

- gelast de teruggave aan de verdachte van de volgende voorwerpen:
  • 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL0900-2025410915-3628944, ouder model, in zwart klaphoesje, Zwart, merk: Apple);
  • 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL0900-2025410915-3628955| in zwart klaphoesje, Zwart, merk: Samsung)
Vordering benadeelde partij
- wijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.906,95;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 december 2025 tot de dag van volledige betaling;
- verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat
€ 1.906,95 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 december 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 19 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
voorlopige hechtenis
- heft op het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. J.P. Verboom, en mr. G.K.L. de Wijkerslooth de Weerdesteijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Troostheide als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 2 december 2025 te IJsselstein, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer] ,
van het leven te beroven,
met een mes in de rug van die [slachtoffer] heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 december 2025 te IJsselstein, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer] ,
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
met een mes in de rug van die [slachtoffer] heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 december 2025 te IJsselstein, althans in Nederland,
[slachtoffer] heeft mishandeld, door
met een mes in de rug van die [slachtoffer] te steken;

Voetnoten

2.Pagina 39.
3.Pagina 40.
4.Pagina 181.
5.Pagina 185.
6.Pagina 188.