ECLI:NL:RBMNE:2026:3383

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
UTR 26/927
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na niet-tijdige beslissing op bezwaar door UWV

Verzoekster diende op 28 januari 2026 beroep in tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) omdat het bestuursorgaan niet tijdig had beslist op haar bezwaar van 15 oktober 2024. Op 12 februari 2026 nam het UWV alsnog een beslissing en verklaarde het bezwaar ongegrond. Hierna trok verzoekster het beroep in en verzocht om vergoeding van haar proceskosten.

De rechtbank oordeelde zonder zitting dat het UWV geen bezwaar maakte tegen het verzoek tot vergoeding. Op grond van de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht werd de proceskostenvergoeding vastgesteld op €467,-. Daarnaast is het UWV verplicht het betaalde griffierecht van €54,- te vergoeden.

De rechtbank veroordeelde het UWV tot betaling van de proceskosten aan verzoekster. De uitspraak werd gedaan door rechter R.C. Stijnen op 8 mei 2026 te Utrecht.

Uitkomst: Het UWV is veroordeeld tot betaling van €467,- aan proceskosten aan verzoekster wegens niet-tijdige beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/927

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. E. van den Bogaard),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,(gemachtigde: mr. E.F. de Roy van Zuydewijn) verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat verzoekster heeft ingesteld op 28 januari 2026, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van
15 oktober 2024.
Op 12 februari 2026 heeft verweerder alsnog een beslissing op het bezwaar van verzoekster genomen en het bezwaar ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd van haar proceskosten.
Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster. De rechtbank leidt hieruit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.
4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op
€ 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 54,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
J.B. Overtoom, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.