ECLI:NL:RBMNE:2026:3379

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
UTR 26/51
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking beroep wegens gedeeltelijke tegemoetkoming

Verzoekster, Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., stelde op 2 januari 2026 beroep in tegen het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Flevoland wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaar van 16 april 2025. Op 8 april 2026 nam verweerder alsnog een beslissing waarin het bezwaar gedeeltelijk werd gegrond verklaard. Hierop trok verzoekster het beroep in en verzocht om vergoeding van haar proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat bij intrekking van het beroep vanwege gedeeltelijke tegemoetkoming door het bestuursorgaan, de proceskosten kunnen worden toegewezen aan de indiener van het beroepschrift. Verweerder had geen bezwaar tegen betaling van de proceskosten. De rechtbank stelde de proceskosten vast op €467,-, gebaseerd op het indienen van het beroepschrift met een wegingsfactor.

Daarnaast wees de rechtbank op de wettelijke verplichting van verweerder om het door verzoekster betaalde griffierecht van €397,- te vergoeden, waarvoor verzoekster zich rechtstreeks tot verweerder moet wenden. De uitspraak werd gedaan zonder zitting, op 21 mei 2026, en veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten aan verzoekster.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €467,- aan proceskosten aan verzoekster na intrekking van het beroep wegens gedeeltelijke tegemoetkoming.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/51

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2026 in de zaak tussen

Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A.,gevestigd te Nijmegen, verzoekster
(gemachtigde: S.R. van Uffelen),
en

het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Flevoland, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van 2 januari 2026 dat verzoekster heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 16 april 2025.
Op 8 april 2026 heeft verweerder alsnog een beslissing op het bezwaar van verzoekster genomen waarin hij het bezwaarschrift van verzoekster gedeeltelijk gegrond verklaard.
Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd van haar proceskosten.
Verweerder heeft op 30 april 2026 gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoekster en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van verzoekster te betalen.
4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op
€ 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 397,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
J.B. Overtoom, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.