ECLI:NL:RBMNE:2026:3360

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/6491
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking beroep wegens gewijzigde bestuursbeslissing

Verzoekster stelde beroep in tegen een beslissing van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 17 oktober 2025. Tijdens de procedure nam verweerder op 16 april 2026 een nieuwe beslissing waarin de eerdere beslissing werd gewijzigd. Hierop trok verzoekster haar beroep in en verzocht om vergoeding van haar proceskosten.

De rechtbank beoordeelde het verzoek zonder zitting, gelet op de gewijzigde beslissing en het feit dat verweerder niet op het verzoek tot vergoeding reageerde. Op grond van de artikelen 8:75 en 8:75a Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht kan de rechtbank proceskosten toewijzen wanneer het bestuursorgaan aan de indiener van het beroep tegemoet is gekomen.

De rechtbank kende een vergoeding toe van € 934,- voor de bijstand door een gemachtigde en wees erop dat het griffierecht van € 53,- rechtstreeks door verweerder aan verzoekster moet worden vergoed. De uitspraak werd gedaan door rechter J. Wolbrink op 10 juni 2026.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt het bestuursorgaan tot betaling van € 934,- aan proceskosten na intrekking van het beroep wegens gewijzigde beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6491

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. C.J. Loef),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft op 10 november 2025 beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 17 oktober 2025.
Op 16 april 2026 heeft verweerder een nieuwe beslissing genomen waarin hij de beslissing van 17 oktober 2025 heeft gewijzigd.
Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen
.Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster. De rechtbank leidt hieruit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.
4. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-). bij wegingsfactor 1 wordt dus € 934,- toegekend.
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van J.B. Overtoom, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.